Antisemitisme in de VS heeft een lange geschiedenis

Onderstaand stuk bood ik in maart aan bij de Groene. Er waren toen allerlei andere actuele dingen waardoor het bleeft liggen. Helaas is het maar al te actueel: antisemitisme is salonfähig in Witte Huis kringen.

 

Op een joodse begraafplaats in University City, Missouri, werden (begin maart 2017) meer dan honderdvijftig grafstenen omgeduwd. In Phildelphia een week later een kleine honderd. Op Vanderbilt University in Nashville, Tennessee, begon een printer, waarschijnlijk gehackt, antisemitische flyers uit te draaien. In Michigan dook een Valentijnskaart met een Adolf Hitler thema op in een goodies zak van College Republicans (die van niets wisten). Op de University of Southern California in Los Angeles stond iemand producten met swastika’s te verkopen tot hem gevraagd werd te vertrekken. De toegenomen haatpraat op universiteiten is zowel in antisemitische als in anti-moslim hoek te vinden. Volgens organisaties die dat bijhouden is het aantal dreigingen tegen joodse instellingen sinds het begin van het jaar sterk toegenomen.

In zijn enige optreden waarin Trump presidentieel oogde, de toespraak tot het Congres, veroordeelde hij de aanvallen. Vice-president Mike Pence nam de moeite om zelf naar University City te gaan. Maar een week tevoren, tijdens de persconferentie met Nethanyahu weigerde Trump antisemitische sentimenten onder sommigen van zijn supporters te veroordelen en de dag daarop, tijdens de beruchte Mad-King-George-persconferentie, ging de president helemaal los over zijn pro-Israël kwaliteiten toen hij een vraag kreeg over de incidenten van een joodse journalist voor een conservatief religieus blad. De brave man had Trump nergens van beschuldigd, integendeel, maar Trump hoorde wat hij elders ook hoorde: dat door hem de antisemitische uitingen in Amerika sterk zijn toegenomen.

Wat onderbelicht blijft is de mate waarin Amerika een land is waar antisemitisme altijd al enorm sterk aanwezig was. Altijd geweest, nog steeds is. De Verenigde Staten lijken altijd een paradijs voor joodse Amerikanen maar die weten wel beter. Er is altijd de onderstroom. Reden genoeg voor bezorgdheid. Nethanyahu riep een jaar of zo geleden de Franse joden op om naar Israël te vertrekken vanwege de anti-semitische uitingen in Frankrijk. In Amerika ging Nethanyahu niet zo ver maar de leider van de Labor Party in Israël, Isaac Herzog, zei onlangs dat Israël zich moet voorbereiden op een grote instroom van Amerikaanse immigranten. Dat is net zo overdreven als Nethanyahu’s oproep maar Amerikaanse joden kennen hun geschiedenis, en niet alleen die van de Tweede Wereldoorlog.

In de negentiende eeuw liep de Amerikaanse elite te hoop tegen de bankiers die vanaf 1850 invloedrijk werden: mannen als de Lehmans, de Goldmans en de Seligmans. Duitse immigranten die ooit begonnen in Pennsylvania als marskramers, handelaren en winkeliers, en later in New York succes boekten als bankiers. Ondanks hun succes, en deels dóór hun succes, werden ze sociaal op afstand gehouden, hoewel ze in de Burgeroorlog hielpen de financiering van het Noorden te regelen. Zoals altijd viel het verhaal van de samenzwerende joodse bankiers in vruchtbare aarde, de geldzuigende Shylock was een populair beeld.

In 1877 ontstond opschudding toen het grootste hotel in Saratoga Springs de bankier Joseph Seligman onderdak weigerde omdat hij joods was. Seligman, die zo gerespecteerd werd dat hij door president Grant was gevraagd als minister van Financiën, besloot er een zaak van te maken door de publiciteit te zoeken. Het was het eerste antisemitische incident dat de media bereikt, al was een antisemitische bejegening voor Duitse immigranten als Seligman in zijn jonge jaren niet ongewoon. Tot zijn verrassing werkte de publiciteit juist averechts en doken er overal bordjes op met ‘No Jews admitted’. Volgens de historicus John Higham, de expert op het gebied van nativisme, had het minder te maken met een anti-immigratie sentiment dan met een hardnekkig Amerikaans anti-katholiek en anti-joods gevoel. De vermeende vijandschap tegenover de Amerikaanse protestantse samenleving was het probleem. Deze mensen konden nooit Amerikaans worden.

De Populisten, plattelandsactivisten in de jaren negentig, weten hun economische problemen tijdens de grote depressie van die jaren aan de bankiers in New York. Ook hier gold dat de boeren en activisten in het Midden Westen zelden of nooit een joodse Amerikaan waren tegengekomen, maar dat joden een aantrekkelijk doelwit waren om hun problemen aan toe te schrijven. In 1896 kon president Cleveland de overheidsfinanciën alleen redden met hulp van J.P. Morgan en de Rothschilds. Deze uitverkoop aan de bankiers paste naadloos in het verhaal dat de Populisten vertelden.

Toen na 1890 miljoenen straatarme Jiddisch sprekende Oost-Europese en Russische joden arriveerden, verjaagd door discriminatie en pogroms, werd het alleen maar erger. De anti-immigratie retoriek in de jaren 1900 en 1910 was bepaald onfris en gooide andere ‘rassen’ als Italianen en Jiddisch sprekende joden op één hoop. Daarbij hadden de gevestigde joodse Amerikanen weinig compassie met joden uit een andere regio, met een andere taal en een traditioneler manier van geloofsbeleving dan de joden die een halve eeuw eerder uit Duitsland waren gekomen.

Toen president Wilson in 1916 de eerste joodse rechter benoemde in het Supreme Court, Louis Brandeis, riep dat veel weerstand op. Het nominatie- en goedkeuringsproces duurde vier maanden, in die tijd ongewoon lang, en werd ontsierd met antisemitische retoriek. Na Brandeis’ benoeming weigerden sommige van zijn collega’s in het Hof naast hem te zitten of zelfs met hem te praten.

Het was een tijd van racisme en antisemitisme en zoals altijd gingen die vaak samen op. In 1915 was in Georgia de joodse zakenman Leo Frank gelyncht. Frank was in 1913 veroordeeld voor de moord op een 13-jarig meisje dat voor hem werkte. De nationale pers had de rechtszaak een travestie van de rechtsstaat genoemd, een bemoeizucht die met een typerende reactie in het Diepe Zuiden tot nog sterker antisemitische en haat jegens Frank leidde. Het Supreme Court wees zijn hoger beroep in april 1915 af. In augustus 1915 werd hij door een opgejuinde menigte in Marietta, Georgia, gelyncht.

Helemaal in zijn tijd paste ook de autoproducent Henry Ford die in 1918 de krant in zijn woonplaats Dearborn had gekocht. Hij begon daarin een serie artikelen die claimden dat een grote joodse samenzwering Amerika kapot maakte. Joden waren verantwoordelijk geweest voor de oorlog, voor alle misdaad in het land, zelfs voor de slechte kwaliteit van de Amerikaanse marine en uiteraard voor stakingen. Ford bundelde de artikelen in vier boeken die hij The International Jew noemde. Een half miljoen exemplaren werden gedistribueerd via zijn netwerk van dealers. Ford was populair, rijk en werd in de jaren twintig genoemd als presidentskandidaat.

De Grote Depressie, begonnen in 1929, maakte anti-elite gevoelens los die zich maar al te gemakkelijk vertaalden in antisemitisme. Volgens peilingen zag de helft van de Amerikanen joden als hebzuchtig en oneerlijk, veertig procent vond dat ze teveel macht hadden in Amerika.

Het ging verder dan simpele xenofobie. Synagoges werden beklad met swastika’s. De populaire radiopredikant, de katholiek Father Coughlin, was antisemitisch en dat gold ook voor het America First Committee van de vliegenier Charles Lindberg, die enorme bewondering had voor Hitlers Duitsland. Het concrete gevolg was dat Amerika geen joodse immigranten binnenliet toen het echt nodig was. Philip Roths The Plot against America maakt fictie van een soort segregatie tegen joden en inderdaad, dat zou in 1940 bepaald niet onmogelijk geweest zijn. Geen wonder dat Amerikaanse joden en in het algemeen mensen met enig historisch gevoel, rilden toen Donald Trump in zijn inaugurele rede America First tot logo van zijn presidentschap verhief.

Nieuwsberichten over de holocaust waren vanaf begin 1942 in de Amerikaanse media verschenen, zij het in uithoekjes van de grote kranten. The Boston Globe had in juni 1942 een kop ‘Massamoord op joden in Polen loopt op tot meer dan 700.000 mensen’, onder aan pagina twaalf. De ontdekking van de omvang van de holocaust in mei 1945 kwam als een schok. De moord op zes miljoen joden en een schuldgevoel over Amerika’s gebrek aan hulp toen joden Duitsland probeerden te ontvluchten zou het buitenlands beleid na de oorlog fundamenteel beïnvloeden. In 1948 erkende Amerika zonder dralen Israël, maar dat was vooral het werk van president Harry Truman. De meeste ministers waren minder enthousiast.

Het gebrek aan kennis, of het negeren van de vernietigingskampen leidde tot een reactie die ook weer overdreef: voor Amerikanen is de Tweede Wereldoorlog in Europa teruggebracht tot de Holocaust. De rijen voor het Anne Frank Huis in Amsterdam staan vol Amerikanen die niets weten van de Tweede Wereldoorlog behalve Pearl Harbor, Iwo Jima en de Holocaust. Dit bewustzijn verhinderde niet dat Amerika tot ver na de Tweede Wereldoorlog een sterk antisemitisme kende. Zakenclubs en golfbanen hielden joden buiten de deur, in het Zuiden gingen racisme en antisemitisme hand in hand. In de biografie van Alan Greenspan, de latere president van de Federal Reserve, wordt opgemerkt dat hij begin jaren vijftig last had van anti-joodse sentimenten op Wall Street.

De bandopnames van president Richard Nixon laten een diepgeworteld clichématig denken over joden horen, vaak de grens overschrijdend van antisemitisme. Dat deze opmerkingen vaak vielen in het gezelschap van zijn als kind uit Duitsland gevluchte veiligheidsadviseur, Henry Kissinger, wijst erop dat het voor Nixon gewoon dagelijks taalgebruik was. Voor Kissinger was het nooit reden om zich van de president af te keren of, voor zover de banden dat laten horen, er iets over te zeggen.

Overigens heerst in zwarte kringen, vooral bij de Nation of Islam en diens leider Louis Farrakhan, maar ook onder establishment types als Jesse Jackson, een afkeer van joodse Amerikanen. Jackson noemde in 1988 in zijn presidentscampagne New York ‘hymietown’ wat hem gelukkig meteen een hoop steun kostte. Jackson ontkende eerst en noemde het toen een joodse samenzwering om hem te ondermijnen. Hij weigerde altijd afstand te nemen van Louis Farrakhan.

Ogenschijnlijk is Amerika een bijzonder vriendelijk land voor joodse Amerikanen en heeft de VS sinds de Tweede Wereldoorlog Israël omarmd als 51ste staat. De Israël lobby heeft een ongekende invloed op de buitenlandse politiek. Zozeer dat zelfs joodse Amerikanen soms door stupiditeit bevangen raken: Barack Obama die regelmatig golfde op een club in Maryland die veel joodse leden heeft, kreeg te maken met een plan om hem de toegang te ontzeggen. De president had in december 2016 in de Verenigde Naties een uitspraak die het nederzettingenbeleid van Israël niet had voorzien van een veto.

Het punt is: Amerika is ook op dit terrein een verdeeld land. Enorm pro-Israël (hoewel steeds minder) en tegelijkertijd met een sterke antisemitische onderstroom. vooral in kringen van white supremacists en survival en white supremacy types in het Westen en hard core racisten in het Zuiden, maar zeker niet tot hen beperkt. Met Steve Bannon en zijn Breitbart club hebben deze groepen nu ook het Witte Huis bereikt.

De onnozele president in het Witte Huis denkt dat hij gevrijwaard is van elke kritiek omdat zijn schoonzoon en dochter joods zijn. De werkelijkheid is dat Trump en zijn aanhangers een klimaat hebben geschapen waarin het aantal ‘incidenten’ sterk is gestegen en een onaangename onderbuik kant van Amerika blootleggen. Er is niet zozeer sprake van een groei van het antisemitisme alswel een groei van de bereidheid om, onder de vlag van afkeer van politieke correctheid, er ongefilterd over te babbelen. Geen wonder dat de meest extreme activisten er ook naar gaan handelen.

Die beelden waren symbool van de segregatie en hadden weinig met geschiedenis te maken

Ik hoorde zojuist Wouter Zwart op radio 1. Hij blijft een correspondent op de verkeerde plek of misschien gewoon de verkeerde correspondent, maar dat terzijde.

Wat hij naliet te melden is dat die beelden van confederale generaals en de leiding van de Confederatie of de Daugthers of the Confederacy, pas geplaatst zijn vanaf 1890. Precies ook de tijd dat de segregatie begon, de Amerikaanse apartheid die tot 1965 duurde. Dat maakt deze beelden zo omstreden. Ze zijn monumenten van en voor racisme, niet voor de oorlog of het Zuiden.

De psycho kan dat natuurlijk niet bevatten wegens fundamenteel gebrek aan kennis van de geschiedenis. Maar het zou er bij de verhalen  over deze monumenten wel aan toe gevoegd moet worden, anders lijkt het zo onredelijk om ze te willen weghalen.

Zou iemand rond de Mad King de moed hebben ….

Toen Mad King Donald dinsdag tekeer ging, was hij in gezelschap.

Naast hem stond minister Mnuchin die Joods is en minister Chao, die Aziatisch is. Iets verderop stond economisch adviseur Cohn, ook Joods. Tegen de wand stond John Kelly, de chef staf die kan organiseren wat hij wil maar de psycho niet stil kan krijgen.

Het zou zo mooi geweest zijn als ook maar één van hen was weggelopen in plaats van ongemakkelijk te schuifelen. Ik weet het, dat is veel gevraag, te veel. Je moet in een halve minuut beslissen dat je je rol als publieke dienaar niet meer wilt vervullen want ontslag is waarschijnlijk na een dergelijk gebaar tegenover je baas.

Toch moet je blijven hopen dat er functionarissen zijn in deze regering die durven te zeggen ‘genoeg is genoeg’ en afstand nemen, publiekelijk en niet via het achterklapcircuit. Laat Trump hen maar ontslaan, eens kijken wat het Congres daarvan vindt – nou ja, dat zit vol Republikeinen die evenmin gebroken hebben met de president. 

Misschien heb ik te hoge verwachtingen. Uiteindelijk bleef iedereen aan boord toen de psycho zijn pussy graber ervaring had, toen hij Obama eerst niet-Amerikaan maakte en later, als president, zonder bewijs beschuldigde van afluisteren. Eer en het innemen van een serieuze en risicovolle positie is een onderschat item in de politiek. Helaas. 

Pre-emptive ontslag

Yo psycho. Waarom wachten? Goed idee: fora van zakenlieden opheffen voordat ze zichzelf konden opheffen omdat je een onfrisse en vooral ongelooflijk domme racist bent.

Het is zo eenvoudig: een tweetje dat je het presidentschap opzegt. Waarom wachten op het 25ste Amendement, wees de swamp een stap voor, neem zelf ontslag.

 

Totaal gebrek aan moreel kompas

Hier een geactualiseerde versie van een eerder artikel over de GOP en racisme. Misschien heeft u een deel al eerder gelezen maar in de context van de nieuwe excessen van de psycho leek het me toch relevant.

Gepubliceerd op opiniepagina De Standaard, 17 augustus 

Dit voorjaar verbaasde president Trump zich erover dat Abraham Lincoln een Republikein was. ‘Dat zouden meer mensen moeten weten,’ zei Trump, zijn stuitende onkunde projecterend op de rest van Amerika. Niet onkunde maar gebrek aan moreel kompas is de verklaring voor Trumps onthutsende reacties op de manifestatie van extreem rechts afgelopen zaterdag in Charlottesville. Trump erkende niet de verwerpelijkheid van het racisme, het geweld, de hakenkruizen, hitlergroeten en de daar geuite opinies, inclusief een dosis antisemitisme. Hij leek het zelfs niet te onderkennen.

Een auto ploegde in een groep demonstranten maar de president van Amerika weigerde een daad van binnenslands terrorisme als zodanig te benoemen. Maandag legde Trump met zichtbare onwil een meer gematigde maar nog steeds onbevredigende verklaring af. Dinsdag was Trump weer zijn gewone zelf en toonde eens te meer dat het ambt van president nu wordt bekleed door iemand die Amerika te schande zet.

Het levert een acuut probleem op voor zijn Republikeinse Partij. Steeds meer lijkt onder president Trump de Grand Old Party (GOP), zoals de Republikeinse Partij zich graag noemt, tot volle wasdom te komen als de partij van de racisten, van de haat, van de extreem rechtse blanke nationalisten. Maar na Charlottesville is er voor de andere Republikeinen geen ontsnappen meer aan: ze moeten hun president afvallen of voorgoed besmeurd blijven. De Republikeinen hebben dit monster gebaard en kunnen niet aan de gevolgen ervan ontsnappen. Uiteindelijk was het Trump die met zijn birther-nonsens, de stelling dat president Obama niet in Amerika was geboren, jarenlang haat mocht zaaien. De Republikeinen tolereerden het: het kwam wel van pas in hun verkiezingskraam, in het aanjagen van haat tegen Barack Obama. Trump won in 2016 mede dankzij een boodschap van dog whistles, die stille racistische boodschappen, hoorbaar voor wie ervoor openstaat.

Trump zal het niet weten, maar de GOP had ooit een stoere geschiedenis op dit terrein. Lincolns partij was een eeuw lang de enige die zich bekommerde over het lot van zwarte burgers, zich beschaamd afkeerde van racisme en segregatie. Lincoln en zijn opvolgers ontmoetten Frederick Douglass, een ex-slaaf. Republikein Theodore Roosevelt (1901-1909) had in 1901 een etentje met Booker T. Washington. President Warren Harding (1921-1923) hield in Birmingham, Alabama, een toespraak waarin hij segregatie aan de kaak stelde. Zijn lot was een smeurcampagne die suggereerde dat de president zwart bloed zou hebben. Andere Republikeinse presidenten als Calvin Coolidge, Herbert Hoover en Dwight Eisenhower voelden ongemak bij segregatie maar deden er niets aan.

Bij de Democraten was het nog veel erger. President Woodrow Wilson (1913-1921) was een notoire racist, en tot ver in de twintigste eeuw probeerden de Democraten de segregationisten binnen hun grote politieke tent te houden. Voor een Democratische coalitie waren altijd de zuidelijke politici nodig. Het verklaart waarom Franklin Roosevelt (1933-1945) nooit veel werk maakte van het beëindigen van de Amerikaanse apartheid. John F. Kennedy was al net zo voorzichtig totdat de ontwikkelingen in Selma en elders hem dwongen zich uit te spreken over burgerrechten. Als leider van de Democratische senaat had Lyndon Johnson in de jaren vijftig nog de Democraten bijeen weten te houden door voorstellen voor burgerrechten te verwateren. Maar als president was Johnson wel degene die vanaf 1963 de kans kreeg om af te rekenen met Amerika’s historische erfzonde en dat toen ook deed. ‘There goes the solid South’, zou hij gezegd hebben toen in 1965 de burgerrechtenwetgeving werd afgerond, zich realiserend dat de racisten nu geen reden meer hadden om Democratisch te stemmen.

De omslag was toen al bezig. Geleidelijk aan hadden de racisten hun greep op het Zuiden al verloren, zich vastbijtend in achterhoedegevechten voor het behoud van een immoreel systeem. In 1948 voerde de Democraat Strom Thurmond uit South Carolina campagne tegen zijn eigen president, Harry Truman, met als inzet behoud van de segregatie. Thurmond zette in 1964 de logische stap en werd een Republikein. Hij werd met open armen ontvangen in de partij die een unieke opening zag om in het Zuiden stemmen te winnen. Daarvan profiteerde in 1968 Richard Nixon door de silent majority aan te spreken, waarbij woede over het verlies van hun segregatie voor zuiderlingen een hoofdrol speelde. De zuiderlingen waren welkom in de GOP. Ook de door moderne Republikeinen vereerde Ronald Reagan wist heel goed wat hij deed door zijn eerste speech als officieel Republikeins kandidaat in augustus 1980 te houden in Philadelphia, Mississippi, waar in 1964 drie burgerrechtenactivisten waren vermoord. Reagan legde de nadruk op ‘staatsrechten’, sinds de Burgeroorlog codetaal voor het recht om op lokaal niveau te discrimineren. Republikeinen wisten waar hun kiezers waren te vinden en speelden daar op in.

Donald Trumps campagne was de culminatie van deze ontwikkeling. Racisten en neonazi’s waren welkom, Steve Bannon, de voorman van alt-right werd zijn adviseur. Trumps optreden van de afgelopen dagen kan niemand verrassen. Zeker niet zijn eigen partij, die op staatsniveau probeert het moeilijk te maken voor zwarten en andere minderheden om zich als kiezer registreren, een praktijk die door federaal Hof in Virginia al als racistisch werd bestempeld. Ook de manier waarop Republikeinen op staatsniveau de kiesdistricten zodanig indelen dat zwarten zo min mogelijk invloed hebben, past in dit patroon. Maar onder Donald Trump lijkt niets te dol, hij verlegt dagelijks morele standaarden.

Toch lijkt de Republikeinse Partij, de partij van Abraham Lincoln, op een cruciaal punt aangeland. Als de Republikeinen nu geen afstand nemen van het discriminerende, verdeeldheid en haatzaaiende optreden van de man die namens hen in het Witte Huis zit, zullen ze er nooit meer van loskomen. Ze zullen blijvend worden verbonden met de haatgroepen die we zaterdag aan het werk zagen en met de man die hen de hand boven het hoofd houdt. Tot nog toe toonden de Republikeinen weinig ruggengraat als het ging om weerwoord tegen Donald Trump. Nu hebben ze geen keuze meer. Dat geluid dat we hoorden, dat was Lincoln die zich in zijn graf omdraaide. Het is tijd voor de moderne GOP om daar een echo van te laten horen.

 

De kernoorlog wordt uitgesteld

Kim wacht af wat Amerika doet voordat hij actie onderneemt.

Trump wacht af wat Noord-Korea doet voordat hij actie onderneemt.

Zo hebben we een week crisisgedoe gehad dat, geheel voorspelbaar, zelfs met een idioot als president, uiteindelijk nergens over ging.

De status quo is en blijft de status quo. 

Waarom de psycho inderdaad een psychopaat is

Een lezer vroeg met waarom ik steeds ‘psycho’ gebruik verwijzend naar president Trump. 

Het is niet een flauwe poging om bijnamen te geven, een van Trumps favoriete bezigheden als hij niet bezig is zichzelf in de voeten te schieten. Nee, het is om de lezer eraan te herinneren dat we te maken hebben met een psychopaat. 

Trump bewees het gisteren nog maar een keer. Geef hem jeuk en hij blijft krabben. Poetin, Rusland: Trump blijft er over doorzeuren. Neonazi’s, racisten: hij kan er niet over ophouden. In beide gevallen gaat het niet zozeer om zijn achterban (hij wordt door beide gebruikt maar is te dom om dat te zien) maar om de enigen die hem onvoorwaardelijk steunen. En Trump als psycho geeft die steun onvoorwaardelijk terug.

Bij Trump gaat alles over Trump. Toen hij maandag zogenaamd zijn nuance aanbracht was dat nadat hij tien minuten had georeerd over de fantastische successen van de economie (een voortzetting van de Obamajaren). Gisteren zou hij over infrastructuur praten maar hij wilde het over Trump hebben, over deze abjecte types die hem steunen. En dus bleef hij maar krabben, tot meer dan ergernis van John Kelly, de chef staf die erbij stond.

Voor deze man is geen hoop. Alleen de Eppinks en Fergusons van deze wereld, broodschrijvers in het conservatieve mandje, verdedigen hem nog.

De meer serieuze vraag is of er hoop is voor Amerika en, in bredere zin, voor de westerse wereld zoals we die tot nu toe kenden. Je kunt er alleen maar per dag pessimistischer op worden.

Like a hurricane

Dit was Trumps Katharina. Weet u nog, die orkaan die New Orleans onder water zette? Toen kleine Bush hopeloos tekort schoot in empathie, schuldbewustzijn en medeleven? Het was het einde van zijn tweede termijn.

Nu blaast Charlottesville Trump weg.

De partij van Lincoln en racisme

Dit voorjaar verbaasde president Trump zich erover dat Abraham Lincoln een Republikein was. ‘Dat zouden meer mensen moeten weten’, zei Trump, zijn stuitende onkunde projecterend op de rest van Amerika. Onder president Trump komt de Grand Old Party (GOP) zoals de Republikeinse Partij zich graag noemt, tot volle wasdom als de partij van de racisten, van de haat, van de extreem rechtse blanke nationalisten. Na Charlottesville is er voor de Republikeinen geen ontsnappen meer aan: ze moeten hun president afvallen of voorgoed besmeurd blijven.

Het is niet nieuw. Uiteindelijk was het Trump die met zijn birther-nonsens, de stelling dat president Obama niet in Amerika was geboren, jarenlang haat mocht zaaien. De Republikeinen tolereerden het, niemand nam afstand: het kwam wel van pas in hun verkiezingskraam. Trump won in 2016 mede dankzij een boodschap van dog whistles, die stille racistische boodschappen, hoorbaar voor wie ervoor openstond.

Het was niet altijd zo. De partij van Lincoln, de Republikeinse Partij, opgericht in de aanloop naar de Burgeroorlog, was decennialang de enige partij die zich druk maakte over het lot van zwarte burgers. De enige partij die zich beschaamd afkeerde van segregatie en probeerde een andere weg in te slaan. Lincoln zelf ontmoette Frederick Douglass en ook zijn opvolgers ontvingen deze leidende zwarte man (Trump zei tijdens Black History Week dat Douglass goed werk doet en ‘steeds meer wordt erkend’, suggererend dat de man nog leefde).

President Theodore Roosevelt (1901-1909) was de eerste die een zwarte leider ontving in het Witte Huis. Hij had een etentje met Booker T. Washington op 16 oktober 1901. TR’s bedoelingen waren goed maar hij schrok zo van de reacties in het Zuiden dat hij onmiddellijk en ongebruikelijk voor deze man snel weer in zijn schulp kroop. De veel besmade Warren Harding, Republikeins president van 1921 tot 1923, hield in 1921 in Birmingham, Alabama, een gewaagde toespraak waarin hij segregatie leek te verwerpen. Zijn lot was een smeurcampagne die suggereerde dat Harding zwart bloed zou hebben. Presidenten als Calvin Coolidge, Herbert Hoover en Dwight Eisenhower, keurige Republikeinen, voelden ongemak bij segregatie maar deden er niets aan.

Bij de Democraten was het nog veel erger. Tot ver in de twintigste eeuw waren het de Democraten die de racisten binnen hun grote politieke tent probeerden te houden. Voor een Democratische coalitie waren altijd ook de racisten in het Zuiden nodig, de politici die rassensegregatie hadden ingevoerd en het tot het uiterste verdedigden. Het verklaart waarom Franklin Roosevelt, president van 1933 tot 1945, nooit veel werk maakte van het beëindigen van de Amerikaanse apartheid. John F. Kennedy was voorzichtig totdat de ontwikkelingen, in Selma en elders hem dwongen om zich te buigen over burgerrechten. Lyndon Johnson, een conservatieve Texaan, had in de jaren vijftig nog de Democraten in de Senaat bijeen weten te houden door voorstellen voor burgerrechten te verwateren. Maar Johnson verdient het krediet dat hij toen hij als president na 1963 de kans kreeg om af te rekenen met Amerika’s historische erfzonde, hij dat ook deed. ‘There goes the solid South’, zou hij gezegd hebben toen in 1965 de burgerrechtenwetgeving werd afgerond.

Natuurlijk zorgde de New Deal van FDR wel voor economische verbetering, zowel in de grote steden als op het zuidelijke platteland. Daarom kon hij op zwarte stemmen rekenen, voor zover zwarten konden stemmen. Geleidelijk aan verloren de racisten hun greep op het Zuiden, werden hun gevechten achterhoedegevechten voor het behoud van een immoreel systeem. In 1948 voerde de Democraat Strom Thurmond uit South Carolina (niet toevallig ook de staat die de Burgeroorlog begon) campagne tegen president Truman om de segregatie te verdedigen. Thurmond zette in 1964 de logische stap voor de volhardende segregationisten en werd een Republikein. Hij werd met open armen ontvangen aangezien de partij een opening zag om in het Zuiden stemmen te winnen.

JFK en LBJ gingen confrontaties aan met racistische gouverneurs van wie George Wallace van Alabama de bekendste werd. Net als Richard Nixon zag Wallace in 1968 het potentieel van een combinatie van zuidelijk racisme en noordelijk verzet tegen de elites. De Republikein won in 1968 dankzij een verdeeldheid zaaiende campagne om de silent majority te winnen, waarin het ook onuitgesproken bleef dat nu segregatie officieel voorbij was racistische zuiderlingen niets meer bij de Democraten hadden te zoeken. Ze waren welkom in de GOP die ze zouden gaan overnemen.

Ronald Reagan hield zijn eerste speech als officieel Republikeins kandidaat in augustus 1980 in Philadelphia, Mississippi, de plek waar in 1964 drie burgerrechten activisten waren vermoord. Hij legde de nadruk op ‘staatsrechten’, sinds de Burgeroorlog ook codetaal voor het recht om op lokaal niveau te discrimineren. Republikeinen wisten waar hun kiezers waren te vinden.

Donald Trump wond er in zijn campagne geen doekjes om. Racisten en neonazi’s waren welkom, Steve Bannon, de voorman van alt-right was zijn adviseur. Afgelopen zondag besmeurde hij het presidentschap door een daad van binnenlands terrorisme in Charlottesville, gemotiveerd door racisme en blank superioriteitsdenken, niet expliciet te veroordelen. Trumps optreden past in de pogingen van Republikeinse staatoverheden om de kiesregisters zodanig op te schonen dat zwarten en andere minderheden zich moeilijk kunnen registreren, een praktijk die door federaal Hof in Virginia al als racistisch werd bestempeld. Ook de manier waarop Republikeinen op staatsniveau de kiesdistricten zodanig indelen dat zwarten zo min mogelijk invloed hebben, past in dit patroon.

Onder Donald Trump lijkt niets te dol, hij verlegt dagelijks morele standaarden. Toch lijkt de Republikeinse Partij, de partij van Abraham Lincoln, op een cruciaal punt aangeland. Als ze nu geen afstand nemen van het discriminerende, verdeeldheid en haatzaaiende optreden van de man die namens hen in het Witte Huis zit, zullen ze er nooit meer van loskomen. Dat kan op korte termijn misschien electorale winst opleveren onder doelgroepen aan het uiterst rechtse einde van het politieke spectrum, op de lange termijn zal het de Republikeinse Partij blijvend in de hoek van de racisten en de neonazi’s zetten. Tot nog toe toonden de Republikeinen weinig ruggengraat als het ging om weerwoord tegen Donald Trump. Nu hebben ze geen keuze meer. Dat geluid dat we hoorden, dat was Lincoln die zich in zijn graf omdraaide. Tijd voor de moderne GOP om daar een echo van te laten horen.