Een mooie uitzending van Panorama Zondag

Wellicht overschat ik u interesse in mijn persoon, mijn Amerika en andere persoonlijke zaken, maar graag wijs ik u op een mooie uitzending van Panorama Zondag op NPO 4. Daarin dit alles, gelardeerd met mooie muziek en verhalen die met Amerika te maken hebben.

Niet voor u? Dit weekend mijn voorschot op de ontmoeting van Xi Jinping en Donald Trump.

https://www.npoklassiek.nl/uitzendingen/panorama-zondag/019dd361-647e-7314-84bc-027c2eafef7b/2026-09-13-panorama-zondag

Denk hierover na op 9/11: Terrorisme loont

President Trump zal op 11 september niet aanwezig zijn bij de 25ste herdenking van de aanval op Amerika, althans niet bij het monument op de plek waar in 2001 het World Trade Center stond. Het zat hem dwars dat hij er niet mag spreken, omdat de afspraak altijd is geweest om 9/11-herdenkingen niet te politiseren. Trump blijft Washington, waar bij de herdenking van de gelijktijdige aanval indertijd op het Pentagon die beperking niet geldt.

Wat Trump zal zeggen, of hij zich kan inhouden om niet een uur lang te ratelen over van alles en nog wat, is minder interessant dan dát hij daar staat: als Amerika’s slechtste president ooit. In Trumps wereld is alles groter, beter, sterker en met meer goud bekleed, en inderdaad zal zijn eigen plek in de Amerikaanse geschiedenis enorm belangrijk zijn, met slechtere lange termijn invloed dan vrijwel iedereen, inclusief James Buchanan die het land de Burgeroorlog in leidde. 

Zonder 9/11 zou Trump niet president zijn. Natuurlijk, je weet niet wat er in een alternatieve geschiedenis was gebeurd, maar wel kun je vaststellen dat 9/11 het begin van het einde van Amerika’s leidende rol in de wereld markeert. De terreur van die dag was niet de enige factor, wel de doorslaggevende. Democratie stond al onder druk: in november 2000 had het Supreme Court het presidentschap cadeau gegeven aan de Republikein George W. Bush. In Florida moest het tellen gestopt worden op een punt dat hij 537 stemmen voorlag op de Democraat Al Gore, al had die landelijk gezien een half miljoen meer stemmen. Gore was een staatsman en legde zich erbij neer, maar het was de eerste fundamentele crisis van de Amerikaanse democratie. Twijfel ontstond, door Donald Trump in 2020 gemaximaliseerd en nu dagelijks door hem gevoed.

De high tech beurscrisis in 2000 had al voor een correctie gezorgd die het economisch optimisme van de late jaren negentig afstrafte. Wel liet president Clinton een begroting in evenwicht na, door president Bush meteen al om zeep geholpen door domme belastingverlagingen en vervolgens, door 9/11, dure onbetaalde oorlogen te voeren.

Internationaal leek Amerika op een hoogtepunt. Neoconservatieve haviken schetsen de wereld van na de Koude Oorlog als een unipolar moment: Amerika was de enige supermacht. Het was arrogante kortzichtige prietpraat, maar zij runden de Amerikaanse buitenlandse politiek met de insteek om Amerika’s macht ook te gebruiken. De uitnodiging daartoe was 9/11, een aanval die feitelijk de afkeer van Amerikaans beleid elders naar het thuisfront bracht. Je mag niet zeggen ‘Amerika kreeg wat het verdiende’, maar wie 25 jaar terugkijkt kan alleen maar vaststellen dat de reactie op 9/11, de uitnodiging om nog dieper in die afkeer te duiken, precies wat de aanvallers voor ogen hadden.

De aanloop naar 9/11 was al een voorbode van Amerika’s neergang. De adviseurs van president Clinton, die in het voorjaar van 2001 waarschuwden voor terrorisme van een ongekende aard, werden genegeerd om partijdige redenen. President Bush, niet een man van de daad, zat in augustus in op zijn ranch in Texas toen hij een rapport kreeg dat erop wees. Niemand deed iets. Het 9/11-rapport dat het Congres later presenteerde was keihard in zijn kritiek op zowat alle instanties die Amerika hadden moeten beschermen.

President Bush zette de droefheid en woede om in eenheid: zelden was Amerika eensgezinder dan na 9/11. En zelden werd die eensgezindheid sneller verkwanseld. Dat Bush het nodig vond om Afghanistan aan te pakken was te begrijpen. Dat de neoconservatieven, opgepord door de liegende vicepresident Dick Cheney, de kans schoon zagen om Amerika op het pad te zetten om de dictator van Irak, Saddam Hoessein, omver te werpen, was een ongelooflijke blunder.

Het zette Amerika op het pad van de eindeloze oorlogen in een regio waar het wel belangen had, maar niet zodanig dat dit soort activiteit nodig of zelfs maar nuttig was. 9/11 leidde tot de oorlogen in Afghanistan en Irak, beide door Amerika verloren. De kosten waren hoog, niet alleen in dollars en begrotingstekorten, maar vooral in verlies van aanzien, deels door de leugens en de incompetentie bij de uitvoering van de oorlogen. Donald Trumps onbezonnen oorlog met Iran niet meer dan een verdere fase in betrokkenheid bij het Midden Oosten, bij wat Amerikanen een ‘tar baby’ noemen: een plakkerige pop waar je, als je hem eenmaal vastpakt, niet meer loskomt. De erfenis van 9/11 werkt door tot de dag van vandaag.

Ondertussen werden de Bush-oorlogen gevoerd met het negeren van fundamentele mensenrechten en het schenden van Amerikaanse waarden. Marteling, samengevat in waterboarding en misdragingen van Amerikaanse militairen met gevangenen, om niet te spreken over eindeloze detentie in Guantanamo Bay, ondermijnden de aanspraak van Amerika op het verdediging van universele waarden. Ook hier is de lijn van 9/11 naar het heden van Donald Trump duidelijk te zien. Alles wat Amerika bewonderenswaardig maakte, is op drift geraakt.

Allemaal weten we dat het dagelijks leven door 9/11 fundamenteel is veranderd. De rijen voor de beveiliging op het vliegveld, de poortjes bij musea en andere openbare gelegenheden, de islamofobie, misbruikt door populistische volksmenners, zelfs de samenzwerings idioterie in de sociale media wereld: het is allemaal een direct gevolg van 9/11. We zagen dat de NAVO hulp bood onder artikel 5, dat een aanval op een land een aanval op allen is, een ervaring die nu naar de prullenbak is verwezen door de man die mede dankzij 9/11 opperleugenaar van Amerika is geworden.

Er is iets met goed doordachte terroristische aanslagen dat ons aan het denken zou moeten zetten. Terroristen bereiken vaak hun doel omdat degenen die ze willen treffen emotioneel, irrationeel en soms duister samenzwerend reageren op de aanval. Zoals Amerika zichzelf blijvend heeft ondermijnd door de reactie op 9/11, zo zien we Israël zichzelf kapot maken sinds 7 oktober 2023. Terreur is effectief. Waar Osama Bin Laden ook moge zijn, in zijn zeegraf of in het paradijs van martelaren, hij kan tevreden zijn. We leven allemaal in een wereld van na 9/11, een wereld hij in gang gezet heeft. 

De chronische schuldencrisis van de VS

Traditioneel beginnen Amerikaanse politieke campagnes op Labor Day, de eerste maandag in september. Door het geklungel van de regering-Trump, de ondoordachte, soms ronduit ridicule uitspraken van de president en een onzinnige oorlog met Iran lijken de Republikeinen daaraan slecht te beginnen. Er komt een probleem bij: de VS heeft te maken met een schuldencrisis. De Financial Times noemt het een chronische crisis.

Door Trumps beleid is de inflatie flink aan het stijgen. Daarnaast loopt het begrotingstekort nu toch echt uit de klauwen, het is inmiddels een niet vol te houden zes procent. Daardoor is de Amerikaanse staatsschuld opgelopen tot 40.000 miljard dollar, nooit vertoond buiten oorlogstijd. Het kost steeds meer om dat exploderend tekort te financieren: meer dan twintig procent van de belastinginkomsten gaat naar de betaling van rente op die schulden. Om dat allemaal te financieren moet de minister van Financiën staatsleningen uitgeven, maar ja, die zijn minder aantrekkelijk geworden en dus moet het land een premie betalen.

Natuurlijk is die onbezonnen oorlog met Iran een factor, maar historisch gezien zit de belangrijkste reden voor begrotingstekorten niet aan de uitgavenkant. Het probleem zijn steeds weer de inkomsten. De overheidsuitgaven stegen van 15,5 procent van het Bruto Nationaal Product in 2000 tot 19,9 nu. De overheidsinkomsten daarentegen daalden van 20 procent van het BNP in dezelfde periode tot 17,2 procent nu.

Het echte structurele probleem zijn de Republikeinen. Zij maken altijd een punt maken van begrotingstekorten, ze verwijten de Democraten hun hoge uitgaven en roepen om begrotingsdiscipline. Ze voeren er altijd campagne op en niet zonder succes. Amerikanen hebben een hekel aan belastingen, je kunt ze er altijd op aanspreken.

Maar in praktijk zijn het altijd de Republikeinen die tekorten veroorzaken door hun belastingverlagingen voor de rijken en ondernemingen. Donald Trump en zijn volgzame partij passen in een lange traditie. Het argument dat Republikeinen aanvoeren om belastingen te verlagen, namelijk dat ze hoge economische groei opleveren, is een leugen. Ga maar na: nooit groeide de Amerikaanse economie meer dan in de jaren vijftig en zestig, toen inkomens- en vennootschapsbelasting buitengewoon hoog was.

In de jaren zestig maakte president Kennedy een voorzichtig begin met het verlagen van de hoogste schijven, maar de anti-belastingbeweging (of beter: de anti-overheidsbeweging) kwam pas tot volle wasdom met Ronald Reagan. Hij kwam naar Washington om de overheid te verkleinen. Dat deed hij niet, wel verlaagde hij de belastingen voor de hoogste inkomens. Mede door de economische crisis van begin jaren tachtig liepen de tekorten snel op. Alleen was Reagan meer een pragmaat dan een ideoloog en hij verhoogde die belastingen weer toen het nodig was, zij het lang niet genoeg.

Nog los van de neoliberale trend die toen ingang vond en alle overheid wilde verminderen, deed de theorie opgeld dat als je de belastingen verlaagde de economie zo werd gestimuleerd dat de daardoor gegeneerde extra groei juist tot meer belastingopbrengsten zou leiden – de toen befaamde Laffer curve die dat liet zien. Daarnaast betoogde supplyside economics dat lagere belastingen, minder regulering en vrijhandel de sleutel waren tot groei en zo zichzelf zouden betalen. Het klinkt ongelooflijk, het was ook ongelooflijk. Het was een Republikeinse wensdroom, of, zo u wilt, een lang volgehouden leugen.

De tekorten stegen enkel maar. Pas in het eerste jaar van president Clinton werd er wat aan gedaan. Het werd hem afgedwongen, dat wel, en het frustreerde Clintons agenda, maar de Republikeinen die toen nog hamerden op de tekorten, kregen hun zin. Mede door het einde van de koude oorlog en door de bloei van de tech industrie leverde Clinton in 2000 een begroting af die in evenwicht was. Een ongekend fenomeen.

Het was niet besteed aan de Republikeinen. In 2001 greep George W. Bush (de jongere) meteen de kans aan om de belastingen voor de rijken te verlagen. Bush begon ook oorlogen in Afhanistan en Irak waarvoor hij de Amerikaanse burgers nooit de rekening presenteerde. De Republikeinen gingen gewoon hun gang. Bekend zijn de woorden van vicepresident Cheney toen hij daarop werd aangesproken: deficits don’t matter.

De belastingverlagingen van Bush, die tien jaar zouden gelden, werden in 2011 verlengd onder president Obama, maar dat werd hem opgelegd door een Republikeinse Congres. Opnieuw hadden ze liever lagere belastingen dan lagere tekorten. Het vervolg weten we ook: ondanks de tekorten verlaagde Donald Trump in 2017 opnieuw de belastingen op inkomens en voor bedrijven. De tekorten groeiden, vanaf 2021 nog versterkt door extra overheidsuitgaven door corona. Ra ra waarop de Republikeinen hamerden in 2024: juist de spilzucht van de Democraten.

In zijn tweede termijn was het eerste wat Trump deed, in zijn Big Beautiful Bill, de belastingverlagingen van 2017 permanent maken. En net als zijn Republikeinse voorganger begon ook Trump een peperdure oorlog met Iran die hij financiert met verdere tekorten. Minister Bessent van Financiën trad aan met de belofte het begrotingstekort te verkleinen. De poging van Elon Musk om de overheid te ontmantelen werd een totale mislukking en de beloofde economische groei is op zijn best twee procent, niet de beloofde drie procent.

Trump en zijn aanhangers roepen, net als de Argentijnse president (en Musk) om een kettingzaag om de uitgaven te verlagen. Juist Musk faalde faliekant. De werkelijkheid is dat er niet of nauwelijks ruimte is voor lagere overheidsuitgaven (en aan de horizon dreigt ook nog een pensioencrisis). De inkomsten moeten omhoog. Een logische eerste stap is die belastingverlagingen voor de rijken terug te draaien en de winstbelasting weer op niveau te brengen. Een vorm van vermogensbelasting, erfbelasting en het sluiten van allerlei sluipwegen om belasting te vermijden zouden ook op tafel moeten liggen.

Maar ook in de aanloop naar 4 november houden de Republikeinen vast aan hun eindeloos herhaalde mantra: minder overheid en lagere belastingen. Dat valt niet vol te houden. Minister Bressent probeert de gaten te vullen, maar zoals hij gemerkt heeft, is de geloofwaardigheid van de VS, ook op de wereldmarkten, behoorlijk afgenomen. Hopelijk krijgen de Republikeinen straks ook de politieke rekening gepresenteerd.

De corrumpering van het ministerie van Justitie

In het Amerikaanse politieke systeem heeft het ministerie van Justitie een dubbele rol: het is de hoeder van de Amerikaanse rechtsstaat en het vertegenwoordigt de regering. Tussen die twee is er altijd een zekere spanning, maar niet onder president Trump. Hij heeft duidelijkheid verschaft: de minister van Justitie is zijn persoonlijke jurist, zijn loopjongen, zijn belangenbehartiger. Sinds vorige week wordt die functie vervuld door Todd Blanche, de jurist die Trump verdedigde in de zaak van het zwijggeld voor Stormy Daniels.

Blanche weet waar hij aan begint. Zijn voorgangster Pam Bondi, vaak afgeschilderd als een ‘brown noser’ vanwege haar opkruipen tegen de president, kon ondanks haar hondentrouw vertrekken wegens onvoldoende agressie. Blanches benoeming liep nog bijna vast op het zogenoemde slush fund: 1,8 miljard dollar voor veronderstelde slachtoffers van ‘government lawfare’. Deze zaak was door Blanche gepromoot, in combinatie met een belastingdeal waarbij Trump en zijn familie zich niet meer druk hoefden te maken over mogelijke audits. De Republikeinse senatoren die geloofden dat deze deals nu voorgoed van de baan zijn kun je blijkbaar alles wijsmaken.

President Trump is niet de eerste die een meegaande, op zijn behoeften afgestemde minister wenst. John F. Kennedy benoemde zijn broer Robert als minister van Justitie. Dat had voordelen bij confrontaties met zuidelijke gouverneurs over segregatie en schendingen van de burgerrechten: Robert sprak namens de president. Het maakte het gemakkelijker om contact te houden met Marten Luther King en de burgerrechtenbeweging. Het weerhield Robert Kennedy er overigens niet van King te laten afluisteren door de FBI, een onderdeel van het ministerie van Justitie.

Richard Nixon benoemde zijn vriend en huisjurist John Mitchell tot minister van Justitie, vergezeld van een verzoek aan FBI-directeur Edgar Hoover om af te zien van een achtergrondsonderzoek. Mitchell eindigde in het gevang vanwege zijn rol in het Watergate schandaal. Hij werd in mei 1973 opgevolgd door de onbesmette Elliot Richardson die op zijn beurt beroemd werd door de Saturday Night Massacre, een historische confrontatie tussen de uitvoerende macht en het ministerie van Justitie als handhaver van de rechtsstaat. Nixon eiste dat zijn minister de speciale onderzoeker naar Watergate, Archibald Cox, zou ontslaan nadat die een een dagvaarding had doen uitgaan om om de bandopnames te verkrijgen die tot Nixons ondergang zouden lijden. Richardson weigerde, net als zijn onderminister William Ruckelshaus. Uiteindelijk was de derde man, Robert Bork, bereid Cox te ontslaan, maar Bork liet weten dat hij onmiddellijk zelf ontslag zou nemen. Op verzoek van de anderen bleef Bork uiteindelijk aan om het ministerie te beschermen tegen verdere aanvallen van de uitvoerende macht. Misschien is het goed hier nog even te memoreren dat vicepresident Vance onlangs opperde dat vandaag de dag Watergate nauwelijks een rimpeltje zou veroorzaken. Het probleem: hij heeft gelijk.

Nixon ging uiteindelijk toch ten onder in Watergate en sindsdien was het de norm dat het ministerie van Justitie op enige afstand moet staan van de president. Daar werd al aan gemorreld onder president Reagan, die zijn Californische vriend William French Smith benoemde als Attorney General. In zijn tweede termijn zette Reagan Edwin Meese, zijn trouwe adviseur in het Witte Huis, op deze post. Meese zat er toen het Iran-Contra schandaal aan het licht kwam, maar ontsnapte aan vervolging voor zijn rol (net als George Bush, de oude). George W. Bush benoemde in zijn ongelukkige tweede termijn Alberto Gonzalez, die tijdens de eerste termijn zijn raadsman was geweest. Gonzalez hield het niet lang vol, het Congres verlangde zijn ontslag. Er lijkt sprake van een patroon: sinds Kennedy hebben alleen Democratische presidenten de afstand met het ministerie weten te bewaren.

Trump heeft overal lak aan. Hij meent dat de regering-Biden hem onterecht vervolgde, weaponized the law, en ziet er geen been in om nu wraak te nemen door zelf Jan en Alleman die hem niet bevalt te vervolgen. En inmiddels heeft Trump het ministerie zodanig naar zijn wensen gesmeed dat Richard Nixon een kleine krabbelaar lijkt. Stuurde Nixon nog de belastingdienst op vermeende vijanden af, Trump eist simpelweg dat de minister zijn vijanden vervolgt en zaken tegen bevriende wetsovertreders laat vallen, dit laatste vaak na een bijdrage in zijn campagnekas of aan zijn bouwwerken. Het ministerie doet als bevolen.

De schade is groot en zal moeilijk te repareren zijn. De afdeling burgerrechten is uitgekleed. Witte boorden criminaliteit wordt niet meer vervolgd. Duizenden juristen zijn ontslagen of vertrokken. Trump heeft zichzelf en zijn familie vrijgesteld van belastingcontroles, en wil nog steeds een fonds van 1,8 miljard dollar voor veronderstelde ‘slachtoffers’ van ‘government lawfare’ noemde, inclusief de veroordeelde aanvallers van het Capitool die hij gratie verleende.

De FBI, onderdeel van het ministerie, wordt gerund door een incompetente zeloot met een hang naar luxe uitstapjes met zijn zingende vriendin. Beleidsmatig presenteert de pathetische Kash Patel zich als een trouwe marionet van de president, diens opdrachten uitvoerend al voor ze gegeven zijn. Agenten die ook maar iets te maken hadden met het onderzoek naar Trumps poging tot staatsgreep op 6 januari 2021 of anderszins naar de president en diens handlangers, zijn ontslagen. De activiteiten van het bureau zijn verlegd naar immigratie. Rechts extremisme wordt niet meer gevolgd. Expertise gaat verloren.

Het ministerie heeft nu moeite vacatures te vullen. Veel juristen vertrekken naar beter betalende banen in de privé sector nu een paar jaar op Justitie geen extra aanbeveling zijn voor hun carrière – integendeel zelfs. Openbare aanklagers, banen waarvoor je slimme mensen nodig hebt die bereid zijn te werken voor overheidslonen, zijn massaal vertrokken omdat ze soms onzinnige aanklachten moesten indienen. Ze schaamden zich voor de zwakte van veel zaken. Justitie werft nu direct op de universiteiten en biedt zelfs tekenbonussen.

Vertrouwen in de rechtsstaat is geschaad. Rechters vragen meer en meer verklaringen en bewijsmateriaal om te kunnen vaststellen of de claims van de overheid wel waar zijn. Ze dreigen zelfs met sancties als de overheidsjuristen de zaak vertroebelen of niet meewerken. Een aantal van door Trump naar voren geschoven ongeschikte openbare aanklagers zijn door de rechters afgewezen. Dat biedt hoop maar of het systeem overeind zal blijven onder het sloopwerk van Blanche en Trump, en mogelijk een opvolger als JD Vance, staat zeer te bezien.

Where evil meets evil

Een overpeinzing

Een aantal van de meest verwerpelijke types in de internationale politiek zoeken elkaar op in confrontatie in het Midden Oosten. Het kan nog uit de hand lopen maar als het adagium houdt uw vijand niet tegen als hij zichzelf probeert op te knopen iets waard is, dan zien we in die ongelukkige regio een prachtige show. We hebben daar geen vrienden, dat moet ons duidelijk zijn. Ik vraag me zelfs af of we er belangen hebben, afgezien van voorkomen dat autoritaire zelfingenomen heren de wereld in brand steken.

De grafdelver van Israël, Benjamin Nethanyahu, zet zijn tanden in Erdogan, die van het zwaar bevochten democratisch Turkije weer een autoritaire staat maakte, waar journalisten en politici worden opgesloten. De religieuze fanaten in Iran hangen als boksers in de elfde ronde om de nek van de blatende, mentaal gehandicapte vijand van de Amerikaanse democratie. Ze bombarderen elkaar, als het niet met bommen is dan met woorden. Laten we zeggen, ze verdienen elkaar, al mogen we mededogen hebben met de arme Iraanse bevolking. Trump spiegelde hen een nieuwe wereld voor, in plaats daarvan kregen ze ellende. De les is pijnlijk: wie op Trump vertrouwt komt altijd bedrogen uit.

Arabische moordenaars en corrumpeerders van alles wat ooit mooi was (kunst en voetbal, om maar iets te noemen) proberen zich de malloot in Washington, die ze eerst miljarden dollars rijker maakten, van het lijf te houden. Namens hen, althans dat zegt hij, maakt hij de regio nog onveiliger dan hij al was. In Egypte zit een brute dictator. In Syrië bombardeert Israël er op los, Libanon hebben ze al kapot gemaakt. Wie dacht dat de Balkan ooit een moeras was, zo’n regio met historische conflicten waar je maar beter een hek om kunt zetten om het ze zelf te laten uitvechten, ziet het kwadraat ervan in het Midden Oosten. Obama probeerde ervan af te komen, Trump is er weer met beide voeten ingesprongen. Het Midden Oosten, Israël, is voor Amerika een tar baby, zo’n kleverige pop waar je als hem aanraakt je handen niet meer vanaf kunt halen.

Democratic socialists in the picture

Het lijdt geen twijfel dat Democratische kiezers, of in elk geval een flink deel van hen, genoeg hebben van de gevestigde orde, of in elk geval van de traditionele, het midden opzoekende politici. Opeens praat iedereen over democratisch socialisme en kiezers stemmen op politici die onder die vlag varen, voorop de nieuwe burgemeester van New York, de populaire Zohran Mamdani. Hun radicalisme valt nogal mee: in Europese termen gaat het over gematigde sociaal democraten. 

Los van de niet opmerkelijke inhoudelijke aspecten – kosten van levensonderhoud, woningen, redelijk betalende banen en afkeer van zinloze oorlogen – roept het de vraag op waarom er in Amerika geen echte sociaal democratische partij is. Ooit was er een socialist die landelijk gezien in de bus blies: Eugene Debs haalde in 1912 zes procent van de stemmen. In 1920 moest deze fascinerende man vanuit de gevangenis kandideren omdat hij wegens zijn pacifisme door de regering-Wilson was aangeklaagd en veroordeeld. Bij deze laatste van zijn vijf kandidaturen voor het presidentschap haalde hij nog maar drie procent van de stemmen. Daarna heeft socialisme of democratic socialism nooit serieus meegespeeld in presidentsverkiezingen. Er waren wel progressieven maar die worden in Amerika worden meestal liberals genoemd.

De vraag blijft waarom eind negentiende eeuw overal in de geïndustrialiseerde wereld socialisme opkwam behalve in de Verenigde Staten. De klassieke analyse van dit fenomeen door Werner Sombart, zijn Why There is No Socialism in the United States, daterend uit 1906, blijft een mooi, klein meesterwerk – oorspronkelijk verschenen in het Duits. Er valt genoeg af te dingen op zijn analyse, maar het blijft historisch een interessant werk. Sombart gaf de aanzet tot de studie van Amerikaans exceptionalisme, later door politicologen als Seymour Lipset verder uitgewerkt.

Werner Sombart was een prominent Duits socioloog, die in 1904 uitgebreid de Verenigde Staten bezocht. Uiteraard is zijn boek gedateerd, maar zijn observaties blijven interessant. Hij vroeg zich af waarom het socialisme in Amerika niet doorbrak, terwijl de ‘objectieve voorwaarden’ daarvoor wel degelijk aanwezig waren. Sombarts belangrijkste stelling was dat Amerikaanse arbeiders niet vijandig stonden tegenover kapitalisme an sich. Velen van hen waren immigranten uit een gepolariseerd en verpauperd Europa, ze konden hun leven in de VS vergelijken met wat ze hadden achtergelaten. En ze waren er niet ontevreden mee. 

Daarnaast had de arbeider een min of meer positieve houding tegenover het Amerikaanse politieke systeem, oftewel, er werd niet geroepen om revoluties, veeleer om verkiezingen. Sinds president Jackson (1829-1837) was was het kiesrecht aanmerkelijk uitgebreid en de blanke arbeider had niet het gevoel buitengesloten te zijn. Binnen dat systeem was het echter uitzonderlijk moeilijk om een derde partij tot wasdom te laten komen. De twee partijen die sinds 1856 domineren, zijn en waren bijzonder goed in het absorberen van agenda’s van randgroepen en potentiële derde partijen, voldoende om de scherpe kantjes weg te nemen. Geen wonder dan ook dat de huidige democratic socialists liever opereren als een soort van actiegroep binnen de Democratische Partij, iets wat Bernie Sanders overigens al meer dan tien jaar doet. 

Een andere overweging, niet zozeer van Sombart maar historisch gezien, is dat de partijen als het erop aankwam wel degelijk beleid op de randen opzochten. In Sombarts tijd was het Theodore Roosevelt die een eerste bijsturing van het rauwe Amerikaanse industriële systeem realiseerde. De New Deal van Democraat Franklin D. Roosevelt schiep tijdens de Grote Depressie een soort van verzorgingsstaat, verder uitgebreid in Lyndon Johnsons Great Society in de jaren zestig.

Fascinerend gegeven de huidige ontwikkeling waarin kiezers zich steeds meer voelen buitengesloten, was Sombarts stelling dat Amerikaanse arbeiders feitelijk werden gecoöpteerd in het systeem doordat ze van de vruchten ervan profiteerden. De werkende klasse kreeg quasi-middenklasse overtuigingen. Cru gezegd in marxistische termen: er was onvoldoende Verelendung en te veel vals klassenbewustzijn. Arbeiders konden altijd hopen op verbetering.

Opwaartse mobiliteit nam in Sombarts boek slechts één paragraaf in maar juist het argument dat de krantenjongen miljonair kon worden, heeft tot veel latere studies geleid. De socioloog Ralph Dahrendorf noemde het ‘het kardinale punt in Sombarts briljante essay’. Lipset werkte het uit door te betogen dat in het algemeen de Amerikaanse samenleving meer open was dan de Europese. Sombart was sceptischer: hij beperkte zich tot de vaststelling dat dit vooral leidde tot het afzwakken van arbeidersbewustzijn. 

Ten slotte kwam Sombart met het frontier-argument. De arbeider die het niet beviel, kon gewoon verder trekken, ergens anders heengaan, ‘om te ontsnappen naar de vrijheid’. In de laatste alinea van zijn boek voorspelde Sombart dat al deze factoren ooit in hun tegendeel zouden verkeren en dat er dan wel degelijk socialisme zou kunnen ontstaan in de VS. 

Post-Sombart kun je natuurlijk vaststellen dat Amerika zijn eigen sociaal democratische ontwikkeling heeft doorgemaakt. Niet ideologisch maar pragmatisch, in de vorm van de New Deal en niet geleid door socialisten maar door Democraten en zo nu en dan ook door Republikeinen met visie. 

Het is vervreemdend om Sombart te herlezen nu er een president aan het bewind is die de jaren negentig van de negentiende eeuw als Amerika’s beste tijd ziet. Vervreemdend maar ook verhelderend. Want al die omstandigheden die Sombart aanvoerde waarom socialisme in Amerika niet van de grond kwam, zijn verminderd of niet meer relevant. Amerikanen zijn niet meer optimistisch, zijn altijd bang voor een ziekte of andere crisis, zien het sociaal vangnet ontrafeld door corrupte politici die nauw samenwerken met puissant rijke ondernemers. En de mobiliteit, zowel sociaal als geografisch, is minimaal.

Zou socialisme nu wel een kans krijgen, vraag je je af? Het blijft onwaarschijnlijk maar als je leest dat een meerderheid van de Amerikaanse jongeren wel oren heeft naar iets dat socialisme heet, moet je het niet uitsluiten. Of in elk geval niet een sociaal democratische variant die in Europese ogen weinig radicaals heeft. Zeker is dat die liefhebber van de jaren 1890, Donald Trump, het niet heeft begrepen als hij waarschuwt voor ‘communisme dat overal gefaald heeft’. Daarmee maakt hij die ontevreden kiezers niet meer bang. Het zou ironisch zijn als Trumps onverschilligheid en historische onbenulligheid een vorm van progressief beleid in het zadel kan helpen.

Wie overspeelt er nu weer zijn hand?

In elke oorlog keren kansen, komen er momenten dat een van de partijen een steek laat vallen of zijn hand overspeelt. Ik heb het gevoel dat Iran op zo’n punt is aangeland. Tot nu wist het land zich met succes te verzetten tegen Trumps eigen dumbo-moment, dat waarin hij dacht in een paar dagen Iran op de knieën te krijgen. Over momenten gesproken: Trump liet zich overhalen door Israëls tot de ondergang voerende premier Nethanyahu tot een uitstapje naar Iran. Hij negeerde zowat iedereen in zijn staf die meende dat wat Nethanyahu Trump wijsmaakte bullshit was en liet zich meevoeren.

Dat de Golf van Hormuz een probleem zou kunnen zijn werd niet onderkend (dat valt moeilijk te geloven) of niet belangrijk geacht. Een quickie, dacht de grote leider in Washington. We deden het met Venzuela, we doen het met Iran.

Dat het wegblazen van de totale leiding van een land waarmee je formeel niet in oorlog bent (er werd zelfs nog onderhandeld, net als trouwens bij de vorige ronde – geen wonder dat Iran Amerika niet vertrouwt) acceptabel beleid is, is in de Amerikaanse context niet eens ter discussie gesteld. Je doet dat gewoon. Er was ooit een ban op moorden door de Amerikaanse overheid, ingesteld na misdragingen van de CIA. In dit geval deden de Israelis, inmiddels Amerika’s minst geliefde vriend, het vuile werk, maar het was gewoon een moord met medeplichtigheid van Amerika. Het resultaat zou het allemaal rechtvaardigingen.

Enfin, zes maanden later zwabbert Trump alle kanten op, lijden de wereld en Amerikaanse burgers onder de gevolgen van zijn beleid, en is het einde van de oorlog nog niet in zicht. Sterker, er verschijnen steeds meer alarmerende analyses die de uitbreiding van deze oorlog koppelen aan Oekraïne, Rusland en China, en risico’s zien voor een wereldoorlog. De Amerikaanse Senaat, steeds bereid om zich te plooien naar de president, heeft hem niet tot de orde geroepen. Ook hier ging een post-Nixon regel, de War Powers Act, het raam uit.

Toen ik gisteren de koppen zag over nieuwe Iraanse voorwaarden, nadat Trump al een hele climb down had moeten maken nadat hij nog maar een week geleden de allerzwaarste bombardementen aankondigde, bekroop met het gevoel dat nu Iran zijn dumbo-moment meemaakte. Een uitzonderlijk sterke hand die je moet gebruiken om zo goed mogelijke voorwaarden voor een einde van de oorlog te bewerkstelligen, maar dan moet je het wel behapbaar blijven voor de kleine geesten in Washington. Geef Trump een veer om in zijn reet te steken, geef hem iets, al is het nog zo klein om zichzelf wijs te maken dat de oorlog een succes was, en hij gaat zich weer honderd procent bezig houden met het verfraaien van Washington en het verder zelfverrijken.

Ik hoop dat ik ongelijk heb. Dat het niet Iran is die nu zijn hand overspeelt.

In deze context wijs ik de geïnteresseerd lezer graag op een artikel in Foreign Affairs, het vakblad voor de wereld van Internationale Relaties. Deze warme dagen boden een gelegenheid om een achterstallige stapel Foreign Affairs weg te werken. Bijzonder interessante artikelen, onder andere een nu geleidelijk aan absurd optimistisch ogend verhaal van twee Israelische Nethanyahu-adviseurs dat een aardig inzicht geeft in het wensdenken dat daar plaats heeft.

Een fascinerend verhaal dat eruit sprong ging over chokepoints, een onderwerp dat toevallig ook afgelopen zaterdag werd aangeroerd door de beste columniste van de NRC, Carolien Gruyters. Zij verwees naar het boek Chokepoints: American Power in the Age of Economic Warfare van Edward Fishman. De korte versie van dit boek stond in een recente Foreign Affairs. Fishman legt uit wat chokepoints zijn, aan welke voorwaarden ze moeten voldoen, wat je eraan hebt, hoe je ze kunt uitspelen. Denk aan Straat van Hormuz, denk zeldzame metalen, NVDIA chips, de dollar als wereldvaluta.

Echte chokepoints, zegt Fishman, hebben drie eigenschappen. Een enkel land of een coalitie van landen bezit een dominant, geconcentreerd marktaandeel. Er zijn geen vervangingsmiddelen voor, in elk geval niet op de korte termijn. En het land of de coalitie kan zijn positie als wapen gebruiken op manieren die een asymmetrische druk opleggen, daarmee serieuze pijn toebrengend aan het doelwit met minimale schade voor henzelf.

De Straat van Hormuz is een heerlijk voorbeeld. Het blijft ongelooflijk dat de Amerikanen niet hebben gezien hoe dit zou kunnen uitpakken.

De Gruyter citeerde Fishman vanwege zijn betoog dat nu supermachten tegenover elkaar staan het idee verdwijnt dat er mondiaal afspraken zijn die gelden voor zowel de groten als de kleinen. ‘Als één grote de regels gaat ombuigen en daarbij over de kleineren heenwalst, gaat iedereen zich indekken – door te proberen minder afhankelijk van anderen te worden. Met zijn handelstarieven lokte Trump wereldwijd protectionisme uit.’, schrijft De Gruyter. Ze schrijft het in de context van de kippendrift (Yesulgoz weer vol op het orgel) over Cueta, maar ik kan het hele verhaal aanbevelen – choking points zullen nog vaak terugkomen, al of niet zo benoemd.

Nu ik toch bezig ben: lees ook het artikel over Taiwan, en zie waarom het onwaarschijnlijk is dat China het land aanvalt of in elk geval de zorgen daarover sterk overdreven zijn. Dennis Blair legt uit hoe China Taiwan zou kunnen benaderen en waarom er vooralsnog geen reden is voor paniek, hij vindt het idee dat China een militaire voorsprong zou hebben die dit gemakkelijk zou maken, overdreven. Lees het en inderdaad, het lijkt een stuk minder waarschijnlijk dat Xi zijn kansen zou wagen op een manier die tot succes zou kunnen leiden.

En als u dit soort artikelen interessant vindt, neem een abonnement. Voor 40 dollar heeft u een ongekend inzicht in wat de denkers op dit terrein hebben te melden.

Andere boeken die ik deze zomer las – just for the heck of it:

toevallig ook over Taiwan de winnaar van de Booker Prize:

Taiwan Travelogue door Yang Shuang-zi

Een ingenieus verhaal van een Japanse schrijfster die in 1938 een jaar in Taiwan verblijft, al een jaar of vijftig een kolonie van Japan. Ze krijgt gezelschap van een Taiwanese die de vertalingen doet en haar reis organiseert. Veel draait om voedsel en genieten.

De verteller zoekt vriendschap, misschien meer, met de vertaalster. Het thema is patroniseren. Denken dat je iemand in bescherming moet nemen, zonder dat die iemand daar om gevraagd heeft. De koloniale verhouding vindt zijn spiegel in de verhouding tussen de twee vrouwen.

Daarmee overstijgt het boek zijn Taiwan thema tot iets intermenselijks. Patroniseren kan onopzettelijk gebeuren en wel degelijk door de ‘beschermde partij’ als offensief worden ervaren. Een absolute aanrader. En dan heb ik nog niet eens over de intrigerende opzet: het zou een vertaling zijn van een herontdekte tekst door een Japanse schrijfster, met aantekeningen van de vertaalster in het Mandarijn en later in het Engels. Fascinerend. Een sensatie sinds de schrijfster en de vertaalster de Booker International Prize 2026 wonnen.

De zwevende wereld. De verbonden levens van Franz von Siebold en Kusumoto Oine door Annejet van der Zijl

Annejet van der Zijl is een van Nederlands favoriete schrijfsters. Elk boek is een bestseller nog voordat iemand een woord heeft gelezen, voordat er besproken is. Ik ben al een tijdje niet meer onder de indruk. Laat ik me beperken tot dit boek, dat zou gaan over Franz Von Siebold die zes jaar doorbracht in Dejima, de Nederlandse handelskolonie voor de kust van Nagasaki, begin negentiende eeuw het enige toegangspunt tot het van de wereld afgesloten Japan. Von Siebold bracht medische kennis naar Japan, en planten en botanische wijsheid naar Europa, ook al waren de uitstapjes naar het echte Japan beperkt.

Ik ga vaak naar het Siebold Huis in Leiden, ik was in Dejima, het kunstmatige eiland bij Nagasaki waar het verhaal van Siebold en het verhaal in dit boek zich afspeelt (nou ja, een deel van het verhaal). Wat mij betreft is het boek een mislukking. Het is saai geschreven, brengt de hoofdpersoon niet echt tot leven en ik heb het gevoel dat Van der Zijl op een gegeven moment heel veel tijd en energie in dit onderwerp had gestoken maar er geen acceptabel boekwerk van kon maken en het daarom heeft opgedikt met een geschiedenis van Japan.

Geen succes. Een kleinigheid (niet echt, want ook De Amerikaanse Prinses zat vol fouten) is dat het boek verkondigt dat de Amerikaanse onafhankelijkheid plaatshad in 1783. En, nog kleiner, er werd niet goud gevonden in Californië in 1849 maar in 1848 – de Gold Rush was in 1849). Het lijkt triviaal maar is er echt niemand bij haar uitgever die daarop heeft aangeslagen? Geen editor bij de hand? Kun je de rest van haar informatie vertrouwen? Als het je zou interesseren?

De geschiedenis van Dejima is veel mooier vertelt in meeslepende fictie door David Mitchell in The Thousand Autumns of Jacob de Zoet (In het Nederlands de Niet verhoorde gebeden). Pak liever dat boek.

De wisselwachter door Geert Mak

Geert Mak is ooit begonnen, denk ik, aan een boek over Harry Hopkins (misschien een PhD project, gezien zijn bibliotheek werk). Hij eindigde met een boek over de Roosevelts, specifiek het Witte Huis onder Franklin en Eleanor. Hopkins figureert eigenlijk vooral op de zijlijn, want Mak spreidt alle aantekeningen die hij uit de honderden biografieën van de Roosevelt groep heeft gelezen breed uit, vooral in verhalen over de sfeer in dat Witte Huis.De basis ervoor zijn de vele honderden biografieën over personen uit deze periode. We zien soms meer van Eleanor dan van Harry.

Er zullen vast liefhebbers voor zijn, de petit details geschiedenis, wat mij betreft is het een obese project. Wat is dat toch met die vuistdikke boeken waarvan je merkt dat ze gewoon slecht geëdit zijn? Los van dit inmiddels veelvoorkomende probleem vond ik het irritant dat Mak zichzelf erin schreef, gesprekken met kleinkinderen, archiefmateriaal waarvan hij meent niemand er ooit naar heeft gekeken (wat ik me van het materiaal van Lorena Hickok, Eleanors vriendin en mogelijk lover, niet kan voorstellen). Hij lijkt de indruk te willen wekken dat hij onderzoek heeft gedaan naar een braakliggend terrein – terwijl er over weinig historische periodes meer is geschreven.

Ik zag bij besprekingen dat Mak zo mooi huidige ontwikkelingen laat spiegelen in de jaren dertig en begin veertig. ik zag het niet zo. Er zijn te veel fantastische boeken over deze jaren en deze mensen om erg onder de indruk te zijn van de doctoraalscriptie die student Mak erover heeft geschreven. Ik weet het,er zijn liefhebbers voor, en ik hoop dat ze vinden wat ze hoopten te vinden. Mij viel het vooral tegen.

Bereid u voor op het Democratische gezicht in 2028

Ook al is het goed mogelijk dat ze in november de tussentijdse verkiezingen winnen, in veel opzichten lijkt de Democratische Partij een puinhoop. De analyse van de desastreuze nederlaag in 2024 stelde geen harde vragen en ontliep verantwoordelijkheden. De partij heeft geen leiders, een tekort aan fondsen, geen programma en de helft van de partij heeft nachtmerries over de dreiging van de progressieve vleugel die zich democratisch socialistisch noemt. Zorgwekkend, zeker, maar het zegt helemaal niets over de mate waarin de Democraten in 2028 het Witte Huis zouden kunnen heroveren.

Die kans is hoog en dat te zeggen is geen roekeloos optimisme. Ga maar na, alles wat hierboven staat, gold in 2015 voor de Republikeinse Partij. Ook toen al geen gebrek aan onzinnige ideeën en in dit geval reactionaire praat. Er waren gevestigde namen die president Obama wilden opvolgen. Marco Rubio, Lyndsey Graham en Jeb Bush, zoon van, waren de bekendste. En erger nog, in die tijd moesten de Republikeinen rekening houden met een sterke Democratische tegenstander, de toen nog winnend geachte Hillary Clinton. Trump veroverde de nominatie en iedereen dacht dat het daarmee wel bekeken was. We weten hoe het afliep.

In het Amerikaanse systeem krijgt een partij pas een gezicht als als er een persoon is die de partij vertegenwoordigt. Daar ontbreekt het aan bij de Democraten, maar na de verkiezingen van november gaat dat snel veranderen. Dan zullen de kandidaten om dat gezicht te worden over elkaar heen buitelen. Het is niets te vroeg om vast eens te kijken welke kant dat op kan gaan.

Drie Democraten hebben de afgelopen twee jaar nieuws gemaakt, maar geen van drieën zijn ze serieus te nemen. Kamala Harris, de treurige verliezer in 2024, schijnt nog steeds te denken dat ze in aanmerking komt. Ze leeft in dromenland. De andere prominente vrouw in de partij is Alexandra Ocasio-Cortez, bekend als AOC. Zij is populair bij links, intelligent en een sluwe politica, allemaal redenen waarom ze wel zal wachten om zichzelf nu te kandideren. Ze zal in 2028 proberen de senaatszetel van New York te veroveren op de onpopulaire en zeer bejaarde Chuck Schumer. En dan is er de man die zichzelf al in 2025 naar voren schoof: Gavin Newsom, de gouverneur van Californië. Over zijn anti-Trump campagne valt veel te zeggen, maar nog los van Newsoms karakterologische defecten, is het onwaarschijnlijk dat Amerikanen zich zullen laten inspireren door Californië. Zet Newsom maar bij de verliezers.

Van de anderen is Pete Buttigieg landelijk gezien de meest bekende. Hij brak door in 2020 tot de Biden-machine hem afstopte. Hij maakte, en maakt nog steeds, indruk als iemand die welsprekend een serieuze Democratische boodschap over weet te brengen. In de regering-Biden was hij minister van Transport, een belangrijke aanvulling op zijn CV dat tot dan toe enkel burgemeester van een middelgrote stad bevatte. Sindsdien is hij getrouwd met zijn mannelijke partner, hebben ze twee kinderen geadopteerd, en is hij verhuisd naar Michigan, een staat die voor Democraten belangrijk is. Buttigieg staat hoog in de peilingen maar dat is vooral een weergave van zijn naamsbekendheid. De vraag is of hij zijn jonge gezin aan een campagne wil onderwerpen waarin gay-bashing onontkoombaar zal zijn.

Een interessante kandidaat die zichzelf de afgelopen maanden naar voren schoof is Ralph Emanuel, voormalig chef staf van Obama en daarna burgemeester van Chicago en ambassadeur in Japan. Hij loopt al rond in New Hampshire, ook al is dat niet meer de eerste staat met voorverkiezingen. Hij is geïnteresseerd en laat dat ook weten; hij biedt hoop op een inhoudelijke campagne. Als persoon staat hij bekend als een keiharde, onaangename politicus, misschien niet de beste campagnevoerder. Inhoudelijk neigt hij naar het veilige midden, is daardoor al gauw kleurloos.

Relatief oude bekenden zijn Democratische gouverneurs met veel bestuurservaring. Andy Beshear van Kentucky werd twee maal gekozen in een diep Republikeinse staat en kan betogen dat hij bruggen kan slaan. Een zuiderling zou de Democraten goed van pas komen. Ook gouverneur JB Pritzker van Illinois zit op het vinkentouw, maar als puissant rijke ondernemer is hij niet de meest voor de hand liggende kandidaat in een partij waarin democratisch socialisme (voor ons Europeanen gewoon sociaal democratie) populair is. De derde gouverneur is Josh Shapiro van Pennsylvania. Hij was in 2024 een van de mogelijke kandidaten voor het vicepresidentschap, het niet gekozen worden ging hem niet goed af. En, laten we er niet omheen draaien, de afkeer van Israël, niet uit antisemitisme maar gebaseerd op het veroordelen van Israelisch beleid, maakt het lastig voor een Joodse Amerikaan om succesvol campagne te voeren.

Een veelbelovende kandidaat die u vast niet kent is senator Jon Ossoff van Georgia. Hij vertegenwoordigt een belangrijke staat die Democraten moeten winnen, is jong en welsprekend. Hij moet nog wel in november herkozen worden als senator, maar als dat is gebeurd, zit hij vol in de race. Ossoff is een van die jonge, relatief onbekende kandidaten die, als Obama in 2007, ineens enthousiasme kan losmaken.

Senatoren krijgen altijd aandacht, en vinden zichzelf altijd presidentiabel, vandaar dat ook Cory Booker van New Jersey (ook kandidaat in 2020) en oud-astronaut Mark Kelly van Arizona vaak genoemd worden. Voorlopig zijn ze niet relevant.

Het is vroeg in de campagne voor 2028 en niemand is er al echt meer bezig, afgezien van de ambitieuze lieden hierboven. En, zult u zeggen, moet er niet eerst een programma op tafel liggen dat richting geeft aan een partij die in 2024 met lege handen achterbleef? De manier waarop Amerika werkt, is dat de personen de agenda gaan bepalen. Natuurlijk zijn daarin belangrijke onderwerpen relevant, zoals gezondheidszorg, pensioenen, woningen en een beschaafd buitenlands beleid. Maar dat komt pas aan bod als er personen zijn die daarover gaan praten. Handenwringen is de Democraten eigen. En inderdaad moeten eerst nog maar eens de tussentijdse verkiezingen van 4 november gewonnen worden. Maar deze Democraten staan in de startblokken zodra die winst binnen is.

Eerst mcConnell, nu Graham: bejaardenuitval.

Het is druk bij de poorten van de hel. Republikeinse politici verdringen zich. Net als je klaar bent met het voorbereiden van het overlijdensbericht van senator Mitch McConnell, van wie we niet weten of hij al of niet al dagen dood is, blijkt ook senator Lyndsey Graham het tijdelijke met het eeuwige gewisseld te hebben. Wellicht een wrede speling van het lot dat deze fans van de fossiele industrie tijdens een hittegolf onderuit gingen.

Wat beide heren kenmerkte maar zeker niet uniek maakte, is dat ze hun meningen en politieke standpunten moeiteloos aanpasten aan wat Donald Trump hen opdrong. Het is waar dat dit geldt voor veel Republikeinen, van minister van Buitenlandse Zaken oud-senator Marco Rubio tot vicepresident oud-senator JD Vance, maar Graham en McConnell sprongen er wel uit in hun slaafse volgzaamheid.

Van Graham, senator van South Carolina, weten we in elk geval dat hij dood is. In 2016 was deze man nog een tegenstander van Donald Trump bij de Republikeinse voorverkiezingen, net als Marco Rubio trouwens. Wat ze toen over Trump zeiden, hoorden ze later liever niet meer terug, maar het werd genadeloos uitgebuit door de latere president om hen keurig in de Republikeinse pas te laten lopen.

Lyndsey Graham had ooit een reputatie van weldenkend, enigszins agressief buitenlands politiek expert. Graham, ongetrouwd en een man van hechte mannenvriendschappen, was indertijd beste maatjes met John McCain, senator en in 2008 de verliezend presidentskandidaat van de Republikeinen. Beide heren waren trouwe Atlantici, waarbij Graham vaak McCains leiding volgde. McCain overleed in 2018 met zijn reputatie intact, onder meer door te weigeren zich door Trump te laten koeioneren. McCain was de senator die in 2018, vlak voor zijn dood, voorkwam dat Trump en zijn partij Obamacare de nek om draaiden. Een voorbeeld van politieke moed dat zijn dierbare collega Graham niet heeft kunnen evenaren.

Graham, een ongetrouwde man met een hang naar bromance, was daarna wat onthecht tot hij een nieuwe vriend ontdekte in president Trump. Hij ontpopte zich tot golfmaatje van de president en een onvermoeibaar supporter, altijd goed voor de verdediging van wat Trump ook maar deed. Na 6 januari 2021, na de aanval van de Trump-bende op het Capitool, toonde Graham zich kritisch maar dat duurde niet lang. Hij weigerde voor Trumps impeachment te stemmen en toen daardoor de oud-president een tweede kans kreeg, herstelde Graham zijn vriendschap met Trump. Als er iemand aan de kant stond te juichen bij Trumps oorlog met Iran was het Lyndsey Graham wel, een onversneden havik.

Senator Mitch McConnell, inmiddels al of niet overleden (zijn conditie wordt geheim gehouden), was invloedrijker. De man kon zijn afkeer van de persoon Donald Trump nauwelijks verbergen, hoewel hij een nog grotere hekel had aan president Obama van wie hij vastbesloten was een één termijn president te maken. Maar McConnell had zijn eigen Republikeinse agenda. Hij voorkwam in 2016 een serieus onderzoek naar de Russische invloed in Trumps campagne, hoewel de CIA een karrenvracht aan bewijs had. En hoewel ook Mcconnell Donald Trump direct verantwoordelijk hield voor de poging tot staatsgreep in 2021, weigerde hij zijn collega-senatoren te leiden in een impeachment. Daarmee redde hij de politieke carrière van Trump die zo in 2024 terug kon komen.

McConnells belangrijkste doelstelling was alle Republikeinse neuzen dezelfde kant op te houden, met of zonder Trump, en daar was hij goed in. Hij blokkeerde hoogstpersoonlijk Obama’s voordracht voor het Supreme Court in 2016, zodat Trump in 2017 een conservatief kon benoemen. In 2020 jaste hij er juist met onbetamelijke haast een benoeming door die Trump zijn derde rechter in het steeds conservatieve Hof verschafte.

De aanstaande (of verborgen) dood van McConnell zal meer en scherpere overlijdensberichten opleveren dan die van de opzichtig opportunistische Graham. Als langjarig meerderheidsleider had McConnell simpelweg grotere invloed op het reilen en zeilen van de Senaat en was daardoor ook invloedrijk tijdens de regering-Biden toen Lyndsey Graham eigenlijk aan de kant stond en zich in Mar a Largo en op de golfbaan zelden liet zien tot Trump zijn comeback had gemaakt.

De gevolgen van deze Republikeinse sterfgevallen zijn groter dan simpelweg het wegvallen van twee oude mannen. Beiden vertegenwoordigden stabiele Republikeinse staten en beide zetels waren open bij de verkiezingen van november. Graham was beschikbaar voor herverkiezing, McConnell had zijn terugtreden al aangekondigd. De kans dat de Democraten deze zetels veroveren, is echter minimaal.

Een direct probleem voor Trump en de door hem gedomineerde Republikeinse Partij is dat van de 53 zetels in de Senaat (van 100 leden) ze nu nog maar een meerderheid van 51 zetels hebben (met vicepresident Vance om te beslissen als de stemmen staken). Graham kan snel vervangen worden door de Republikeinse gouverneur van South Carolina, maar in Kentucky moet een tussentijdse verkiezing plaatsvinden, als McConnell inderdaad al dood blijkt. Gegeven de groeiende kritiek van twee of drie Republikeinen wordt het moeilijker voor hen om controversiële wetgeving erdoor te jassen of te voorkomen dat Trumps oorlogen worden stopgezet. Daarnaast zou het de verkiezingen in november kunnen beïnvloeden door een hogere Democratische opkomst, maar hoe dan ook zal het de zaken voor het komend halfjaar lamleggen.

Een interessant bijeffect is dat het de bejaarden die in Amerika de dienst uitmaken zich meer bewust zal maken van hun sterfelijkheid. Daat geldt voor beide partijen. Liefst 33 senatoren zijn ouder dan zeventig, onder wie Democraten als Bernie Sanders (84) en de Democratische leider Chuck Schumer (78). Bejaardheid en disconnectie met de gewone Amerikaan wordt steeds meer een onderwerp waarover kiezers zich druk maken – ook dit zou de opkomst kunnen beïnvloeden. Maar het zal ook die oude man in het Witte Huis, de 80-jarig Donald Trump die steeds meer de tekenen van zijn gevorderde leeftijd laat zien, zich meer bewust maken van zijn sterfelijkheid. De poorten van de hel staan wijd open. Ook voor de man die volgens Graham in 2016 nog een ‘jackass’ was, en ‘hondenfluitjes gebruikende racist’ was, ware woorden die door de opportunistische senator snel weer werden ingeslikt. Het zal eenzaam zijn op de golfbaan.

Recente boeken

De afgelopen weken had ik de tijd om mijn boekenstapel wat te verlagen. Een paar observaties over boeken die de moeite van het lezen waard zijn.

The Mission. The CIA in the 21st Century door Tim Weiner. The Mission: The CIA in the 21st Century: Weiner, Tim: 9780008606596 ...

Dit is een onthutsend, onthullend boek over Amerika’s ogen en oren in de wereld. Het verhaal van de regering Bush, inclusief vicepresident Dick Cheney met zijn parallelle nationale veiligheidsstructuur, is in grote lijnen bekend. De manier waarop ze in slaap sukkelden richting 9/11, ondanks de waarschuwingen. En de overreactie daarna. De leugens om van al Qaida naar een lang gekoesterde droom om Irak te ‘bevrijden’ (waarom eigenlijk – was het enkel de lobby van Chalabi, zo’n ‘nationalist’ die al dertig jaar niet meer in zijn land was geweest; waarschuwingen over de zoon van de Shah zijn op zijn plaats).

De oorlog in Irak die hopeloos fout liep, het niet in staat zijn te leren (zie Iran nu). De ‘oorlog tegen terrorisme’, leidend tot martelingen, dark sides en een sfeer van leugens en achterklap binnen de CIA. Goed om opnieuw te zien dat het een Republikein was, kleine Bush en zijn evil maatje Cheney in dit geval, die het Amerikaanse systeem corrumpeerde. Nou ja, goed. Het zijn dus Republikeinen die niet met macht kunnen omgaan, althans niet de verleiding kunnen weerstaan die te misbruiken. Ik moet ook weer aan Iran-Contra denken, al is dat niet deel van dit boek.

Weiner vertelt hoe de regering Obama probeerde de dienst weer op orde te brengen, en hoe de eerste regering Trump er opnieuw een zootje van maakte. Hij geeft de beste samenvatting die ik tot nu toe heb gezien van de Russia connection, de manipulatie van de verkiezingen van 2016 door Rusland. Ik blijf volhouden dat Hillary Clinton nooit kandidaat had moeten zijn en mede verantwoordelijk is voor Trump, maar als Poetin Trump niet had geholpen dan was ze gewoon president geworden. Trump weet het, voelt het, vandaar dat hij nog steeds dagelijks tegen de Russia hoax ageert.

De namen van Trumps handlangers, Kash Pathel voorop, de man die nu de FBI kapot maakt – door Trump gewenst als baas van de CIA. Degene die het wel werd, was niet veel beter. De CIA had altijd redelijk goede kennis over Rusland maar kon nooit begrijpen wat Trump had met Poetin. Weiner heeft maar een conclusie na alles wat hij gezien heeft: Trump wordt niet gemanipuleerd door Poetin, hij is overgestapt, hij is een Russische agent geworden.

De gebeurtenissen rond de poging tot staatsgreep na de verkiezingen van 2020, toen leger en CIA klaar stonden om te voorkomen dat Trump en zijn bende succes konden hebben. Weiner kan alleen nog de eerste paar maanden van de tweede regering meenemen. Alles wijst op een herhaling van de eerste regering, maar dan vastberadener en effictiever in de destructie. Een Rusland-fan die de inlichtingendiensten coördineerde, Tulsi Gabbard, en zich verlaagde tot het verdacht maken van de verkiezingen van 2020 in Georgia. En nu, een jaar nadat Weiner zijn boek afsloot, de benoeming van de incompetente Bill Pulte als acting director, met de opdracht om zolang als hij acting is (hij wordt nooit door de Senaat aanvaard) iedereen te ontslaan die in de ogen van Trump verdacht is.

Dit boek geeft je niet het vertrouwen dat het wel weer goed zal komen de VS. De CIA is maar één voorbeeld van een bureau dat kapot gemaakt is en door de Trump-bende gebruikt voor eigen doeleinden. Er zijn er nog zoveel meer. De regering-Trump is hopeloos gecompromitteerd, maar omdat de Amerikaanse burgers hem een tweede kans gaven en de bejaarde narcist alleen maar erger is geworden en de bende om hem heen nu precies weet wat ze moeten doen om hun macht te behouden, is nu het land zelf gecompromitteerd. We mogen blij zijn als er uberhaupt verkiezingen gehouden worden, het is nu al zeker dat ze gecompromitteerd zijn en dat de Trump-bende wel eens langer kon blijven dan de kiezers zouden wensen.

Rust Belt Union Blues. Why Working-Class Voters Are Turning Away from the Democratic Party door Lainey Newman and Theda Skocpol Rust Belt Union Blues: Why Working-Class Voters Are Turning Away from ...

Lezen over de teloorgang van vakbonden, Amerikaans of elders, is niemands favoriete tijdsbesteding. Maar dit mooie compacte boek met gedegen sociologisch onderzoek in West Pennsylvania, rondom Pittsburgh, over wat er gebeurde met de industrie daar, de hoge inkomens van laag opgeleide mensen, de gemeenschap die dat alles bood, is bijzonder informatie. U herinnert zich misschien Barack Obama die in een van zijn minder geslaagde opmerkingen, in Pennsylvania zei dat het gegeven wat opeenvolgende regering niet hadden gedaan, het niet verrassend was ‘they get bitter, they cling to guns or religion or antipathy toward people that are not like them’. Het was een domme opmerking, nog net zo dom als Hillary’s despicable people, maar verdomd, de kern was helemaal waar.

Dit boek laat zien hoe de gemeenschap van arbeiders, met allerlei organisaties waar mannen bij elkaar kwamen, lodges en vakbondslokalen, verdwenen met de industrie. Het was geen plotseling gebeuren: als correspondent in de jaren tachtig schreef ik al over Wheeling en andere staalfabrieken die de deuren sloten of nauwelijks konden overleven. Wat Newman en Skocpol is de vernietigende effecten ervan op de lokale gemeenschap in kaart brengen. In 2000 deed Robert Putnam dat in Bowling Alone voor heel Amerika, zij doen het voor een beperkter gebied maar kunnen daardoor dieper doordringen in wat verloren ging.

Het is een triest verhaal. Er zitten elementen in die ik niet kende of in elk geval niet goed door had. Zou heeft de NRA, de wapenlobby, sinds de jaren zeventig overal social clubs opgezet rondom guns. Toen de andere ontmoetingsplekken wegvielen, werden die NRA clubs wat vroeger de Union Halls waren. Hetzelfde geldt voor kerken. Er is een goede reden dat die sinds de jaren zeventig populair zijn geworden (een van de redenen): het werd de enige plek waar iets van een groepsgebeuren plaatsvond.

Obama wist niet half hoe gelijk hij had, al had hij het beter niet kunnen zeggen. Vaak wordt ook het eerste deel van het citaat weggelaten, waarin hij erkent dat opeenvolgende regeringen, van Clinton tot Bush, niets deden om deze mensen te helpen, al was het maar in de transitie naar een ander leven. Het drama van Obama is dat ook hij daar niet in slaagde. Skocpol heeft in ander werk uitgebreid geschreven over de Tea Party, de sterk racistisch geïnspireerde opstand tegen Amerika’s eerste zwarte president, zonder moeite omarmd door de Republikeinse Partij op weg naar Trump.

Kortom, een mooi boek dat eindigt in een pleidooi voor uitgaven voor community building. Vakbonden zouden best een tweede leven kunnen hebben – we zien pogingen om bij Bezos’ Amazon en bij Starbucks om vakbonden op te zetten. De paniekerige hardball die de werkgevers spelen om het te voorkomen vertelt wat we moeten weten: ze zien het als een bedreiging van hun ongebreideld winstbejag. En terecht.

Poverty by America door Matthew DesmondPoverty, by America: Desmond, Matthew: 9780593239919: Amazon.com: Books

Het blijft een pijnlijke waarheid voor Amerika dat het rijkste land van de wereld nog steeds zo’n 14 procent van zijn burgers (en een veel hoger percentage kinderen) onder de armoedegrens heeft. Dat dit land grotere ongelijkheid kent dat welk ander land dan ook. Dat het belastingsysteem vol zit met regels die de rijken voor zichzelf hebben geschreven waardoor zowel de ongelijkheid als de armoede groot blijven.

Desmonds boek zet het allemaal op een rijtje en probeert er een verhaal van te maken, meer dan een opeensomming van feiten en getallen. Een van de referenties is het boek van John Kenneth Galbraith, The Affluent Society, uit nota bene 1959, zogenaam de tijd dat Amerika nog great was. Zijn grootste zorg was dat privé vermogens aanzienlijk sneller stegen dan investeringen in publieke diensten zoals scholen, parken en sociale programma’s die een bodem bieden voor het dagelijks leven. Waar is de Galbraith van onze tijd? Of zijn we zo murw geworden dat we niet meer opkijken van Musk rijkdom of bankiers die de economie naar de filistijnen helpen, zoals in 2008, en daar alleen maar van profiteren? Geen licht voer maar noodzakelijk voor het perspectief, en goed geschreven.

America Last. The Right’s Century-Long Romance with
Foreign Dictators door Jacob HeilbrunAmerica Last: The Right's Century-Long Romance with Foreign Dictators ...

Heilbrun is een van de meer interessante buitenlandse politiek beschouwers. In dit boek vertelt hij hoe de Trumpie America first modus, de wens om een verlichte dictatuur te hebben die de ongeregelde massa in toom zou houden, al sinds het begin van de twintigste eeuw nadrukkelijk aanwezig was in Amerika. Er loopt een directe lijn van fans van keizer Wilhelm naar de fans van Orban en Trumps liefde voor Poetin. Van bewondering voor Hitler naar Franco en Pinochet.

Trump heeft er geen idee van, voor hem is het allemaal intuitief, maar de mensen om hem heen passen in deze traditie en zijn dichter hij hun ultieme doelstelling dan ooit.

C. Vann Woodward. America’s Historian door James CobbC. Vann Woodward: America's Historian

Het is fascinerend om deze biografie te lezen van een van Amerika’s bekendste historici. Woodward geniet bij het grote publiek enige bekendheid (nou ja, enige) door zijn mooie, compacte boekje The Strange Career of Jim Crow. Daarin liet hij zien, begin jaren vijftig, dat de Amerikaanse apartheid, de rassenscheiding in het Zuiden, niet een maatschappelijk fenomeen was dat altijd al bestond maar bewust in elkaar was gezet met wetgeving in de jaren 1880, 1890. Het hielp dat Woodward een vloeiende pen had. Alles wat hij schreef, leest lekker weg.

Er zijn allerlei kanttekeningen bij zijn academisch werk te zetten en dat is in de loop der jaren ook gebeurd. Misschien gaat het voor veel lezers te ver om de debatten binnen de historische gemeenschap te volgen – al is het interessant om te zien hoe Woodward als zuiderling erin slaagde om de rassenscheiding op historische conferenties in elk geval aan de kaak te stellen. Dat was nog behoorlijk moeilijk met racisten zoals professor Dunning die aan Columbia University een wel heel speciale versie van de zuidelijke geschiedenis oplepelden.

Woodward schreef mooie boeken zoals The Burden of Southern History en Future of the Past. Na zijn eerste boek The Origins of the New South, ook omstreden, produceerde hij nooit grote historische werken. Gedurende dertig jaar was hij, met Hofstadter, de editor voor de gigantische Oxford History of the United States. Ik heb alle delen daarvan in de kast staan en meer dan dat, gelezen en herhaaldelijk geraadpleegd. Maar hoe moeilijk is het om zo’n serie voor elkaar te krijgen. Amerikaanse boeken hebben onder alle omstandigheden een lange productietijd, maar hier moest je auteurs jaren na het afsluiten van een contract nog achter de broek zitten.

Dit is een boek voor liefhebbers.