25th gebruiken: pest of cholera?

Naarmate president Trump wilder om zich heen slaat, meer bizarre uitspraken doet, op basis van onderbuikgevoelens oorlogen begint, en in het algemeen niet goed in staat lijkt te zijn het presidentschap adequaat te vervullen, horen we meer over het 25e Amendement op de grondwet. Het moet iets zijn van bejaarde presidenten, want ook in het laatste jaar van president Biden, toen hij steeds labieler oogde en klonk, hoorden we die geluiden. De cruciale vraag: hoe kom je van zo iemand af, als hij of zij zelf zich niet bewust is van zijn conditie of dat wel is maar hem ontkent?

De Amerikaanse grondwet heeft de opvolging van een president die zijn ambt niet meer kan uitoefenen in principe geregeld: het presidentschap gaat over op de vicepresident als de president wegens dood, aftreden of anderszins het ambt niet meer kan vervullen. Dood en aftreden is eenvoudig, maar de Founding Fathers hadden geen procedure of mechanisme aangereikt om vast te stellen wanneer een president zijn werk niet meer kon doen.

Dat de vraag kwam nooit echt aan de orde, vooral omdat presidenten weinig lieten zien van hun fysieke of geestelijke conditie. Meestal merkte niemand er wat van, of als dat wel het geval was, speelde de president een ondergeschikte rol. Het ernstigste geval van ‘niet meer in staat zijn’ deed zich voor toen president Woodrow Wilson (1913-1921) in oktober 1919 een hersenbloeding kreeg. Hij hield er een halfzijdige verlamming aan over en was, zeker in de eerste maanden, niet helemaal bij de les. Zo begonnen de vreemdste zeventien maanden in het Amerikaanse presidentschap. Vanwege de onduidelijkheid van de grondwet kon Wilson zijn ziekte verborgen houden. Hij schrok eenieder die het had over vervangen onmiddellijk af. 

De leden van zijn kabinet zagen hem niet, Wilsons vrouw Edith was de enige die toegang had tot de president. Ze las alle wetsvoorstellen en papieren, en kwam na raadpleging van Wilson terug met aantekeningen die zijn wensen zouden vertegenwoordigen. Feitelijk was zij de president. Toen Wilson weer vijf tot tien minuten kon opzitten in redelijke conditie, wist hij een bezoekende senator voor de gek te houden. Het maakte een einde aan elke poging hem af te zetten.

Het geval Wilson was nog steeds niet voldoende aanleiding om een regeling te maken, net zomin als de hartaanvallen van president Eisenhower. In dit laatste geval nam vicepresident Richard Nixon de taken over en gaf ze weer terug toen de president beter was. Evenmin was er een regeling die voorzag in het benoemen van een vicepresident als die was afgetreden, overleden of zijn baas was opgevolgd. Dat was natuurlijk al een paar keer gebeurd. Harry Truman werkte tijdens zijn eerste jaren als president (1945-1953) zonder vicepresident, zoals ook eerder presidenten dat hadden gedaan.

Tijdens de Koude Oorlog werd het opeens ervaren als een serieus probleem, acuut in november 1963, na de moord op president Kennedy. Lyndon Johnsons aantreden in november 1963 liet het vicepresidentschap open, maar wat als er iets met Johnson zou gebeuren? Dan zou een van de bejaarde congresleiders opvolgen en niemand wilde hen met de nucleaire codes in handen. 

Zo kwam in 1967 het 25ste amendement tot stand. Bepaald werd dat in geval van een vacature voor het presidentschap het Congres een nieuwe vicepresident benoemt. De nieuwe regel werd meteen gebruikt toen Nixons vicepresident Spiro Agnew in 1973 moest aftreden wegens corruptie. De gerespecteerde Republikeinse afgevaardigde Gerald Ford werd vervolgens benoemd, met instemming van beide huizen van het Congres. Toen Ford in augustus 1974 president werd door Nixons aftreden droeg hij op zijn beurt John Rockefeller voor. 

Toen men toch bezig was met opvolgingsregelingen maakte men er meteen een om een president af te zetten die zelf niet door heeft dat hij niet meer in staat is zijn ambt uit te oefenen – door ziekte, geestelijke gestoordheid of wat dan ook. In sectie 4 staat de complexe procedure die gevolgd moet worden als de vicepresident en de meerderheid van het kabinet de president niet meer in staat achten zijn werk te doen.

Het is een lastige regeling in de zin dat het aan de vicepresident is, iemand die mogelijk zelf uit is op de hoogste baan, om de procedure te starten. Kort samengevat moet hij of zij een meerderheid van de ministers overhalen een geschreven verklaring te doen uitgaan dat de president niet meer in staat is zijn werk te doen. Het komt er op neer dat de regering, minus de president, en het Congres samen en uiteindelijk met tweederde meerderheid van beide huizen de president kan afzetten. 

Volgens verscheidene mensen rondom de regering-Trump is er in 2017 al serieus gepraat over een artikel 25-procedure. In de praktijk kwam er niets van, hoewel menigeen twijfelde of Trumps geestelijke conditie hem toestond het presidentschap adequaat uit te oefenen. President Trump kwalificeerde zichzelf als een ‘buitengewoon stabiel genie’ die meer had bereikt ‘dan welke president dan ook’, wat inderdaad de vraag opriep of hij wel goed bij zijn hoofd was. Maar hem afzetten zou, als het al mogelijk was via deze procedure, ervaren worden als een onaanvaardbaar politiek ingrijpen. Natuurlijk kaarten de Republikeinen in de tweede helft van de regering-Biden het onderwerp ook aan. Ze spraken openlijk over het 25ste Amendement. Democraten stonden er niet voor open.

Daar zit hem natuurlijk ook het probleem. Het blijft uiteindelijk een procedure waarbij het Congres een knoop moet doorhakken. Aan de andere kant, als een vicepresident de meerderheid van de regering kan overtuigen dat Donald Trump moet worden afgezet, dan is dat wel een heel krachtig signaal dat het land een probleem heeft. Maar ja, dan is er ook nog het probleem dat als Trump zou verdwijnen diezelfde vicepresident JD Vance het ambt gaat overnemen. Voor sommige Amerikanen is dat de keuze tussen de pest en cholera. Misschien liever Trump met een probleem dan een helemaal fitte JD Vance. Een duivels dilemma waarvoor het 25ste Amendement geen oplossing biedt.