Vòòr Barack Obama was er Jesse Jackson. Als jong correspondent maakte ik op 3 november 1983 mee hoe Jesse Jackson zich voor het eerst kandidaat stelde voor het presidentschap. Hij deed het in Washington, de hoofdstad, maar veel belangrijker, een stad waar zeventig procent van de inwoners zwart was en mede daardoor een Democratisch bolwerk. Door in de hoofdstad aan te kondigen, garandeerde Jackson veel media aandacht.
Zijn thema was een regenboog coalitie, visueel onderstreept door de aanwezigheid van een Indiaanse chief en iemand die gebarentaal sprak. Ik zat ergens midden in de zaal, ik was gewoon als bezoeker gekomen, niet met mijn perskaart. Net als Martin Luther King was Jackson een dominee en vanzelfsprekend begon de bijeenkomst met gebed. Daar had ik niet op gerekend maar zo trof ik mezelf staand, hand in hand, met links en rechts van me gezette zwarte dames, biddend. Nou ja, zij waren in gebed, ik stond er alleen maar.
Burgemeester Marion Barry van Washington leidde Jackson in en zweepte de boel maar vast op. De toespraken waren inspirerend, in de naweeën van de economische crisis van 1980-1982, de diepste sinds de Grote Depressie, had Jackson een serieus progressief verhaal. ‘Run Jesse’, Run, riep Barry. De zaal riep het hem na. En, ook mooi, ‘From the Outhouse to the White House.’ En ‘Our Time has Come.’
Van de zwarte leiders in Amerika was Jackson de bekendste, zij het binnen de eigen gemeenschap niet de meest geliefde. Als burgerrechtenactivist was Jackson erbij toen Martin Luther King in Memphis werd doodgeschoten, in 1968. Hij zou zijn rol die dag altijd overdrijven, er waren belangrijker zwarte leiders maar geen van hen had het politieke gevoel van Jackson. Zo voelde hij in 1983 goed aan dat er ruimte was voor een zwarte kandidaat. Eerder dat jaar was Harold Washington gekozen als eerste zwarte burgemeester van Chicago. Jackson was in die jaren directeur van Operation PUSH (People United to Serve Humanity), een activistische club in datzelfde Chicago. President Reagan was bepaald ongeïnteresseerd in minderheden en had zich niet van zijn warmste kant getoond tijdens de recessie.
De onvermijdelijke Democratische kandidaat in 1984 was oud-vicepresident Walter Mondale, al werd die nog bijna van de weg gereden door de jonge senator Gary Hart. Maar behalve Hart trok Jackson de aandacht. Hij kwam met 358 gedelegeerden naar de Democratische conventie, 18 procent van de stemmen. Het leverde spreektijd op en Jackson werd genoemd als mogelijke vicepresidentskandidaat (dat werd dat jaar de eerste vrouw, Geraldine Ferraro). Helaas had Jackson zich ook van zijn slechtste kant laten zien toen hij New York een ‘Hymietown’ noemde, een scheldnaam voor joden. Het was geen goed jaar voor de Democraten: Mondale ging kansloos ten onder tegen Ronald Reagan die profiteerde van het economisch herstel met zijn ‘It’s morning again in America’ commercial.
In 1988 deed Jackson opnieuw mee. Zijn eerdere campagne gaf hem geloofwaardigheid, zijn progressieve standpunten (en zijn huidskleur) maakten het nog steeds onwaarschijnlijk dat hij de nominatie zou verwerven. Maar hij deed het beter dan verwacht, haalde 21 procent van de stemmen, en Jackson won zelfs de caucus in Michigan (en 11 andere staten). Jackson was de enige andere kandidaat die serieus aanwezig was op de conventie, wat de Democratische presidentskandidaat Michael Dukakis de nodige problemen opleverde omdat Jacksons campagne hun man nadrukkelijk als vicepresidentskandidaat naar voren schoof. Dukakis wist wel beter en koos voor een blanke Texaan. Niet dat het veel uitmaakte, de Democraten werden in 1988 ingemaakt door George H.W. Bush.
Inmiddels was Jackson de koning van de zwarte gemeenschap. Hij zette zich onder meer in als lobbyist om van Washington DC een staat te maken. Als actievoerder was hij vooral actief in protesten tegen apartheid in Zuid-Afrika, een voortzetting van de jaren tachtig toen president Reagan zonder morele problemen het Zuidafrikaanse regime steunde. In de loop der jaren bemoeide Jackson zich met allerlei affaires die met ras te maken hadden, maar zijn leidende rol werd overgenomen door Al Sharpton. Het onvermijdelijk persoonlijke schandaal dook op: Jackson bleek een buitenechtelijk kind te hebben wiens moeders zwijgen was afgekocht met geld van PUSH. We hoorden minder van Jesse Jackson, maar als er actie te voeren viel, dook hij nog steeds op als woordvoerder.
Al in maart 2007 verklaarde Jackson zijn steun aan Barack Obama, al was die politiek dier genoeg om enige afstand te houden. Obama had wel succes en op 6 november 2008 waren de tranen van Jackson, vrijelijk gestort bij de overwinningsbijeenkomst van Barack Obama in Chicago, misschien wel het meest emotionele moment van de nacht. De camera’s zoomden zonder reserves in op de zwarte voorman die met zijn campagnes in 1984 en 1988 de fundamenten had gelegd voor de overwinning van Obama.
Jackson, altijd de showboat, genoot ervan. Hij kreeg geen rol in de regering-Obama en, voor zover bekend, vroeg daar ook niet om. Hij was teveel een ongeleid projectiel om op te kunnen vertrouwen en Jackson wist het zelf maar al te goed.
In 2016 steunde Jackson Hillary Clinton en in 2020 gaf hij de voorkeur aan Bernie Sanders. Veel deed het er niet meer toe. Jacksons betekenis lag in de vorige eeuw. Hij brak de Democratische Partij open, de partij die tot diep in de jaren zestig de partij van de racisten uit het zuiden was, en dwong af dat de zwarte kiezers serieus genomen moesten worden. Hij was niet de eerste landelijke zwarte kandidaat, dat was Shirley Grisholm in 1972, maar hij was de eerste die door electoraal succes serieus genomen moest worden. Jackson kroonde zichzelf tot erfgenaam van Martin Luther King, soms op een manier die de burgerrechtengemeenschap te assertief vond, en vertaalde die in politieke kracht. Hij durfde zijn nek uit te steken.
De tranen in november 2008 waren tranen namens miljoenen Amerikanen, wit en zwart, die de eerste zwarte president de overwinning zagen opeisen. Jackson hield er niet van op het tweede plan te spelen maar hij was er terecht trots op dat hij het pad had geplaveid voor de nieuwe aanvoerder. Hij heeft zijn plek in de geschiedenisboeken ruim verdiend.