Het lijdt geen twijfel dat Democratische kiezers, of in elk geval een flink deel van hen, genoeg hebben van de gevestigde orde, of in elk geval van de traditionele, het midden opzoekende politici. Opeens praat iedereen over democratisch socialisme en kiezers stemmen op politici die onder die vlag varen, voorop de nieuwe burgemeester van New York, de populaire Zohran Mamdani. Hun radicalisme valt nogal mee: in Europese termen gaat het over gematigde sociaal democraten.
Los van de niet opmerkelijke inhoudelijke aspecten – kosten van levensonderhoud, woningen, redelijk betalende banen en afkeer van zinloze oorlogen – roept het de vraag op waarom er in Amerika geen echte sociaal democratische partij is. Ooit was er een socialist die landelijk gezien in de bus blies: Eugene Debs haalde in 1912 zes procent van de stemmen. In 1920 moest deze fascinerende man vanuit de gevangenis kandideren omdat hij wegens zijn pacifisme door de regering-Wilson was aangeklaagd en veroordeeld. Bij deze laatste van zijn vijf kandidaturen voor het presidentschap haalde hij nog maar drie procent van de stemmen. Daarna heeft socialisme of democratic socialism nooit serieus meegespeeld in presidentsverkiezingen. Er waren wel progressieven maar die worden in Amerika worden meestal liberals genoemd.
De vraag blijft waarom eind negentiende eeuw overal in de geïndustrialiseerde wereld socialisme opkwam behalve in de Verenigde Staten. De klassieke analyse van dit fenomeen door Werner Sombart, zijn Why There is No Socialism in the United States, daterend uit 1906, blijft een mooi, klein meesterwerk – oorspronkelijk verschenen in het Duits. Er valt genoeg af te dingen op zijn analyse, maar het blijft historisch een interessant werk. Sombart gaf de aanzet tot de studie van Amerikaans exceptionalisme, later door politicologen als Seymour Lipset verder uitgewerkt.
Werner Sombart was een prominent Duits socioloog, die in 1904 uitgebreid de Verenigde Staten bezocht. Uiteraard is zijn boek gedateerd, maar zijn observaties blijven interessant. Hij vroeg zich af waarom het socialisme in Amerika niet doorbrak, terwijl de ‘objectieve voorwaarden’ daarvoor wel degelijk aanwezig waren. Sombarts belangrijkste stelling was dat Amerikaanse arbeiders niet vijandig stonden tegenover kapitalisme an sich. Velen van hen waren immigranten uit een gepolariseerd en verpauperd Europa, ze konden hun leven in de VS vergelijken met wat ze hadden achtergelaten. En ze waren er niet ontevreden mee.
Daarnaast had de arbeider een min of meer positieve houding tegenover het Amerikaanse politieke systeem, oftewel, er werd niet geroepen om revoluties, veeleer om verkiezingen. Sinds president Jackson (1829-1837) was was het kiesrecht aanmerkelijk uitgebreid en de blanke arbeider had niet het gevoel buitengesloten te zijn. Binnen dat systeem was het echter uitzonderlijk moeilijk om een derde partij tot wasdom te laten komen. De twee partijen die sinds 1856 domineren, zijn en waren bijzonder goed in het absorberen van agenda’s van randgroepen en potentiële derde partijen, voldoende om de scherpe kantjes weg te nemen. Geen wonder dan ook dat de huidige democratic socialists liever opereren als een soort van actiegroep binnen de Democratische Partij, iets wat Bernie Sanders overigens al meer dan tien jaar doet.
Een andere overweging, niet zozeer van Sombart maar historisch gezien, is dat de partijen als het erop aankwam wel degelijk beleid op de randen opzochten. In Sombarts tijd was het Theodore Roosevelt die een eerste bijsturing van het rauwe Amerikaanse industriële systeem realiseerde. De New Deal van Democraat Franklin D. Roosevelt schiep tijdens de Grote Depressie een soort van verzorgingsstaat, verder uitgebreid in Lyndon Johnsons Great Society in de jaren zestig.
Fascinerend gegeven de huidige ontwikkeling waarin kiezers zich steeds meer voelen buitengesloten, was Sombarts stelling dat Amerikaanse arbeiders feitelijk werden gecoöpteerd in het systeem doordat ze van de vruchten ervan profiteerden. De werkende klasse kreeg quasi-middenklasse overtuigingen. Cru gezegd in marxistische termen: er was onvoldoende Verelendung en te veel vals klassenbewustzijn. Arbeiders konden altijd hopen op verbetering.
Opwaartse mobiliteit nam in Sombarts boek slechts één paragraaf in maar juist het argument dat de krantenjongen miljonair kon worden, heeft tot veel latere studies geleid. De socioloog Ralph Dahrendorf noemde het ‘het kardinale punt in Sombarts briljante essay’. Lipset werkte het uit door te betogen dat in het algemeen de Amerikaanse samenleving meer open was dan de Europese. Sombart was sceptischer: hij beperkte zich tot de vaststelling dat dit vooral leidde tot het afzwakken van arbeidersbewustzijn.
Ten slotte kwam Sombart met het frontier-argument. De arbeider die het niet beviel, kon gewoon verder trekken, ergens anders heengaan, ‘om te ontsnappen naar de vrijheid’. In de laatste alinea van zijn boek voorspelde Sombart dat al deze factoren ooit in hun tegendeel zouden verkeren en dat er dan wel degelijk socialisme zou kunnen ontstaan in de VS.
Post-Sombart kun je natuurlijk vaststellen dat Amerika zijn eigen sociaal democratische ontwikkeling heeft doorgemaakt. Niet ideologisch maar pragmatisch, in de vorm van de New Deal en niet geleid door socialisten maar door Democraten en zo nu en dan ook door Republikeinen met visie.
Het is vervreemdend om Sombart te herlezen nu er een president aan het bewind is die de jaren negentig van de negentiende eeuw als Amerika’s beste tijd ziet. Vervreemdend maar ook verhelderend. Want al die omstandigheden die Sombart aanvoerde waarom socialisme in Amerika niet van de grond kwam, zijn verminderd of niet meer relevant. Amerikanen zijn niet meer optimistisch, zijn altijd bang voor een ziekte of andere crisis, zien het sociaal vangnet ontrafeld door corrupte politici die nauw samenwerken met puissant rijke ondernemers. En de mobiliteit, zowel sociaal als geografisch, is minimaal.
Zou socialisme nu wel een kans krijgen, vraag je je af? Het blijft onwaarschijnlijk maar als je leest dat een meerderheid van de Amerikaanse jongeren wel oren heeft naar iets dat socialisme heet, moet je het niet uitsluiten. Of in elk geval niet een sociaal democratische variant die in Europese ogen weinig radicaals heeft. Zeker is dat die liefhebber van de jaren 1890, Donald Trump, het niet heeft begrepen als hij waarschuwt voor ‘communisme dat overal gefaald heeft’. Daarmee maakt hij die ontevreden kiezers niet meer bang. Het zou ironisch zijn als Trumps onverschilligheid en historische onbenulligheid een vorm van progressief beleid in het zadel kan helpen.