Het is tijd dat de sociaal democratie de PvdA achter zich laat

Het is me niet gelukt om onderstaand artikel geplaatst te krijgen in de Groene, waar ik eerder schreef over de PvdA en de verkiezingen. De interesse in de PvdA is nu verdwenen, merk ik – ook elders. Maar toch, de partij kiest in oktober een nieuwe voorzitter en ik zou hopen dat die wild tekeer gaat. Het is hoop tegen beter weten in want de kandidaten tot nu toe doen geen revoluties vermoeden, maar toch.

Talk about a revolution

Let erop en het springt je tegemoet. Verhalen van PvdA’ers beginnen en eindigen vaak met het noemen van de partij, daartussenin hebben ze het over ‘de sociaal democratie’ of ‘wij, sociaal democraten’. Ze voelen maar al te goed dat sociaaldemocratie warm is, PvdA koud, dat de sociaal democratie iets vertegenwoordigt dat de PvdA is kwijtgeraakt. Het is tijd dat de sociaal democratie de PvdA kwijtraakt.

Laten we er geen doekjes om winden: sociaal democratie is een sterk product, de PvdA is een zwak merk. PvdA’ers weten dat maar al te goed. Het wordt dan ook tijd om in het diepe te springen en de PvdA om te vormen tot de Sociaal Democratische Partij (SDP). Het is tijd om de sociaaldemocratische maatschappijvisie helder en kort te formuleren en op concrete punten uit te werken in programmatische voorstellen. Al doende kunnen we de loden last afwerpen van dertig jaar rapporten die nul verandering opleverden. We kunnen dan ook meteen de vermoeide oude beeldretoriek opruimen zoals het zingen van de Internationale, rode dit, rode dat, de rozen en andere restanten uit een verzuild verleden, zodat jongere Nederlanders niet hoofdschuddend naar deze oude meuk hoeven te staren. We moeten dan ook meteen de gelegenheid gebruiken om de manier waarop binnen de partij zaken gedaan wordt, de zure sfeer van moties van orde, van lange vergaderingen en een spel van insiders overboord te zetten.

De tegenwerping ligt voor de hand: een andere naam maakt het geen andere beestje. In goed Amerikaans: je kunt lippenstift op een varken smeren maar het blijft een varken. En de tegenwerping is juist. Als die andere naam niet meer is dan dat, never mind, dan moeten we het niet doen. Het is de moeite niet. Maar als we werkelijk een nieuw begin willen maken, dan is het goed om dat ook rigoureus te doen.

De PvdA gaat dit najaar een nieuwe voorzitter kiezen. Het zou mooi zijn als die voorzitter een poging zou ondernemen om de sociaal democratie opnieuw uit te vinden. Wat mij betreft zou hij of zij een zero based analysis moeten maken. Gewoon, de eenvoudige vraag stellen: hoe zou je de sociaal democratie in Nederland inrichten als je blanco begin, als je een organisatie helemaal vanaf de bodem zou mogen oprichten. Ook zonder glazen bol realiseer je je onmiddellijk dat een dergelijke organisatie in weinig op de PvdA zou lijken.

Behalve organisatie heeft de sociaal democratie acuut behoefte aan een verhaal. Dat is geen marketinginstrument of ondernemers nieuwpraat, maar gewoon een vereiste om mensen mee te kunnen nemen. Je hoeft geen fan te zijn van Bernie Sanders om zijn verhaal te zien: we worden genaaid door de mensen die macht hebben. De onderdelen pasten daar feilloos in, zowel de kwaaie pieren (bankiers, gevestigde politici, lobbyisten, grootkapitalisten met buitengewone invloed) als de beleidsvoorstellen (ziektekostenverzekering voor iedereen, gratis onderwijs, hogere belastingen voor de rijken). Ook Trump had een verhaal.

Zo’n verhaal schudt je niet zomaar uit je mouw, in elk geval heb ik niet die pretentie dat hier te kunnen doen. Ik hechtte altijd zeer aan Joop den Uyls riedel: spreiding van inkomen, kennis en macht. Maar ook hier moeten we zero base gaan: spreiding is niet meer het juiste woord, net zo min als solidariteit dat nog is. Wel het verhaal erachter, namelijk dat dat iedere burger, iedereen die in ons land wordt geboren, opgroeit of welkom wordt geheten de kansen krijgt om zijn of haar capaciteiten optimaal te ontplooien. Dat hoeft niet tot gelijke resultaten te leiden, integendeel, maar als mensen zoveel mogelijk van hun potentieel realiseren moeten ze kunnen rekenen op een veilig en welvarend leven. En wie er niet in slaagt om de kansen te grijpen of door andere redenen in de penarie komt, moet er op kunnen rekenen dat sociaal democraten niemand laten vallen.

De SDP moet een verhaal hebben dat niet eindeloos zeurt over inkomensongelijkheid, bankiers, de haatzaaier en andere favoriete huilpalen maar juist een beeld geeft van wat wel gewenst is. Een verhaal dat vragen meeneemt over de verhouding tussen verzorgingsstaat en openheid van de samenleving, dat zich afvraagt hoe het kan dat hoog opgeleide, hoge inkomens kiezers stemmen voor een verzorgingsstaat maar dat minder kansrijke burgers zich daar juist van afkeren. Een verhaal dat de hele breedte van de samenleving kan aanspreken.

Eenvoudig is dat niet. Een verhaal dat de overheid wil inzetten voor een gezamenlijk doel vraagt nou eenmaal meer overtuigingskracht dan een verhaal dat de burger individuele kracht aanpraat. Een verhaal dat de complexiteit van onze samenleving onderkent en burgers handvaten geeft om daarmee om te gaan is altijd complexer, gelaagder en moeilijker dan bangmakerij voor Wilders of afkeer van Rutte.

Wat mij betreft meot het een ideologisch verhaal zijn, het moet een visie op de samenleving weergeven. Een visie die anders is dan die van andere partijen. Ideologie is een vies woord geworden en de PvdA heeft indertijd onder Wim Kok de ideologische veren afgeschud. Mijn probleem is dat we sindsdien in onze blote kont staan. Zoals Bill Clinton ooit zei: als je werkt met een ideologie hoef je niet iedere keer opnieuw na te denken over het waarom van je besluiten, ze vloeien er vanzelf uit voort. In de praktijk hebben we al te vaak gezien dat pragmatisme, ideologieloosheid leidt tot opportunisme of onvoorspelbaarheid of, erger, onbetrouwbaarheid.

De opdracht van de sociaal democratie is in potentie alle burgers te binden die deze visie delen. De uitdaging is de Nederlanders te bereiken aan de randen van de samenleving – soms letterlijk – met een verhaal dat hen een rol geeft. Een eerlijk verhaal, geen valse beloftes. Een verhaal dat onderkent dat sommige regio’s in Nederland weinig economische toekomst hebben en zich afvraagt hoe daar als samenleving mee omgaan. Daarom is de bestaanszekerheid waarop Paul Depla in zijn rapport terugviel, als thema zo eng, zo smal. Een burger zoekt naar meer. Sociaal democratie zou mensen een rol moeten geven, laten deelnemen. Niet alleen je bestaan moet verzekerd zijn maar ook je gevoel van eigenwaarde, het gevoel dat je meedoet.

Zijn we in staat om zowel PVV stemmers in de randgebieden van Nederland aan te spreken als weldenkende intellectuelen, zonder patroniserend te worden? Kunnen we formuleren wat we gemeen hebben? Kunnen we een programma bieden, een denkwijze, een samenlevingsvoorstel dat bewijst dat we een gemeenschappelijk belang hebben? Kan iedereen zich thuisvoelen bij de sociaal democratie als hij of zij de principes deelt?

Voorwaar een uitdaging voor de nieuwe voorzitter. Ik ben me ervan bewust dat de voorzitter niet de partijleider is. Dat is nu Lodewijk Asscher. Maar de opdonder die de PvdA en Asscher hebben gekregen, dwingt tot serieuze soulsearching. Ik ga er niet van voorbaat bij uit dat de Tweede Kamerfractie en het programma waarop die is gekozen de toekomst van de PvdA zijn – er waren simpelweg te weinig kiezers die dat vonden. Het is lastig om met de verliezers van de verkiezingen de toekomst uit te zetten.

De suggestie om van de sociaal democratische partij, nu nog PvdA genaamd, een beweging te maken, lijkt me een vlucht vooruit. Of achteruit, nu ik erover nadenk. Partijen mogen hun uiterste verkoopdatum bereikt hebben, hopen dat vanzelf opspringende activiteiten die mensen op ad-hoc basis engageren hun rol gaan overnemen lijken me luchtfietserij. Er moet toch ergens een vorm van organisatie zijn? Iemand moet al die activiteiten toch aan elkaar knopen om er iets mee te doen?

Bovendien hebben we in Nederland vooralsnog een systeem dat op partijen is gebaseerd. Het is tijd om daar wat aan te veranderen en de band met de kiezer te herstellen via een getemperd districtenstelsel dat de band tussen volksvertegenwoordiger en kiezer inniger maakt, maar dat is een onderwerp voor een ander verhaal. Partijen zijn de organisaties die kieslijsten opstellen, campagne voeren en wat er aan bewegingen en actiegroepen is kanaliseert in een programma en mensen die geacht worden dat te kunnen verdedigen.

De nieuwe voorzitter mag nadenken over een ideale organisatie. Ik kan niet claimen het model daarvoor in mijn hoofd te hebben, maar op basis van mijn ervaringen begin jaren negentig vergeleken met die van afgelopen jaar, kan ik wel zeggen dat het voor leden al een stuk verbeterd is. En het is wel degelijk van enorm belang dat alle leden kunnen meestemmen en meedoen en niet alleen apparatsjiks.

Het is misschien onbevredigend om een oproep tot revolutionaire verandering te eindigen zonder precies uit te spellen waar hoe die verandering tot stand moet komen. Dat weet ik niet. Ik wil ook geen voorzitter worden. Maar ik weet wel waar aan gewerkt moet worden. Dat het het nodig is dat de PvdA zichzelf een reden van bestaan geeft waarmee ze zich fundamenteel en niet alleen aan de marge onderscheidt van de andere partijen. Kunnen we dat niet, laten we dan de tent sluiten.

Bij overleg over de crisis van 2008 gaf toenmalig president-elect Barack Obama zijn staf opdracht met creatieve en verreikende plannen te komen. ‘Je moet een goede crisis niet verloren laten gaan,’ zei Obama. Het valt te hopen dat de PvdA deze crisis aan zal grijpen om zichzelf te hervormen, niet voor dit jaar, niet voor de volgende verkiezingen, maar voor de volgende decennia. Het is de enige manier waarop sociaal democratie relevant kan blijven.

Daar gaat de rule of law

Het slechte nieuws van vandaag is dat, zoals verwacht, Trump de wetsovertredende sheriff Arpaio gratie heeft verleend. Arpaio was veroordeeld wegens contempt of court. Trump kan aanschuiven met contempt for the rule of law. Ik weet al wat de rechtse sites zullen gaan roepen: maar Obama heeft Chelsea Manning gratie verleend. Slaat nergens op maar zal beklijven bij de Trump fans.

Het goede nieuws is dat de uiterst rechtse Hongaars-Amerikaanse Sebastian Gorka eruit gelazerd is. Deze mini-Orban met een foute vader was een wandelend probleem voor John Kelly, de chefstaf van het Witte Huis, omdat hij iedere keer dat hij op televisie verschijnt een beschamende vertoning afleverde. Gorka, een islamofoob, was een vriendje van Bannon. Zijn vertrek is dan ook niet onverwacht maar evenzogoed welkom. Nu Stephen Miller nog, en van mij mag Kellyann Conway ook worden afgedankt voor de onzin die ze heeft verkondigd, en de staf is in elk geval op normaal conservatieve orde. 

Trump heeft van Katrina en kleine Bush in elk geval geleerd dat je natuurrampen niet moet onderschatten en dus heeft hij in Texas de noodtoestand afgekondigd. Niet zo moeilijk om je daar presidentieel te gedragen. Lock her up werkt niet voor orkanen, zoveel weet Trump (al denken zijn evangelische aanhangers dat je met bidden een orkaan van richting kunt laten veranderen …).

Gary Cohn, de economische tsaar in het Witte Huis, dacht erover om af te treden na Trumps onzinverhalen over Charlottesville. Hij kon moeilijk verteren dat Trump het antisemitisch geschreeuw goedpraatte – en onderscheidde zich daarmee van minister van Financiën Mnuchin die dat goedpraten goedpraatte (en zijn vrouw zich voor joker liet zetten – een dom mens als er ooit een was). Cohn is gebleven omdat hij de Amerikaanse bevolking dient, zegt hij. Ik vind dat een bedenkelijke redenering. Cohn dient een foute president, niet het volk. Hij is nergens voor gekozen. Dat zijn zakenvrienden willen dat hij blijft om hun belangen te behartigen is wat anders dan het volk dienen. Hij had er beter aan gedaan op te stappen. Straks wordt hij tot baas van de FED benoemd en dan zal iedereen zeggen dat hij dat heeft gekregen omdat hij stil bleef toen Trump zijn antisemitisme wild liet gaan.

Trump is een gevaar voor de democratie in Amerika

Donald Trump mag rijp zijn voor een psychiatrische inrichting, of het 25ste Amendement, de schade die hij aanricht is enorm. Bij zijn go wild verhaal in Phoenix ging hij weer op onaanvaardbare manier tekeer tegen de media. Als een flink deel, we praten al gauw over dertig procent, van de Amerikanen ook vindt dat media onbetrouwbaar zijn – onbetrouwbaar dan de pathologische leugenaar op het podium – dan is dat bedreigend voor de democratie.

Een recent onderzoek van de Economist liet zien dat bijna de helft van de Republikeinen en, opmerkelijk en verontrustend genoeg, ook een flink deel van de Democraten bereid is om de rechter in te schakelen om bronnen van wat ze fake news noemen de mond te snoeren. En dan hebben deze mensen het niet over Fox maar over de reguliere journalistiek die er professionele normen op na houdt. In Phoenix zette Trump, zoals hij ook in zijn campagne deed, de journalisten in een hok en wees op hen als verraders, vijanden van Amerika en noemde een paar journalisten bij naam. Het is een kwestie van tijd voordat een van die mensen die in Charlottesville rondliep een aanval opent. De president van Amerika is een gevaarlijk man.

Hij citeerde ook selectief uit eigen werk om de menigte op te juinen. Hij beloofde een wetsovertredende en veroordeelde ex sheriff gratie te verlenen, de overheid stil te leggen als ze niet doen wat hij wil en zo nog het een en ander. Hij ging weer tekeer tegen zijn favoriete stropop, Hillary Clinton en liet de menigte weer fijn ‘lock her up’ roepen. 

Ondertussen is de psycho bezig om de schuld van zijn totale falen als leider te verschuiven naar iedereen behalve hemzelf. Het zijn de Democraten, de media, zijn eigen partij, iedereen is erop uit om hem dwars te zitten. Trump zelf treft geen blaam. Het is het vaste narcistische patroon van deze historische ramp die de wereld overkomt. 

De democratie in de Verenigde Staten is kwetsbaarder dan we allemaal denken. Een roeptoeter leider kan de publieke opinie sterk beïnvloeden. Vraag het Republikeinse kiezers dezer dagen en ze vinden Wladimir Poetin een bewonderenswaardig type. Never mind diens betrokkenheid bij misdaden tegen de Amerikaanse democratie. De manier waarop burgers zich laten beïnvloeden, de manier waarop Trump de sentimenten opjaagt, moet iedereen koude rillingen bezorgen.

Hoe Amerika’s langste oorlog nog langer werd

Voordat hij weer in de fout ging over Charlottesville bij zijn bezoek aan Arizona, hield Trump een teleprompter gestuurde toespraak over Afghanistan. Na zestien jaar is dat land een zwart gat aan dollars en mensenlevens zonder enig vooruitzicht op een einde aan Amerika’s langste oorlog. De oorlog is een prominent voorbeeld van Amerika’s arrogantie: Engeland en Rusland waren hopeloos vastgelopen in Afghanistan, het kwam niet op bij kleine Bush en de Cheney bende dat hen dat ook kon overkomen.

Nu, zestien jaar en de niet nagekomen belofte van Obama om de oorlog te beëindigen, zijn we geen steek opgeschoten. De kans op een overwinning (wat dat ook mag betekenen) is volgens iedereen die er een gefundeerde mening over kan hebben gering en volgens alle andere mensen nul. Dat geldt ook voor de Bannon-nationalisten-racisten die op dit terrein voor de verandering de situatie juist analyseren – niet dat hun oplossing, de oorlog privatiseren, ergens toe leidt, maar dat terzijde.

Trump heeft nu zijn strategie op tafel gelegd, maar als dit gebabbel die naam krijgt heeft het woord strategie weinig betekenis meer. De regering Trump gaat 4000 soldaten meer sturen. Een zucht van opluchting in Kaboel waar ze de miljarden Amerikaanse steun verkwist hebben. Trump waarschuwde Pakistan dat Amerika niet meer welwillend zal toezien hoe dat levensgevaarlijke land (als u denkt dat Noord-Korea met een kernwapen gevaarlijk is …) Amerikaanse beleid in de wielen rijdt. Wel, good luck. De regering Obama besloot terecht dat ze geen informatie meer zou delen met de Pakistanen.

U mag er gerust geld op zetten dat deze oorlog over vier jaar nog steeds voortsuddert. De redenering die Trump opzetten (nou ja, die mensen die wel kunnen nadenken voor hem hadden opgeschreven) was dat als je een vacuüm liet ontstaan de terroristen en/of ISIS vrij spel zouden hebben. Jammer dat ze niet het alternatief overwogen om Afghanistan los te gooien en terrorisme te bestrijden als het zich voordeed. Ik zie niet hoe in een land dat nu voor de helft door de Taliban wordt beheerst het veel moeilijker zou zijn terrorisme te bestrijden als het helemaal Taliban was.

Enfin, wat Trump zei had verder weinig te betekenen. Het werd algemeen geïnterpreteerd als een ‘overwinning’ voor de generaals, zoals Obama’s surge met meer dan 30.000 soldaten in 2010 ook als zodanig gold en niets heeft opgeleverd (dat Obama er een limiet aan verbond hielp niet maar ook zonder dat had het niets opgeleverd). Joe Biden, toen vicepresident, was tegen en hij had gelijk.

Lyndon Johnson en Richard Nixon waren beide geobsedeerd door de angst te boek te komen staan als presidenten die een oorlog verloren. Het was misschien wel de sterkste drijfkracht om de oorlog in Vietnam tien jaar te laten dooretteren, met 59.000 Amerikaanse en honderdduizenden Vietnamese, Cambodjaanse en Laotiaanse doden. Dat soort angst is een slechte raadgever en beide presidenten gingen de boeken in als irrationale oorlogsvoerders.

Deze ‘strategie’ van Trump is enkel bedoeld om niet te hoeven toegeven dat Amerika deze oorlog al verloren heeft. In de jaren zestig was er een verstandig analist die zei dat Amerika er het beste aan deed de oorlog in Vietnam gewonnen te verklaren en te vertrekken. Het zou de Zuidvietnamezen gedwongen hebben hun corruptie weg te werken en zelf het vuile werk op te knappen. Het is meer dan pijnlijk om in Afghanistan hetzelfde proces zich te zien afspelen. Met zonder enige twijfel hetzelfde resultaat.

Analisten merkten terecht op dat als Hillary Clinton president was geweest, er ook zo’n halfwassen beleid uitgerold zou zijn. Dat is waar. Afghanistan leidt enkel tot rampzalige beslissingen. Trump gaat dat niet veranderen, zijn opvolger mag ermee worstelen. Ondertussen mag u vast nadenken of wij weer meegaan met dit onzinbeleid, of we ons in Kunduz III storten. Alle partijen die Kunduz I en het begrotingsdebacle Kunduz II voor hun rekening namen zitten nu aan de onderhandelingstafel. Reken maar op nieuwe daadkrachtigheid.

Ondertussen stond de psycho in Arizona weer in volle glorie zonder teleprompter te oreren. Hij denkt nog steeds dat hij campagne voert, hij blijft doorgaan met het verdraaien van de werkelijkheid en de media daarvan beschuldigen. Hij is nog steeds en steeds meer een man die niet geschikt is voor zijn werk. Tot nu toe zijn grote rampen voorkomen, dat gaat niet zo blijven.

Ter zake

Uitstekende reportages deze week op Canvas, Ter Zake. Documentaires geleid door Kamau Bell, een stand up comedian en scherpe observeerder. Ik weet niet hoe het zit met uitzending gemist op Canvas maar kijk ze terug als u de kans heeft.

Op Vice (ergens in het Ziggo netwerk) is de reportage van Charlottesville te zien die veel opschudding veroorzaakte.

De principiële stellingname van de ACLU

De ACLU: waakhond van de democratie

Een wat langer verhaal, wat heet, over de organisatie die in de VS de burgerrechten verdedigt – de rechten van iedereen.

De plek waar vorige week in Charlotteville racisten en neonazi’s demonstreerden was het parkje rondom een beeld van generaal Lee, held van het Zuiden van de Burgeroorlog. De gemeente had aanvankelijk het park off limits verklaard toen het leek alsof er een mogelijke confrontatie met veel mensen aan zat te komen. De ‘rechtse eenheidsdemonstratie’ moest naar de rand van de stad, vond ze. De organisatoren protesteerden, geholpen door de American Civil Liberties Union, de organisatie die opkomt voor de burgerrechten. Het was een ongemakkelijke combinatie, neonazi’s en het verdedigen van het recht op vrije meningsuiting, maar dit is precies wat de ACLU ziet als de kern van haar werk.

Het was niet voor het eerst dat de ACLU controversieel werk deed. Toen Ulysses van James Joyce werd verboden, verzette de ACLU zich. Ze verdedigde porno uitgever Larry Flint. De organisatie hielp Mohammed Ali als dienstweigeraar en Oliver North als freelance brokkenmaker in het Reagan-Witte Huis. En uiteraard stond de ACLU in 1942 op de bres de regering-Roosevalt na Pearl Harbor meer dan 100.000 Japans-Amerikanen interneerde in woestijnkampen.

De ACLU heeft zelfs een voorgeschiedenis met neonazi’s. Een beroemd geval was Skokie, Illinois. In deze voorstand van Chicago met voornamelijk joodse inwoners wilden de neonazi’s in 1978 een optocht houden. De gemeente wilde het verbieden, de ACLU verdedigde hun recht om te demonstreren. In de visie van de organisatie die burgerrechten verdedigt kun je niet selectief zijn in het beschermen van het recht op vrije meningsuiting. Dat geldt voor iedereen. De ACLU zegt dat ze ieders rechten verdedigt, dat alle Amerikanen cliënt zijn.

Charlottesville heeft de ACLU nieuwe kritiek opgeleverd maar tegelijkertijd moet je vaststellen dat de organisatie sinds de verkiezingen van Donald Trump meer geld heeft opgehaald dan jarenlang het geval was. Honderdduizenden Amerikanen gaven een bijdrage aan het werk van de ACLU, vrezend dat onder Trump de burgerrechten bedreigd zouden worden (openheid voor alles: via mijn vrouw heb ik ook een donatie geleverd). De organisatie kon meteen actief worden toen president Trump zijn moslim-ban afkondigde en draait sinds de inauguratie overuren.

De ACLU is niet eenkennig. Tijdens de regering-Obama verzette de organisatie zich tegen diens gebruik van drones om terroristen te doden en zijn hang naar alomvattend toezicht via het National Security Agency. Indertijd leverde Skokie de ACLU geen nieuwe leden op en ook de beslissing om in Charlottesville het recht om in het park te demonstreren te verdedigen zal niet lekker vallen bij de nieuwe donateurs. Maar het verschaft de organisatie wel de geloofwaardigheid om de regering te kunnen aanspreken – elke regering. Feit is dat de rechter de ACLU vaak gelijk geeft.

De ACLU is een typisch Amerikaanse organisatie. In weinig landen bestaat een op deze manier georganiseerde, invloedrijke lobby- en actiegroep. Typisch, al was het alleen omdat het een voorbeeld is van de manier waarop Amerikaanse burgers zich organiseren om een belang te behartigen. Alexander de Tocqueville had er in 1835 in Democratie in Amerika al op gewezen: voor een democratie was de tirannie van de meerderheid het grootste gevaar; alleen georganiseerde burgers konden zich daartegen beschermen. Amerikanen zijn superorganiseerders.

Tijdens de negentiende eeuw waren de burgerrechten allesbehalve veilig maar pas tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het gevaar van onderdrukking ervan als voldoende urgent ervaren om zich te organiseren. De directe aanleiding was toen de combinatie van overheidsrepressie in het kader van de oorlog, versterkt door angst voor de opkomende arbeidersbeweging, opgejaagd door de Russische revolutie. Dit leidde tot wat bekend staat als de ‘Red Scare’. Links en rechts werden dienstweigeraars de gevangenis in gegooid, kritiek op de overheid werd een misdaad en werden burgers van Duitse of Oosteuropese afkomst onheus bejegend. Een dominee in Vermont die een pamflet opstelde waarin stond dat het ‘onchristelijk’ was om in een oorlog te vechten, kreeg vijftien jaar. De socialistische voorman Eugene Debs, die verzet tegen de dienstplicht propageerde, werd in het gevang gezet.

Na 1918 was het nog niet afgelopen. Woodrow Wilsons minister van Justitie, A. Mitchell Palmer, probeerde zijn presidentiële ambities kracht bij te zetten door ver over de schreef te gaan. Hij meende dat communisme ‘zich een weg at, de huizen in van de Amerikaanse arbeider’. Palmer profiteerde van anarchistische bomaanslagen, zoals die in 1920 op Wall Street, om socialisten en vakbonden aan te pakken. Vooral niet-Amerikanen met een verblijfsvergunning waren het slachtoffer: honderden werden er uitgewezen. Het ministerie van Defensie sloot meer dan 4.000 verdachte radicalen op, sommige omdat ‘ze buitenlands uitzagen’. Onder de vlag van oorlogsomstandigheden en buitenlandse dreiging leek alles geoorloofd.

In 1920 verleidde dit alles John Baldwin, een 35-jarige jurist die er net een gevangenisstraf op had zitten wegens dienstweigering, tot de oprichting van de American Civil Liberties Union. Baldwin was van goede komaf, maar onderhield nauwe banden met de vakbeweging, vooral met de zeer linkse International Workers of the World. Hij vertelde zelf altijd dat hij dankzij een toespraak van de befaamde socialiste Emma Goldman ‘revolutionist’ was geworden, iets wat zijn vrienden met een flinke korrel zout namen.

Aanvankelijk verdedigde de ACLU vooral linkse activisten, voornamelijk communisten, die waren uiteindelijk het vaakst het slachtoffer. Maar al snel leidde een strenge en consequente bescherming van grondrechten tot een interessante cliëntèle. Zo verdedigde de ACLU het recht van een krant (eigendom van Henry Ford) om anti-semitische uitspraken te publiceren. Ook het recht van de Ku Klux Klan om racistische lectuur rond te sturen werd beschermd. Vrije meningsuiting kon alleen maar verdedigd worden, zo realiseerde Baldwin zich, als je rigoureus iedereens recht daarop verdedigde, ook het recht om te schofferen.

Zo raakte de ACLU in 1925 verzeild in het Monkey Trial, het proces tegen de onderwijzer John Scopes, die in strijd met de wet van het fundamentalistische Zuiden erop stond om Darwins evolutieleer te onderwijzen. Scopes reageerde op een oproep van de ACLU met het aanbod om eenieder te verdedigen die bereid was deze wet te schenden. Scopes stond tegenover een beroemde aanklager, de drievoudig Democratische presidentskandidaat William Jennings Bryan, in die latere jaren bekend werd als bezielend spreker voor fundamentalistische zaken. De ACLU engageerde Clarence Darrow, de beste strafpleiter van het land. Darrow zette Bryan voor joker, althans in de ogen van de niet-fundamentalisten, maar verloor het proces (in hoger beroep bleef Scopes vrij op basis van een technisch punt). Voor de ACLU was het gouden public relations: opeens zagen veel Amerikanen de vereniging als de verdediger van het gezonde verstand.

In de loop van de jaren zou de ACLU zich een reputatie verwerven als beschermer van burgerrechten maar critici die meenden dat het de vereniging, en vooral Baldwin, voornamelijk ging om vakbondsrechten en veel minder om grondrechten, hadden niet ongelijk. Logisch ook: in de jaren twintig rolde een golf van anti-vakbondsgeweld over het land – een reactie op toegenomen stakingsactiviteiten. Het recht op vrije vergadering en op picketing (posten voor de poort) werd met grote regelmaat geschonden.

Een groter probleem was dat de ACLU vooral Baldwins club was, en enig wantrouwen tegen zijn persoon was niet geheel ongerechtvaardigd. Zijn sympathieën voor collectivisme en een opgelegde ideale samenleving naar communistische snit klonken weinig liberaal en pro-grondrechten. Baldwin zelf vielen de schellen pas van de ogen bij het Duits-Russische niet-aanvalsverdrag van 1939. Ineens kapte hij rigoureus de banden met oude ideeën en oude vrienden. Hij sloeg helemaal door en duwde er in 1940 een resolutie door die verhinderde dat communisten in het bestuur van de ACLU konden komen. Zelf bleek Baldwin blind voor de hieruit sprekende paradox: hoe kon je nu grondrechten verdedigen met een club die bepaalde burgers niet toeliet?

Je zou verwachten dat de ACLU dit soort beleid – en de erop volgende bestuurlijke gevechten – niet lang zou overleven. Maar in 1942 nam de ACLU een moedige stap door de internering van meer dan 100.000 Japanse Amerikanen na Pearl Harbor juridisch aan te vallen. Er waren maar weinig Japans-Amerikanen die bereid waren om zich te verzetten, bang als ze waren onpatriottisch te lijken, maar de paar die protest aantekenden werden door de ACLU geholpen, tot aan het Supreme Court toe. Het was een waardig maar vergeefs gevecht, want het hoogste gerechtshof bevestigde de rechtmatigheid van Amerika’s meest schandelijke beleidsmaatregel in de twintigste eeuw.

Na de oorlog kreeg de ACLU het moeilijk. Tijdens de Koude Oorlog en onder de groeiende druk van het McCarthyisme was de bereidheid om op te komen voor onpopulaire verdedigers van grondrechten gering. Inmiddels was Baldwin zelf zo anti-communistisch geworden – deels om zelf aan verdachtmakingen over vroegere contacten te ontkomen – dat hij weigerde illegale afluisterpraktijken en ander duister werk van de FBI aan te klagen. In 1950 werd hij door zijn eigen vereniging op non-actief gezet.

In de loop van de jaren hervond de ACLU zich en maakte zich los van Baldwins persoonlijke voorkeuren en zijn beperking van de organisatie tot een oostkust-elite. De ACLU werd ambitieuzer en raakte ook betrokken bij de strijd om de burgerrechten van zwarte Amerikanen. De drijvende kracht achter de nieuwe richting was Chuck Morgan, een boom van een kerel die directeur werd van het nieuwe Southern Regional Office.

Tot dan toe had de ACLU het voortouw overgelaten aan de NAACP, de National Association for the Advancement of Colored People. Vaak zorgde de ACLU voor ‘friends of the court’ briefs, memo’s die in het Amerikaanse systeem door de rechter worden meegewogen. Morgan sleepte de organisatie, die volgens hem ‘zijn handen niet vuil wilde maken’, de grondrechtenstrijd in met zaken als het desegregeren van jury’s, hervorming van het kiessysteem in Georgia, uitbanning van segregatie in gevangenissen.

Ook Vietnam verscheen op de agenda. Morgan hielp Julian Bond, die vanaf 1965 tot drie maal toe werd gekozen voor het Huis van Georgia maar zijn zetel niet kreeg omdat hij had verklaard het eens te zijn met dienstweigeraars. Bond won uiteindelijk bij het Supreme Court en diende als een van de eerste zwarte politici in het Huis en de Senaat van Georgia.

Later verdedigde de ACLU Mohammed Ali bij diens zaak als gewetensbezwaarde. Maar de meeste faam verwierf Morgan met het verdedigen van Howard Levy. Levy was een arts die in 1966 werd opgeroepen in het leger. Kort daarna werd hij voor de krijgsraad gedaagd wegens zijn weigering om medics op te leiden voor de Green Berets – die hij als ‘killers’ beschouwde. De ACLU construeerde de zaak als een geval van vrijheid van meningsuiting en de vraag of die ook binnen het leger gold, maar daarmee kwamen ze in eerste instantie niet ver bij de krijgsraad, zeker niet in oorlogstijd.

De volgende stap was de vraag of je iemand kon dwingen mee te werken aan de opleiding van mensen die ‘oorlogsmisdaden’ pleegden. Zo ja, dan moest je aantonen dat ze dit deden. Zo werd de zaak een pandemonium over de vraag of in Vietnam oorlogsmisdaden werden begaan. Morgan kreeg veel publiciteit, Levy kreeg drie jaar en de ACLU raakte toch wel erg betrokken bij de politiek van de dag. Ook veel leden vonden dat het veeleer een aanval op de oorlog was dan een verdediging van grondrechten.

Politisering was haast onvermijdelijk in de jaren zestig en zeventig. Zo was de ACLU een van de eerste organisaties die opriep tot een impeachment van Richard Nixon, wegens meineed in de aan Watergate gerelateerde processen. Het aantal leden van de ACLU schoot omhoog, maar de partijdige sfeer is sindsdien eigenlijk nooit meer verdwenen. Maar een belangrijke doorbraak als de veroordeling van Henry Kissinger wegens het afluisteren van zijn medewerkers was mede te danken aan het onvermoeibare doorploeteren van de ACLU. Morton Halperin, de medewerker die in 1984 zijn gelijk haalde, stelde dat alle regeringen de neiging hebben om geheimhouding te overschatten, of ze nu Republikeins of Democratisch zijn. Voortdurende waakzaamheid is geboden.

Politieke conflicten zijn inherent aan de fluïde aard van de interpretatie van grondrechten. In de traditionele opvatting gaat het om grondwettelijke regels die de natuurlijke en onvervreemdbare rechten van iedere burger weergeven. Economische, raciale en sociale vraagstukken hebben daar in principe niets mee te maken. Een meer activistische interpretatie meent echter deze rechten ook als instrument gebruikt moeten worden om veranderingen te bewerkstelligen. In de jaren dertig ging dat om de vraag of ook organisaties zoals vakbonden deze rechten bezaten.

In de jaren zeventig vonden sommige leden van de ACLU ook armoede een schending van de grondrechten. De strijd hierover lijkt in zoverre beslecht dat er zoveel andere organisaties zijn die met armoedebestrijding bezig houden, dat de ACLU dat gerust kan laten liggen. In de jaren tachtig was het een omstreden onderwerp of de ACLU zich moest verzetten tegen buitenlands beleid dat de grondrechten elders ondermijnt, zoals in El Salvador en Nicaragua. Het maakte de ACLU een geliefd doelwit van de Republikeinse politiek. Card-carrying members van de ACLU konden in dit verhaal niet patriottisch zijn.

Sinds de jaren zestig is de nadruk van het werk van de ACLU veranderd. In eerste instantie ging het vooral om het daadwerkelijk voeren van processen. Zoals in de strijd om de grondrechten weer eens bleek, leent het Amerikaanse systeem zich bij uitstek voor gevechten in de rechtszaal. Geleidelijk aan is het lobbyen belangrijker geworden. Vanuit de redenering dat voorkomen beter is dan genezen, probeert de organisatie de wetgevers al te beïnvloeden als de wetgeving eraan zit te komen. Een derde activiteit zijn de educatieve inspanningen, door bewerken van de media, schrijven van artikelen en rapporten. De ACLU verzette zich vanaf het begin tegen Trumps moslimban.

De ACLU besteedt nu miljoenen dollars aan een campagne om de grass-roots op te porren, een ‘people power’ campagne. In een aantal opzichten is die beter georganiseerd dan de huidige Democratische Partij. De doelstelling is het vechten tegen Trumps beleid, niet tegen de man of wat hij zegt. Nieuwe leden zijn jonger en actiever, een kenmerk van de Trump-tijd. Sinds de verkiezingen van 2016 is het aantal leden (donateurs) verdrievoudigd tot meer dan 1,2 miljoen. De ACLU haalde meer dan 80 miljoen dollar binnen en is van plan om 100 mensen toe te voegen aan zijn staf van 300. Gegeven de plannen van Trump en zijn minister van Justitie Jeff Session is genoeg werk aan de winkel.

De gouverneur van Virginia, de Democraat Terry McAuliffe, klaagde na het geweld in Charlottesville dat de ACLU mede verantwoordelijk was door zijn pogingen om de racisten en neonazi’s naar een veld aan de rand van de stad te verbannen. De rechter steunde echter de ACLU die de organisatoren hielp klagen, mede omdat de overheid in Charlottesville de vergunningen van de tegendemonstraties niet had ingetrokken.

Voor veel nieuwkomers bij de ACLU was het een pijnlijk moment, behalve als ze er echt over nadachten. Als je staat voor vrijheid van meningsuiting dan geldt dat recht ook voor degenen die er de meest verwerpelijke meningen op nahouden. Niet alleen de haatzaaiers die naar Charlottesville kwamen om een onfris gedachtegoed te verdedigen maar ook de president van de Verenigde Staten die er gevaarlijke meningen op nahoudt.

 

De echte verduistering

Amerika is even gek – zoals Amerika dat altijd kan zijn – van de total eclipse. De symboliek lijkt menigeen te ontgaan. Nadat vorige week Amerika als voorbeeldland verduisterd bleek, volgt nu de natuur…

Het mooie van de die natuur is dat het morgen weer gewoon is. De psycho blijft.

De Trumpvertegenwoordigers in Nederland

Vergeet vooral niet dat Geert Wilders en Thierry Baudet actief en luidruchtig (nou ja, in hun eigen tweets) aanwezig waren op het haatfestijn dat de Republikeinse conventie in de zomer van 2016 was geworden. Ze waren dol op Trump en de Breitbart crowd.

Er wordt wel gesuggereerd dat zij het racisme en de platte vreemdelingenhaat van de psycho niet delen. Dat lijkt me te gemakkelijk. Voor de herinnering herplaats ik de foto die Baudet zelf uitzond van zijn innige omarming van de alt right provocateur Yiannopoulos. En onze eigen haatzaaier op de conventie.

Vertrek Bannon is niet meer genoeg

Zoals voorspeld in januari haalt Bannon het einde van de zomer niet. Dat komt niet omdat Trump bij zinnen is gekomen en nu een gewone, middle of the road president is geworden, maar omdat niemand voor de psycho wil werken als deze psycho op de achtergrond zit te stoken.

Maar het hoofd Bannon is niet voldoende. Ook Stephen Miller en de Hongaars Amerikaanse alt right Sebastian Gorka moet verdwijnen. Onuitgesproken blijft dat de grootste plaag van allemaal, deze Mad King Donald zou moeten verdwijnen. Stof het 25ste Amendement maar af. Nog nooit voor dit doel gebruikt, maar een probaat middel.