‘Eerlijker en fatsoenlijker’: de armoede van de Nederlandse politiek

Ploumen stelde wel heel erg teleur in Buitenhof, gisteren. Gerommel aan de marge, eerlijker en fatsoenlijker, minimumloon. Het woord sociaal democratie viel niet. Visie was niet te bespeuren. Gisteren was het Ploumen, maar het is een probleem van de Nederlandse politiek. Welke partij heeft nog een visie, een analyse van de samenleving met daarop gebaseerd beginselen en weer daarop een programma? Het is niet veel meer dan een schroefje aandraaien hier, een tandje anders daar. Poppetjes bepalen de keuze, niet een beeld van de samenleving. Al die kieswijzers en stemvoordeuren maken dat alleen maar erger. Iedereen moet ergens wat over vinden maar wat vinden ze van het geheel? Van de samenleving? We verdienen de fröbelaar Rutte die ons kon wijsmaken dat we intelligent zijn.

Om redenen die er hier niet toe doen herlas ik onlangs de essays van Bart Tromp. Het is in vele opzichten inspirerend en in andere opzichten deprimerend. Dit laatste niet omdat Tromp teleurstelt, dat doet hij nooit. Maar met name in zijn bijdragen over de PvdA, onder andere in Het socialisme als een loden bal, en de vraag of de partij een beginselprogramma nodig heeft, is pijnlijk goed te zien hoe het kwam dat de problemen van de Nederlandse sociaal democratie zo groot zijn geworden dat het niets eens mag meedoen aan de verkiezingsdebatten.

Hoewel sommige gevechten eindeloos gevoerd worden, wil ik niet te lang ingaan op de chaotische vorm die de partij begin jaren 1990 had aangenomen. Felix Rottenberg en Ruud Vreeman zouden een mooie voorzitter strijd gaan uitvechten over de richting van de partij. In een cop out, sloten ze een pact en werden duo-voorzitter. Geen van beide heren had organisatorisch of inhoudelijk veel te bieden, hoewel Rottenberg altijd de aura heeft blijven houden van een vernieuwer en toekomstdenker. Als lid merkte ik daar toen al weinig van – van de vernieuwing dan, de chaos was groot genoeg. Wat ik me herinner is een wekelijkse fax en een persoonlijk gesprek met Rottenberg (over de Eerste Kamer), waarin hij beloofde later nog contact te zullen opnemen. Nooit meer iets van gehoord, en ik weet dat veel leden die ervaring hadden.

Toen Wim Kok, na afschudden van ideologische veren zonder daarvoor iets in de plaats te zetten, kon gaan regeren met paars, sneeuwde kritiek op de inhoudelijke kant van de partij weer onder. Het was Pim Fortuyn, de joker die vooral dwars kon denken, die de kritiek op de verzorgingsstaat formuleerde, terwijl de PvdA dat had moeten doen. Ad Melkert was de schlemiel, Wouter Bos daarna de vleesgeworden pragmaat, iemand met een hekel aan visie.

Lang verhaal kort: de deelname aan Rutte II, in 2012, was mede het gevolg van het ontbreken van diep denken in de PvdA. Of beter gezegd, het negeren van stromingen die waarschuwden dat een bezuinigingsbeleid na de crisis van 2008 heilloos en gevaarlijk zou zijn. De PvdA werd meegezogen in de door de VVD bepaalde hoofdstroom van neoliberaal afbraakbeleid, en betaalde daarvoor in 2017 de electorale prijs. Ik heb de afgelopen jaren weinig interessants gezien dat op het conto van de PvdA kon worden geschreven. Geen denken, geen actie, en een op zijn best adequate oppositierol door Lodewijk Asscher. Zijn ideeën waren beperkt en op sommige terreinen, zoals integratie, bizar en onaangenaam in een sociaal democratische context (integratie is een onderwerp waarop de partij als sinds Scheffer in een kramp zit). Dat hij uiteindelijk een prijs betaalde voor het beleid van Rutte II en zich terug moest trekken was niet onverdiend, maar het betekent meteen ook dat de PvdA leiderloos en beginselloos deze verkiezingen ingaat.

Terug naar Tromp. In 1977 schreef hij de drie tegenstrijdigheden van een massapartij, opgenomen in die bundel. Dat het geenszins vanzelfsprekend is dat een democratisch-socialistische partij een beginselpartij zou moeten zijn. Wie de geschiedenis van die gedachte wil lezen, kan ik naar Tromp verwijzen. Hij concludeert dat aan het einde van de economische groei, begin jaren zeventig, het overduidelijk was, voor hem althans, dat de PvdA zich diende te herdefiniëren als een beginselpartij: ‘In de zin van een stelsel van doordachte, uitgewerkte, onderling samenhangende en gerechtvaardigde principes, die richting geven aan concrete politieke keuzen.’ ‘Het wezen van een beginselpartij is zowel dat ze richting geeft het maatschappelijk gebeuren als dat ze als sluis functioneert voor de eisen en verlangens die vanuit de maatschappij op het politieke stelsel afkomen. Beginselen vormen in dit beeld richtingaanwijzer én zeef.’

Zo heb ik er ook altijd tegenaan gekeken, soms wat meer overtuigd dan anders, maar ik kon me goed vinden in wat de grote filosoof Bill Clinton zei, ik citeer hem vrij: het voordeel van een ideologie is dat je al het denkwerk hebt gedaan voordat je aan de uitvoering toekomt, voordat je daadwerkelijk macht hebt. Het betekent dat je richting aangeeft en richting hebt als de nood aan de man komt. Pragmatisme, ooit door Van Mierlo opgevoerd als tovermiddel, toen de oprichter van D66 nog de ambitie had het systeem op te breken in plaats van er deel van te worden, voldoet niet. Pragmaten moeten elke keer weer afwegen en hebben geen gids. Vandaar dat D66 als regeringspartij altijd tegenvalt en je met Pechtold nooit wist waar je aan toe was.

Tromp stelt vast, verziend als altijd, dat na het ineenstorten van de zuilendemocratie Nederland is veranderd in de richting van een systeem van belangengroep-liberalisme. Maar ja, zegt hij, als iedereen zijn eigenbelang nastreeft dan maken die belangen inbreuk op elkaar. Je kunt strijd niet ontlopen, hoogstens wegmasseren. ‘Alleen een neoliberaal kan verwachten dat er in de samenleving een harmonie van groepsbelangen bestaat, zoals de klassieke liberaal dat meende ten aanzien van individuen.’ Mooi geformuleerd. 

Vijfenveertig jaar later zie je dat belangenbehartigers de politiek domineren en dat het algemeen belang vaak de lowest common denominator is gewordenhet laagste niveau waarop je het eens kunt worden. Inderdaad, met Tromp zeg ik dat beginselen geen dingen zijn die je zomaar kiest, maar principes die gerechtvaardigd moeten worden, en dat ‘belangen’ altijd zijn gedefinieerd vanuit vaak onuitgesproken beginselen. Aanvankelijk misschien vreemd, maar bij nader inzien volkomen helder om dan te lezen dat een partij ‘enige afstand’ moet bewaren tot het maatschappelijk gebeuren, ‘anders loopt ze het gevaar het doorgeefluik van belangengroepen te worden, en haar voorhoedefunctie te verliezen’. Ik weet niet of we anno 2021 nog over voorhoede mogen praten en voor de PvdA met haar negen zetels geldt veeleer dat ze een achterhoede vormt.

Lang verhaal volgt over Wöltgens, Kalma en Tromp die zo’n programma opstellen en presenteren aan een onwillig partijbestuur (Rottenberg was ziek, Vreeman zwaaide de scepter – niet dat het wat uitmaakte). Deze groep was mooi verdeeld. Wöltgens was vooral bezig met solidariteit; Kalma met democratie en individuele vrijheid; Tromp met de ontwikkeling van het kapitalisme. Tromp en andere vulden er nog een Jaarboek mee en rondden vervolgens hun nota af, eind 1996. De tegenstanders zagen hun oppositie verwoord door Marjet van Zuijlen, die een nieuw beginselprogramma ‘een zinloze exercitie [vond] van een stelletje hobbyisten’. Het programma werd bureaucratisch begraven. 

In 2002 maakte Tromp zijn verhaal af, in een Epiloog: ‘noodzakelijk maar niet onmogelijk’. Vanaf begin 1990 wordt er gepraat over een nieuw beginselprogramma en toen al schreef Tromp een artikel onder deze titel, minus de epiloog (die hij toevoegde aan zijn proefschrift over de beginselprogramma’s van de sociaal democraten). Hij formuleerde ook drie voorwaarden om een beginselprogramma te kunnen opstellen. 1) Er moest een zekere eensgezindheid zijn binnen de partij over prioriteiten. 2) De partijleiding moest het dragen. 3) Er moest een intellectuele basis zijn in de vorm van eerder gevoerde discussies en verrichte studies. Tromp achtte die voorwaarden niet aanwezig. Het is nog steeds zo, vrees ik. Maar net zomin als Tromp acht ik dat een goede situatie. Ik kwam hem in die tijd wel eens tegen in het Concertgebouw, maar daar hadden we het over wat anders.

Er zijn wel weer pogingen gedaan om (weer) een ideologische onderbouwing te geven van waar de PvdA voor staat. In 2005 was er een ‘beginselmanifest’. Het stelde niet al te veel voor en heeft weinig invloed gehad. Tromp zal er niet blij mee geweest zijn. De toon in zijn artikelen werd steeds kritischer en op haar beurt kreeg de partij, als ik me dat herinner, ook steeds meer een hekel aan deze lastige intellectueel, voorheen als te rechts gezien, nu als te links. Ik moet zeggen dat ik bij herlezing alleen maar enthousiast kan zijn over zijn pleidooi voor een beginselpartij (en ook begrijp hoe hij zichzelf als criticaster soms in de weg zat). Er moet wat te kiezen zijn en je maakt je eigen keuzes, als partij, op basis van die beginselen.

In de vroege jaren 2010 zijn er wat artikelen geschreven die fundamentele zaken aan de orde stelden, maar ze zijn niet eens zo gemakkelijk te vinden. Ik herinner me dat Monika Sie materiaal leverde, het project Van Waarde. Ik vind een artikel over vijf jaar Van Waarde en hoe weinig dat heeft opgeleverd. Het project zelf stelde al dat het niet ging om een beginselprogramma. Tromp, overleden in 2007, zou opnieuw, of nog steeds, kritisch geweest zijn. Hij wilde altijd een beginselprogramma dat ook de staat van het kapitalisme en de verhouding daartoe van de sociaal democratie analyseerde. Begin 2020 schreef Asscher een ‘discussiestuk’, maar dat is vooral een aanloop naar de verkiezingen waaraan hij uiteindelijk niet meer deel zou nemen, en door de coronacrisis is de discussie er omheen beperkt geweest (eerlijk gezegd, heb ik er niets van gemerkt, maar dat kan aan mij liggen). 

Het is allemaal deel van een groter proces. Partijen in het post-verzuilingstijdperk hobbelen van de ene leider naar de andere. Het was een fenomeen dat Tromp al had gesignaleerd na Den Uyl: lijsttrekkers (officieel niet eens partijleiders) met hulptroepen in de kamer. Partijbobo’s die de lijst samenstellen, volksvertegenwoordigers die voor zover interessant, teleurgesteld afdruipen vanwege de fractiediscipline. Hij kon de theorie van zijn geliefde Robert Michels over de ijzeren wet van de oligarchie en hoe partijen daar niet onderuit konden komen, toepassen op de PvdA.

De lijsttrekker bepaalt of een partij wint of niet. Fortuyn zag Tromp als een voorbeeld van een soort ‘plebiscitair’ syndroom dat alles vindt in een ‘leider’ of een ‘volkswil’ en niet erg gehecht is aan de parlementaire democratie. Het referendum waar Tromp en ondergetekende even grote tegenstanders waren, is er een voorbeeld van. Vrij schieten zonder verantwoordelijkheid. De PVV heeft er de ultieme consequentie uit getrokken en is niet eens een partij. Er zijn geen leden, wel zo gemakkelijk.

Kijk maar waar we in maart voor kunnen kiezen. Inhoudelijk is er weinig debat. De VVD scoort goed dankzij Marc Rutte en de kiezer zonder geheugen heeft hem nooit kwalijk genomen dat hij zijn ziel verkocht aan de PVV (en gered moest worden door Pechtold). De PvdA deed het goed met Kok en later een beetje goed met Wouter Bos, geen van beiden diepe denkers en beiden tegenstanders van al te veel beginselgepraat, maar had in Diederik Samson geen prominente voorman, al had ik respect en bewondering voor zijn beslissing om in de kamer te blijven. 

Asscher haalde hem onderuit, kreeg de verkiezingsnederlaag voor zijn kiezen, voerde redelijk goed oppositie en hield een indrukwekkende Den Uyl lezing – zonder ideologische vleugels kun je niet vliegen – maar gaf niet de gravitas aan de partij die ik hoopte te vinden. Ik kan niet zeggen dat in de vier jaar dat ik weer lid ben, met als motivatie dat sociaal democratie als politieke richting niet verloren mocht gaan, er erg veel is gebeurd. Na de afstraffing in 2017, schreef Paul Depla een snel pamflet waarin hij een ‘beweging’ bepleitte en meer gezelligheid. Het viel niet goed en ook van de gezelligheid is weinig meer vernomen. Er is ook geen vervolg geweest. Niemand boog zich over de vraag wat sociaal democratie deze dagen nog betekent. Ik erger me al jaren aan dat gezeur over rode dit, rode dat, de rozen, het logo. Oude meuk waar alleen de oudste leden nog voor warmlopen. Wat mij betreft zou de hervorming van de PvdA tot beginselpartij (hervorming in de zin van opnieuw beginnen) moeten plaatsvinden onder een naamsverandering: de Sociaal Democratische Partij. Dan is tenminste duidelijk waar je voor staat.

Asscher is inmiddels verdwenen (terwijl alle andere verantwoordelijken blijven zitten en het Rutte lijkt af te glijden) en de PvdA blijft tamelijk onthoofd achter. Helaas, het is erger dan een partij zonder hoofd. Het is ook een partij zonder lichaam, een beetje een zombiepartij. Ik ben een bewonderaar van Lilian Ploumen als mens, ik betwijfel of zij biedt wat nodig is. Er is nood aan een denker als Bart Tromp, een dwarsligger met containers intellectuele bagage en diepe kennis van de geschiedenis van de sociaal democratie. Gebrek daaraan leidt ertoe dat de partij van Den Uyl en Tromp vooral ad hoc beleidsvoorstellen biedt die niet ingekaderd zijn in een visie op hoe de samenleving in elkaar zou moeten zitten en waarom. 

Bij Buitenhof werd Liliane Ploumen afgelopen zondag doorgezaagd over de vraag waarom alles waar zij voor staat ook door andere partijen wordt bepleit, in meerdere of mindere mate. Ze gaf het toe, en pijnlijk genoeg wees Bas Heijne in het erop volgend gesprek op het gebrek aan visie. Het is gerommel aan de marge. Ploumens slogan: ‘Eerlijker en fatsoenlijker.’ Hallo. Is dat alles? Ik had al bezwaar tegen een eerdere verkiezingsslogan ‘Het moet eerlijker’. Volgens mij moet dat altijd zijn ‘Het moet eerlijk’. De vergelijkende trap maakt je altijd afhankelijk van wat de anderen vinden. Het is een zwaktebod. Verdomme, het moet ánders.

De PvdA staat hierin niet alleen. De hele politiek ontbreekt het aan visie. Het wordt gesymboliseerd door het kieskompas, de stemwijzer, in al zijn varianten. Onderwerpen, belangrijk soms, met concrete voorstellen. Onderwerpen die breed belangrijk worden gevonden en waar partijen proberen zich te onderscheiden. Maar wat mij veel meer interesseert dan die onderwerpen is waar een partij heen wil met de samenleving, brede uitgangspunten, normen voor beleidsvorming. Waarden zelfs. Is de kiezer daarin niet meer geïnteresseerd? Ik geloof er niets van. Ik geloof dat de kiezer wordt geïnfantiliseerd.

Ik vrees dat het bij de komende verkiezingen (als ze doorgaan, je weet het met dit kabinet maar nooit, morgen is alles anders) niet goed zal gaan voor de PvdA. Dat zou ook niet moeten mogen, de partij moet nog steeds door een serieus hervormingsproces gaan om weer betekenis te kunnen en zich werkelijk te onderscheiden van andere partijen en, belangrijker, iets te bieden te hebben dat kan gelden als een toekomstvisie, de clichématige stip aan de horizon. Jammer genoeg verdient ze het niet flink te winnen.

Dit bericht is geplaatst in Blogposten. Bookmark de permalink.