De corrumpering van het ministerie van Justitie

In het Amerikaanse politieke systeem heeft het ministerie van Justitie een dubbele rol: het is de hoeder van de Amerikaanse rechtsstaat en het vertegenwoordigt de regering. Tussen die twee is er altijd een zekere spanning, maar niet onder president Trump. Hij heeft duidelijkheid verschaft: de minister van Justitie is zijn persoonlijke jurist, zijn loopjongen, zijn belangenbehartiger. Sinds vorige week wordt die functie vervuld door Todd Blanche, de jurist die Trump verdedigde in de zaak van het zwijggeld voor Stormy Daniels.

Blanche weet waar hij aan begint. Zijn voorgangster Pam Bondi, vaak afgeschilderd als een ‘brown noser’ vanwege haar opkruipen tegen de president, kon ondanks haar hondentrouw vertrekken wegens onvoldoende agressie. Blanches benoeming liep nog bijna vast op het zogenoemde slush fund: 1,8 miljard dollar voor veronderstelde slachtoffers van ‘government lawfare’. Deze zaak was door Blanche gepromoot, in combinatie met een belastingdeal waarbij Trump en zijn familie zich niet meer druk hoefden te maken over mogelijke audits. De Republikeinse senatoren die geloofden dat deze deals nu voorgoed van de baan zijn kun je blijkbaar alles wijsmaken.

President Trump is niet de eerste die een meegaande, op zijn behoeften afgestemde minister wenst. John F. Kennedy benoemde zijn broer Robert als minister van Justitie. Dat had voordelen bij confrontaties met zuidelijke gouverneurs over segregatie en schendingen van de burgerrechten: Robert sprak namens de president. Het maakte het gemakkelijker om contact te houden met Marten Luther King en de burgerrechtenbeweging. Het weerhield Robert Kennedy er overigens niet van King te laten afluisteren door de FBI, een onderdeel van het ministerie van Justitie.

Richard Nixon benoemde zijn vriend en huisjurist John Mitchell tot minister van Justitie, vergezeld van een verzoek aan FBI-directeur Edgar Hoover om af te zien van een achtergrondsonderzoek. Mitchell eindigde in het gevang vanwege zijn rol in het Watergate schandaal. Hij werd in mei 1973 opgevolgd door de onbesmette Elliot Richardson die op zijn beurt beroemd werd door de Saturday Night Massacre, een historische confrontatie tussen de uitvoerende macht en het ministerie van Justitie als handhaver van de rechtsstaat. Nixon eiste dat zijn minister de speciale onderzoeker naar Watergate, Archibald Cox, zou ontslaan nadat die een een dagvaarding had doen uitgaan om om de bandopnames te verkrijgen die tot Nixons ondergang zouden lijden. Richardson weigerde, net als zijn onderminister William Ruckelshaus. Uiteindelijk was de derde man, Robert Bork, bereid Cox te ontslaan, maar Bork liet weten dat hij onmiddellijk zelf ontslag zou nemen. Op verzoek van de anderen bleef Bork uiteindelijk aan om het ministerie te beschermen tegen verdere aanvallen van de uitvoerende macht. Misschien is het goed hier nog even te memoreren dat vicepresident Vance onlangs opperde dat vandaag de dag Watergate nauwelijks een rimpeltje zou veroorzaken. Het probleem: hij heeft gelijk.

Nixon ging uiteindelijk toch ten onder in Watergate en sindsdien was het de norm dat het ministerie van Justitie op enige afstand moet staan van de president. Daar werd al aan gemorreld onder president Reagan, die zijn Californische vriend William French Smith benoemde als Attorney General. In zijn tweede termijn zette Reagan Edwin Meese, zijn trouwe adviseur in het Witte Huis, op deze post. Meese zat er toen het Iran-Contra schandaal aan het licht kwam, maar ontsnapte aan vervolging voor zijn rol (net als George Bush, de oude). George W. Bush benoemde in zijn ongelukkige tweede termijn Alberto Gonzalez, die tijdens de eerste termijn zijn raadsman was geweest. Gonzalez hield het niet lang vol, het Congres verlangde zijn ontslag. Er lijkt sprake van een patroon: sinds Kennedy hebben alleen Democratische presidenten de afstand met het ministerie weten te bewaren.

Trump heeft overal lak aan. Hij meent dat de regering-Biden hem onterecht vervolgde, weaponized the law, en ziet er geen been in om nu wraak te nemen door zelf Jan en Alleman die hem niet bevalt te vervolgen. En inmiddels heeft Trump het ministerie zodanig naar zijn wensen gesmeed dat Richard Nixon een kleine krabbelaar lijkt. Stuurde Nixon nog de belastingdienst op vermeende vijanden af, Trump eist simpelweg dat de minister zijn vijanden vervolgt en zaken tegen bevriende wetsovertreders laat vallen, dit laatste vaak na een bijdrage in zijn campagnekas of aan zijn bouwwerken. Het ministerie doet als bevolen.

De schade is groot en zal moeilijk te repareren zijn. De afdeling burgerrechten is uitgekleed. Witte boorden criminaliteit wordt niet meer vervolgd. Duizenden juristen zijn ontslagen of vertrokken. Trump heeft zichzelf en zijn familie vrijgesteld van belastingcontroles, en wil nog steeds een fonds van 1,8 miljard dollar voor veronderstelde ‘slachtoffers’ van ‘government lawfare’ noemde, inclusief de veroordeelde aanvallers van het Capitool die hij gratie verleende.

De FBI, onderdeel van het ministerie, wordt gerund door een incompetente zeloot met een hang naar luxe uitstapjes met zijn zingende vriendin. Beleidsmatig presenteert de pathetische Kash Patel zich als een trouwe marionet van de president, diens opdrachten uitvoerend al voor ze gegeven zijn. Agenten die ook maar iets te maken hadden met het onderzoek naar Trumps poging tot staatsgreep op 6 januari 2021 of anderszins naar de president en diens handlangers, zijn ontslagen. De activiteiten van het bureau zijn verlegd naar immigratie. Rechts extremisme wordt niet meer gevolgd. Expertise gaat verloren.

Het ministerie heeft nu moeite vacatures te vullen. Veel juristen vertrekken naar beter betalende banen in de privé sector nu een paar jaar op Justitie geen extra aanbeveling zijn voor hun carrière – integendeel zelfs. Openbare aanklagers, banen waarvoor je slimme mensen nodig hebt die bereid zijn te werken voor overheidslonen, zijn massaal vertrokken omdat ze soms onzinnige aanklachten moesten indienen. Ze schaamden zich voor de zwakte van veel zaken. Justitie werft nu direct op de universiteiten en biedt zelfs tekenbonussen.

Vertrouwen in de rechtsstaat is geschaad. Rechters vragen meer en meer verklaringen en bewijsmateriaal om te kunnen vaststellen of de claims van de overheid wel waar zijn. Ze dreigen zelfs met sancties als de overheidsjuristen de zaak vertroebelen of niet meewerken. Een aantal van door Trump naar voren geschoven ongeschikte openbare aanklagers zijn door de rechters afgewezen. Dat biedt hoop maar of het systeem overeind zal blijven onder het sloopwerk van Blanche en Trump, en mogelijk een opvolger als JD Vance, staat zeer te bezien.

Where evil meets evil

Een overpeinzing

Een aantal van de meest verwerpelijke types in de internationale politiek zoeken elkaar op in confrontatie in het Midden Oosten. Het kan nog uit de hand lopen maar als het adagium houdt uw vijand niet tegen als hij zichzelf probeert op te knopen iets waard is, dan zien we in die ongelukkige regio een prachtige show. We hebben daar geen vrienden, dat moet ons duidelijk zijn. Ik vraag me zelfs af of we er belangen hebben, afgezien van voorkomen dat autoritaire zelfingenomen heren de wereld in brand steken.

De grafdelver van Israël, Benjamin Nethanyahu, zet zijn tanden in Erdogan, die van het zwaar bevochten democratisch Turkije weer een autoritaire staat maakte, waar journalisten en politici worden opgesloten. De religieuze fanaten in Iran hangen als boksers in de elfde ronde om de nek van de blatende, mentaal gehandicapte vijand van de Amerikaanse democratie. Ze bombarderen elkaar, als het niet met bommen is dan met woorden. Laten we zeggen, ze verdienen elkaar, al mogen we mededogen hebben met de arme Iraanse bevolking. Trump spiegelde hen een nieuwe wereld voor, in plaats daarvan kregen ze ellende. De les is pijnlijk: wie op Trump vertrouwt komt altijd bedrogen uit.

Arabische moordenaars en corrumpeerders van alles wat ooit mooi was (kunst en voetbal, om maar iets te noemen) proberen zich de malloot in Washington, die ze eerst miljarden dollars rijker maakten, van het lijf te houden. Namens hen, althans dat zegt hij, maakt hij de regio nog onveiliger dan hij al was. In Egypte zit een brute dictator. In Syrië bombardeert Israël er op los, Libanon hebben ze al kapot gemaakt. Wie dacht dat de Balkan ooit een moeras was, zo’n regio met historische conflicten waar je maar beter een hek om kunt zetten om het ze zelf te laten uitvechten, ziet het kwadraat ervan in het Midden Oosten. Obama probeerde ervan af te komen, Trump is er weer met beide voeten ingesprongen. Het Midden Oosten, Israël, is voor Amerika een tar baby, zo’n kleverige pop waar je als hem aanraakt je handen niet meer vanaf kunt halen.

Democratic socialists in the picture

Het lijdt geen twijfel dat Democratische kiezers, of in elk geval een flink deel van hen, genoeg hebben van de gevestigde orde, of in elk geval van de traditionele, het midden opzoekende politici. Opeens praat iedereen over democratisch socialisme en kiezers stemmen op politici die onder die vlag varen, voorop de nieuwe burgemeester van New York, de populaire Zohran Mamdani. Hun radicalisme valt nogal mee: in Europese termen gaat het over gematigde sociaal democraten. 

Los van de niet opmerkelijke inhoudelijke aspecten – kosten van levensonderhoud, woningen, redelijk betalende banen en afkeer van zinloze oorlogen – roept het de vraag op waarom er in Amerika geen echte sociaal democratische partij is. Ooit was er een socialist die landelijk gezien in de bus blies: Eugene Debs haalde in 1912 zes procent van de stemmen. In 1920 moest deze fascinerende man vanuit de gevangenis kandideren omdat hij wegens zijn pacifisme door de regering-Wilson was aangeklaagd en veroordeeld. Bij deze laatste van zijn vijf kandidaturen voor het presidentschap haalde hij nog maar drie procent van de stemmen. Daarna heeft socialisme of democratic socialism nooit serieus meegespeeld in presidentsverkiezingen. Er waren wel progressieven maar die worden in Amerika worden meestal liberals genoemd.

De vraag blijft waarom eind negentiende eeuw overal in de geïndustrialiseerde wereld socialisme opkwam behalve in de Verenigde Staten. De klassieke analyse van dit fenomeen door Werner Sombart, zijn Why There is No Socialism in the United States, daterend uit 1906, blijft een mooi, klein meesterwerk – oorspronkelijk verschenen in het Duits. Er valt genoeg af te dingen op zijn analyse, maar het blijft historisch een interessant werk. Sombart gaf de aanzet tot de studie van Amerikaans exceptionalisme, later door politicologen als Seymour Lipset verder uitgewerkt.

Werner Sombart was een prominent Duits socioloog, die in 1904 uitgebreid de Verenigde Staten bezocht. Uiteraard is zijn boek gedateerd, maar zijn observaties blijven interessant. Hij vroeg zich af waarom het socialisme in Amerika niet doorbrak, terwijl de ‘objectieve voorwaarden’ daarvoor wel degelijk aanwezig waren. Sombarts belangrijkste stelling was dat Amerikaanse arbeiders niet vijandig stonden tegenover kapitalisme an sich. Velen van hen waren immigranten uit een gepolariseerd en verpauperd Europa, ze konden hun leven in de VS vergelijken met wat ze hadden achtergelaten. En ze waren er niet ontevreden mee. 

Daarnaast had de arbeider een min of meer positieve houding tegenover het Amerikaanse politieke systeem, oftewel, er werd niet geroepen om revoluties, veeleer om verkiezingen. Sinds president Jackson (1829-1837) was was het kiesrecht aanmerkelijk uitgebreid en de blanke arbeider had niet het gevoel buitengesloten te zijn. Binnen dat systeem was het echter uitzonderlijk moeilijk om een derde partij tot wasdom te laten komen. De twee partijen die sinds 1856 domineren, zijn en waren bijzonder goed in het absorberen van agenda’s van randgroepen en potentiële derde partijen, voldoende om de scherpe kantjes weg te nemen. Geen wonder dan ook dat de huidige democratic socialists liever opereren als een soort van actiegroep binnen de Democratische Partij, iets wat Bernie Sanders overigens al meer dan tien jaar doet. 

Een andere overweging, niet zozeer van Sombart maar historisch gezien, is dat de partijen als het erop aankwam wel degelijk beleid op de randen opzochten. In Sombarts tijd was het Theodore Roosevelt die een eerste bijsturing van het rauwe Amerikaanse industriële systeem realiseerde. De New Deal van Democraat Franklin D. Roosevelt schiep tijdens de Grote Depressie een soort van verzorgingsstaat, verder uitgebreid in Lyndon Johnsons Great Society in de jaren zestig.

Fascinerend gegeven de huidige ontwikkeling waarin kiezers zich steeds meer voelen buitengesloten, was Sombarts stelling dat Amerikaanse arbeiders feitelijk werden gecoöpteerd in het systeem doordat ze van de vruchten ervan profiteerden. De werkende klasse kreeg quasi-middenklasse overtuigingen. Cru gezegd in marxistische termen: er was onvoldoende Verelendung en te veel vals klassenbewustzijn. Arbeiders konden altijd hopen op verbetering.

Opwaartse mobiliteit nam in Sombarts boek slechts één paragraaf in maar juist het argument dat de krantenjongen miljonair kon worden, heeft tot veel latere studies geleid. De socioloog Ralph Dahrendorf noemde het ‘het kardinale punt in Sombarts briljante essay’. Lipset werkte het uit door te betogen dat in het algemeen de Amerikaanse samenleving meer open was dan de Europese. Sombart was sceptischer: hij beperkte zich tot de vaststelling dat dit vooral leidde tot het afzwakken van arbeidersbewustzijn. 

Ten slotte kwam Sombart met het frontier-argument. De arbeider die het niet beviel, kon gewoon verder trekken, ergens anders heengaan, ‘om te ontsnappen naar de vrijheid’. In de laatste alinea van zijn boek voorspelde Sombart dat al deze factoren ooit in hun tegendeel zouden verkeren en dat er dan wel degelijk socialisme zou kunnen ontstaan in de VS. 

Post-Sombart kun je natuurlijk vaststellen dat Amerika zijn eigen sociaal democratische ontwikkeling heeft doorgemaakt. Niet ideologisch maar pragmatisch, in de vorm van de New Deal en niet geleid door socialisten maar door Democraten en zo nu en dan ook door Republikeinen met visie. 

Het is vervreemdend om Sombart te herlezen nu er een president aan het bewind is die de jaren negentig van de negentiende eeuw als Amerika’s beste tijd ziet. Vervreemdend maar ook verhelderend. Want al die omstandigheden die Sombart aanvoerde waarom socialisme in Amerika niet van de grond kwam, zijn verminderd of niet meer relevant. Amerikanen zijn niet meer optimistisch, zijn altijd bang voor een ziekte of andere crisis, zien het sociaal vangnet ontrafeld door corrupte politici die nauw samenwerken met puissant rijke ondernemers. En de mobiliteit, zowel sociaal als geografisch, is minimaal.

Zou socialisme nu wel een kans krijgen, vraag je je af? Het blijft onwaarschijnlijk maar als je leest dat een meerderheid van de Amerikaanse jongeren wel oren heeft naar iets dat socialisme heet, moet je het niet uitsluiten. Of in elk geval niet een sociaal democratische variant die in Europese ogen weinig radicaals heeft. Zeker is dat die liefhebber van de jaren 1890, Donald Trump, het niet heeft begrepen als hij waarschuwt voor ‘communisme dat overal gefaald heeft’. Daarmee maakt hij die ontevreden kiezers niet meer bang. Het zou ironisch zijn als Trumps onverschilligheid en historische onbenulligheid een vorm van progressief beleid in het zadel kan helpen.

Wie overspeelt er nu weer zijn hand?

In elke oorlog keren kansen, komen er momenten dat een van de partijen een steek laat vallen of zijn hand overspeelt. Ik heb het gevoel dat Iran op zo’n punt is aangeland. Tot nu wist het land zich met succes te verzetten tegen Trumps eigen dumbo-moment, dat waarin hij dacht in een paar dagen Iran op de knieën te krijgen. Over momenten gesproken: Trump liet zich overhalen door Israëls tot de ondergang voerende premier Nethanyahu tot een uitstapje naar Iran. Hij negeerde zowat iedereen in zijn staf die meende dat wat Nethanyahu Trump wijsmaakte bullshit was en liet zich meevoeren.

Dat de Golf van Hormuz een probleem zou kunnen zijn werd niet onderkend (dat valt moeilijk te geloven) of niet belangrijk geacht. Een quickie, dacht de grote leider in Washington. We deden het met Venzuela, we doen het met Iran.

Dat het wegblazen van de totale leiding van een land waarmee je formeel niet in oorlog bent (er werd zelfs nog onderhandeld, net als trouwens bij de vorige ronde – geen wonder dat Iran Amerika niet vertrouwt) acceptabel beleid is, is in de Amerikaanse context niet eens ter discussie gesteld. Je doet dat gewoon. Er was ooit een ban op moorden door de Amerikaanse overheid, ingesteld na misdragingen van de CIA. In dit geval deden de Israelis, inmiddels Amerika’s minst geliefde vriend, het vuile werk, maar het was gewoon een moord met medeplichtigheid van Amerika. Het resultaat zou het allemaal rechtvaardigingen.

Enfin, zes maanden later zwabbert Trump alle kanten op, lijden de wereld en Amerikaanse burgers onder de gevolgen van zijn beleid, en is het einde van de oorlog nog niet in zicht. Sterker, er verschijnen steeds meer alarmerende analyses die de uitbreiding van deze oorlog koppelen aan Oekraïne, Rusland en China, en risico’s zien voor een wereldoorlog. De Amerikaanse Senaat, steeds bereid om zich te plooien naar de president, heeft hem niet tot de orde geroepen. Ook hier ging een post-Nixon regel, de War Powers Act, het raam uit.

Toen ik gisteren de koppen zag over nieuwe Iraanse voorwaarden, nadat Trump al een hele climb down had moeten maken nadat hij nog maar een week geleden de allerzwaarste bombardementen aankondigde, bekroop met het gevoel dat nu Iran zijn dumbo-moment meemaakte. Een uitzonderlijk sterke hand die je moet gebruiken om zo goed mogelijke voorwaarden voor een einde van de oorlog te bewerkstelligen, maar dan moet je het wel behapbaar blijven voor de kleine geesten in Washington. Geef Trump een veer om in zijn reet te steken, geef hem iets, al is het nog zo klein om zichzelf wijs te maken dat de oorlog een succes was, en hij gaat zich weer honderd procent bezig houden met het verfraaien van Washington en het verder zelfverrijken.

Ik hoop dat ik ongelijk heb. Dat het niet Iran is die nu zijn hand overspeelt.

In deze context wijs ik de geïnteresseerd lezer graag op een artikel in Foreign Affairs, het vakblad voor de wereld van Internationale Relaties. Deze warme dagen boden een gelegenheid om een achterstallige stapel Foreign Affairs weg te werken. Bijzonder interessante artikelen, onder andere een nu geleidelijk aan absurd optimistisch ogend verhaal van twee Israelische Nethanyahu-adviseurs dat een aardig inzicht geeft in het wensdenken dat daar plaats heeft.

Een fascinerend verhaal dat eruit sprong ging over chokepoints, een onderwerp dat toevallig ook afgelopen zaterdag werd aangeroerd door de beste columniste van de NRC, Carolien Gruyters. Zij verwees naar het boek Chokepoints: American Power in the Age of Economic Warfare van Edward Fishman. De korte versie van dit boek stond in een recente Foreign Affairs. Fishman legt uit wat chokepoints zijn, aan welke voorwaarden ze moeten voldoen, wat je eraan hebt, hoe je ze kunt uitspelen. Denk aan Straat van Hormuz, denk zeldzame metalen, NVDIA chips, de dollar als wereldvaluta.

Echte chokepoints, zegt Fishman, hebben drie eigenschappen. Een enkel land of een coalitie van landen bezit een dominant, geconcentreerd marktaandeel. Er zijn geen vervangingsmiddelen voor, in elk geval niet op de korte termijn. En het land of de coalitie kan zijn positie als wapen gebruiken op manieren die een asymmetrische druk opleggen, daarmee serieuze pijn toebrengend aan het doelwit met minimale schade voor henzelf.

De Straat van Hormuz is een heerlijk voorbeeld. Het blijft ongelooflijk dat de Amerikanen niet hebben gezien hoe dit zou kunnen uitpakken.

De Gruyter citeerde Fishman vanwege zijn betoog dat nu supermachten tegenover elkaar staan het idee verdwijnt dat er mondiaal afspraken zijn die gelden voor zowel de groten als de kleinen. ‘Als één grote de regels gaat ombuigen en daarbij over de kleineren heenwalst, gaat iedereen zich indekken – door te proberen minder afhankelijk van anderen te worden. Met zijn handelstarieven lokte Trump wereldwijd protectionisme uit.’, schrijft De Gruyter. Ze schrijft het in de context van de kippendrift (Yesulgoz weer vol op het orgel) over Cueta, maar ik kan het hele verhaal aanbevelen – choking points zullen nog vaak terugkomen, al of niet zo benoemd.

Nu ik toch bezig ben: lees ook het artikel over Taiwan, en zie waarom het onwaarschijnlijk is dat China het land aanvalt of in elk geval de zorgen daarover sterk overdreven zijn. Dennis Blair legt uit hoe China Taiwan zou kunnen benaderen en waarom er vooralsnog geen reden is voor paniek, hij vindt het idee dat China een militaire voorsprong zou hebben die dit gemakkelijk zou maken, overdreven. Lees het en inderdaad, het lijkt een stuk minder waarschijnlijk dat Xi zijn kansen zou wagen op een manier die tot succes zou kunnen leiden.

En als u dit soort artikelen interessant vindt, neem een abonnement. Voor 40 dollar heeft u een ongekend inzicht in wat de denkers op dit terrein hebben te melden.

Andere boeken die ik deze zomer las – just for the heck of it:

toevallig ook over Taiwan de winnaar van de Booker Prize:

Taiwan Travelogue door Yang Shuang-zi

Een ingenieus verhaal van een Japanse schrijfster die in 1938 een jaar in Taiwan verblijft, al een jaar of vijftig een kolonie van Japan. Ze krijgt gezelschap van een Taiwanese die de vertalingen doet en haar reis organiseert. Veel draait om voedsel en genieten.

De verteller zoekt vriendschap, misschien meer, met de vertaalster. Het thema is patroniseren. Denken dat je iemand in bescherming moet nemen, zonder dat die iemand daar om gevraagd heeft. De koloniale verhouding vindt zijn spiegel in de verhouding tussen de twee vrouwen.

Daarmee overstijgt het boek zijn Taiwan thema tot iets intermenselijks. Patroniseren kan onopzettelijk gebeuren en wel degelijk door de ‘beschermde partij’ als offensief worden ervaren. Een absolute aanrader. En dan heb ik nog niet eens over de intrigerende opzet: het zou een vertaling zijn van een herontdekte tekst door een Japanse schrijfster, met aantekeningen van de vertaalster in het Mandarijn en later in het Engels. Fascinerend. Een sensatie sinds de schrijfster en de vertaalster de Booker International Prize 2026 wonnen.

De zwevende wereld. De verbonden levens van Franz von Siebold en Kusumoto Oine door Annejet van der Zijl

Annejet van der Zijl is een van Nederlands favoriete schrijfsters. Elk boek is een bestseller nog voordat iemand een woord heeft gelezen, voordat er besproken is. Ik ben al een tijdje niet meer onder de indruk. Laat ik me beperken tot dit boek, dat zou gaan over Franz Von Siebold die zes jaar doorbracht in Dejima, de Nederlandse handelskolonie voor de kust van Nagasaki, begin negentiende eeuw het enige toegangspunt tot het van de wereld afgesloten Japan. Von Siebold bracht medische kennis naar Japan, en planten en botanische wijsheid naar Europa, ook al waren de uitstapjes naar het echte Japan beperkt.

Ik ga vaak naar het Siebold Huis in Leiden, ik was in Dejima, het kunstmatige eiland bij Nagasaki waar het verhaal van Siebold en het verhaal in dit boek zich afspeelt (nou ja, een deel van het verhaal). Wat mij betreft is het boek een mislukking. Het is saai geschreven, brengt de hoofdpersoon niet echt tot leven en ik heb het gevoel dat Van der Zijl op een gegeven moment heel veel tijd en energie in dit onderwerp had gestoken maar er geen acceptabel boekwerk van kon maken en het daarom heeft opgedikt met een geschiedenis van Japan.

Geen succes. Een kleinigheid (niet echt, want ook De Amerikaanse Prinses zat vol fouten) is dat het boek verkondigt dat de Amerikaanse onafhankelijkheid plaatshad in 1783. En, nog kleiner, er werd niet goud gevonden in Californië in 1849 maar in 1848 – de Gold Rush was in 1849). Het lijkt triviaal maar is er echt niemand bij haar uitgever die daarop heeft aangeslagen? Geen editor bij de hand? Kun je de rest van haar informatie vertrouwen? Als het je zou interesseren?

De geschiedenis van Dejima is veel mooier vertelt in meeslepende fictie door David Mitchell in The Thousand Autumns of Jacob de Zoet (In het Nederlands de Niet verhoorde gebeden). Pak liever dat boek.

De wisselwachter door Geert Mak

Geert Mak is ooit begonnen, denk ik, aan een boek over Harry Hopkins (misschien een PhD project, gezien zijn bibliotheek werk). Hij eindigde met een boek over de Roosevelts, specifiek het Witte Huis onder Franklin en Eleanor. Hopkins figureert eigenlijk vooral op de zijlijn, want Mak spreidt alle aantekeningen die hij uit de honderden biografieën van de Roosevelt groep heeft gelezen breed uit, vooral in verhalen over de sfeer in dat Witte Huis.De basis ervoor zijn de vele honderden biografieën over personen uit deze periode. We zien soms meer van Eleanor dan van Harry.

Er zullen vast liefhebbers voor zijn, de petit details geschiedenis, wat mij betreft is het een obese project. Wat is dat toch met die vuistdikke boeken waarvan je merkt dat ze gewoon slecht geëdit zijn? Los van dit inmiddels veelvoorkomende probleem vond ik het irritant dat Mak zichzelf erin schreef, gesprekken met kleinkinderen, archiefmateriaal waarvan hij meent niemand er ooit naar heeft gekeken (wat ik me van het materiaal van Lorena Hickok, Eleanors vriendin en mogelijk lover, niet kan voorstellen). Hij lijkt de indruk te willen wekken dat hij onderzoek heeft gedaan naar een braakliggend terrein – terwijl er over weinig historische periodes meer is geschreven.

Ik zag bij besprekingen dat Mak zo mooi huidige ontwikkelingen laat spiegelen in de jaren dertig en begin veertig. ik zag het niet zo. Er zijn te veel fantastische boeken over deze jaren en deze mensen om erg onder de indruk te zijn van de doctoraalscriptie die student Mak erover heeft geschreven. Ik weet het,er zijn liefhebbers voor, en ik hoop dat ze vinden wat ze hoopten te vinden. Mij viel het vooral tegen.