Het andere Washington DC

Het is een gebied waar de meeste toeristen niet komen. Sterker, de meeste bewoners van Washington, D.C. zelf wagen zich niet in Anacostia, de negentig procent zwarte wijk die onder de Amerikaanse hoofdstad bungelt. Toch is het een wijk met zijn eigen sociale leven en cultuur, waar gewone mensen vechten tegen verloedering, drugs, bendes en proberen hun dagelijks leven behoorlijk in te richten.

tekst Wim Roefs

Het muziekkorps speelt populaire maar als donderende marsmuziek gearrangeerde deuntjes. Majorettes huppelen over straat, net als de uitdagendere go go-danseressen. Een hele hoop lieden hebben een hele hoop plezier deze zaterdagmiddag in Anacostia, een van de meest gevreesde buurten van de Amerikaanse hoofdstad Washington, D.C. Velen doen mee aan de 15e jaarlijkse Unifest-parade en nog meer anderen staan langs de kant het spektakel te bewonderen.

‘Man, de brothers en sisters zijn echt dol op getrommel,’ zegt Tim Wilmore, terwijl hij het ritmisch gedreun van een drumkorps op zich in laat werken. ‘Ze zijn zich niet eens bewust van hun Afrikaanse erfgoed maar ze zijn o zo dol op het getrommel.’

Ze zijn ook, net als veel andere Amerikanen, dol op gekke auto’s, zo blijkt uit het applaus wanneer twee felgekleurde dragrace-monsters met extreem-lange, smalle snuiten de hoek om komen.

‘Hé man, hoe hard gaat dat ding?’ schreeuwt een man tegen de kerel in de kar.

‘Zestig.’

Mijlen, wel te verstaan.

‘Zestig? Dat is niet gek, zestig.’

Miss Unifest, kroontje en al, gaat de raceauto’s vooraf, wuivend zoals dat een Miss betaamt. Een van de paarden van Franky’s Sunshine PonyClub vervoert een fraaie ‘Afrikaanse prinses’ in lange sluiers, wuivend zoals dat een prinses betaamt.

De staart van de optocht bestaat uit niemand minder dan Marion Barry, de corrupte crackroker die in Washington voor burgemeester speelt. Barry woont in de wijk in een met grote hekken omheind huis, min of meer onder de mensen van het enige kiesdistrict dat hem in meerderheid steunde toen hij in 1990 als zojuist veroordeeld crackgebruiker zijn enige verkiezing voor burgermeester verloor. Hij woont er sinds 1992, toen hij, net uit het gevang, een kiesdistrict nodig had om tot gemeenteraadslid gekozen te kunnen worden. Dat lukte en inmiddels is hij weer burgermeester, zij het voor de laatste keer; in mei kondigde Barry aan zich niet meer herverkiesbaar te stellen. Maar tijdens de parade zwaait de immer grijnzende populist in trainingspak nog volop, terwijl het volk juicht. Zijn vrouw rent op en neer, schudt handen en is druk en luidruchtig.

De optocht eindigt in het centrum van Anacostia, waar Unifest, een straatfestival, in volle gang is. Het is heet en het is massaal.

Tienduizenden lieden lopen langs kraampjes met boeken, sieraden, en Afrikaanse en Afrikaans-Amerikaanse kunst en nijverheid. Vooral de voedselverschaffers doen goede zaken. Mannen bespieden vanachter zonnebrillen de jonge meiden die in dunne, korte kledij paraderen met hun door een gulle god gegeven goederen. Oudere vrouwen in strakke sportpakjes of mouwloze T-shirts pronken net zo hard met hun gigantische lichamen. Een jongeman met een vlinderdas verkoopt The Last Call, het weekblad van de zwarte moslimfascist Louis Farrakhan. Groepjes jongens met beepers lopen stoer in het midden van de straat, alsof om de hoek de O.K. Corral hen wacht. Bekenden groeten en omhelzen elkaar. ‘Hoe gaat het, bro?’

Op een grasveldje doet een drill team van kleine jongens op fanatieke en militaristische wijze oefeningen. Ze schreeuwen. ‘Rook niet! Drink niet!’

En het mannenkoor van Union Temple Baptist Church zweept de menigte op met hard stampende gospel.

‘Iedereen, zeg “Jezus” !’

‘JEZUS!’

‘Zeg “Jezus” !’

‘JEZUS!’

Oude vrouwen in het publiek zwaaien met kartonnen waaiers de vette hete lucht van hun gezicht.

‘Maak wat lawaai voor Jezus!’

‘YEEAAAAHHHHHH!’

Arm en zwart

Al deze lol vindt plaats in het gebied dat bekend staat als het hart van moordend, drugshandelend, werkloos en ongetrouwd-zwanger Washington. Dit is Washington ten oosten van de rivier de Anacostia, niet het Washington van de welgestelde blanken in het Noordwesten van de stad of van Capitol Hill en het Witte Huis. Het is het grotendeels arme, veelal zwarte Washington van de gangs en verslaafden en ander onplezierig volk.

Oost begint in het centrum van de stad, bij Capitol Hill, en staat in z’n geheel slecht aangeschreven. Maar vooral Oost aan de ‘verkeerde’ kant van de rivier doet buitenstaanders, inclusief veel zwarte buitenstaanders, in de broek schijten.

‘Het is eigenlijk een beetje beledigend,’ zegt de 35-jarige Linda Williams, die in de boekhouding werkt op de Afdeling Recreatie van het Pentagon. Williams woont in een keurige flat tegenover het huis waar ze opgroeide, in het noordelijke deel van de ‘verkeerde kant’, ten Noorden ook van Anacostia. Haar collega’ s denken dat iedereen in haar buurt drugs gebruikt of verhandelt.

‘Er is hier natuurlijk ook criminaliteit en druggebruik maar dat is overal het geval.’ Ze vertelt over bijbehorend ongemak, zoals de beroving van haar broer bij een bushalte. ‘Die dingen gebeuren.’ En, zegt ze, alhoewel zij geen drugdealers kent, zullen die er best zijn. ‘Maar de meeste mensen in de buurt zijn gewoon werkende lieden. Sommigen werken voor de overheid, sommige hebben een bedrijf. Ik ga elke dag naar het werk, kom thuis, kook, kijk TV, krijg wellicht een vriendin op bezoek, ga soms bij mijn moeder op visite, en haak.’ Ze verkoopt ook, op part-time basis, kristal en keukengerei. Ze gaat graag naar de bioscoop. Ze winkelt op zaterdag of wandelt met een vriendin door de buurt. Op zondag gaat ze naar de kerk. Werkelijk, suggereert ze, veel meer doorsnee kan het niet.

Murder capital

‘Maar een jongen die alleen maar hoge punten haalt op school, dat verkoopt natuurlijk geen kranten,’ gromt Luther Jackson, een 83-jarige gepensioeneerde taxichaufeur. ‘Een scholier die iemand neerschiet, dat haalt de voorpagina.’

Was het maar waar. Moorden zijn zo normaal in Washington, dat ze zelfs in de lokale kranten vaak niet meer de voorpagina’ s halen of welke pagina dan ook. Met de enorme toename van de drughandel in zwarte wijken in de jaren tachtig, werd Washington ook Amerika’s moordhoofdstad. Inmiddels is dat New Orleans maar misdadig geweld ligt in D.C. drie keer hoger dan het nationale gemiddelde.

Een hoop van dat onvrijwillig, gewelddadig gesterf vindt plaats in Oost-Washington. De altijd gesloten, met kogelvrij glas uitgeruste deuren van sommige winkels kunnen alleen van binnenuit worden geopend en dat is niet om de tocht buiten te houden. Veel lokaal volk in Oost doet het op diverse plaatsen niet minder in de broek dan de buitenstaanders. Ze wijzen met angstig ontzag op sociale woningbouw- en flatgebouwcomplexen en buurten als Simple City en Mississippi Avenue, in drugs gedrenkte broeinesten van geweld en andere ellende. ‘Mijn kerk ligt in Benning Heights,’ zegt Williams. ‘Ja, nabij Simple City. Daar zou ik ‘s avonds waarschijnlijk niet rondlopen, want ik kom niet uit Benning Heights. Maar een hoop leden van mijn kerk wonen daar wel.’

Bro Wilmore wordt elke keer nerveus wanneer de fotograaf uit zicht raakt, zelfs tijdens Unifest, waar hartelijkheid, niet de geur van gevaar, de norm is. ‘De brothers,’ zegt hij, ‘als die een white boy geheel in z’n eentje zien, dan zouden ze daar wel eens al te vrolijk van kunnen worden.’

Iets eerder had de arbeidsongeschikte, soms beunende en altijd platzakke ex-soldaat gewezen op twee lieden die bij een auto geheimzinnig stonden te doen. ‘Zie je dat? Dat is een drugstransactie.’

Het probleem is niet dat er in Oost-Washington geen hoop goed volk woont, zegt ouwe heer Jackson. Het probleem is dat drugdealers de atmosfeer verpesten en hij niet meer weet wie hij kan vertrouwen. En dat de mensen niet langer meer bloemen in hun tuin planten. ‘Toen ik hier naartoe verhuisde, op 6 mei, 1956, was het een behoorlijk fraaie wijk. Wanneer het heet was, sliepen mensen buiten op het gazon. Dat hoef je nu zelfs overdag niet te proberen.’

Maar als Williams en Jackson en al het volk op Unifest zouden beantwoorden aan het stereotype imago van Oost-D.C., dan zou zoiets als Unifest niet eens bestaan. Dan zou Williams zich niet braaf sufhaken op enorme tafellakens en vloerkleden voor vrienden en familie en niet met grote zorg haar flatje versieren met koper spul en plastic bloemen. Dan zou Jackson ons niet door de wijk leiden, wijzend op mooie huizen en, met toenemende teleurstelling, op tuinen waar vroeger veel bloemen bloeiden.

Werkende mensen

En hoe zit het met de vele duizenden lieden die elke doordeweekse dag, op weg naar hun werk, de ondergrondse binnenstromen op de hoek van East Capital Street en Benning Road, waar Jackson in 1956 zijn sociale woningbouwflatje betrok? Als het stereotype beeld de hele waarheid vertegenwoordigde, zouden al die lieden nergens naar toe gaan, laat staan naar hun werk.

‘In een vijf kilometer omtrek zijn het hier vrijwel allemaal working class- en middle class-woningen,’ zegt de 54-jarige onderwijzer en politiek activist Rick Tingling-Clemmons. ‘Afgezien van de sociale woningbouw die ik net heb verlaten.’ Die woningbouw bestaat uit een handvol kleine appartementen, vier per gebouw, twee hoog, langs East Capitol.

Jackson woont er, evenals Verna Martin, die enkele jaren geleden tot Mrs. D.C. werd verkozen in een schoonheidswedstrijd voor getrouwde vrouwen. Tingling-Clemmons, zijn 46-jarige vrouw Michele en hun drie kinderen wonen nu om de hoek in een comfortabel alleenstaand huis — een heet huis dat, net als veel huizen hier, geen airconditioning heeft.

‘s Morgens ontbijten de Tingling-Clemmonsen samen. Dan gaan de kinderen per bus, metro of pa’s auto naar drie verschillende scholen. Rick gaat naar zijn onderwijsbaan en zijn niet minder activistische vrouw naar een lokaal onderzoeks- en actiecentrum, waar ze een betaald organizator is.

‘Tegen vier uur begint iedereen thuis binnen te druppelen,’ zegt pa Tingling-Clemmons. De kinderen gaan dan vaak zwemmen of krijgen bijles, waarna er ‘s avonds samen wordt gegeten. Een van de ouders heeft dan veelal nog een vergadering. Williams pakt elke morgen om zeven uur de bus naar het Pentagon en is tussen half zes en zes uur weer thuis. ‘s Avonds volgt soms de verkoop van kristal en keukenspul of de boekhouding daarvoor.

Mrs. Washington heeft het druk met haar cursusinstituut, waar jonge meisjes leren zich netjes op te maken en te gedragen. Ze wil best een interview geven over haar buurt en haar dagelijkse bestaan maar diverse afspraken resulteren in evenveel afzeggingen. Of het wellicht enkele dagen

later kan? ‘Nu kan ik niet. Kunnen we het verzetten?’
Jackson onderhoudt de tomaten, bonen, paprika’ s en wortels in zijn minuscule groententuin en bouwt bovenal modelvliegtuigjes. Een keer per week deelt hij zijn knutseltalent met kinderen op een lagere school nabij Anacostia. ‘U lijkt op Redd Foxx,’ zegt de schoolportier daar, doelend Fred Sanford, de zwarte oudijzerboer uit de jaren zeventig-lachserie Sanford and Son. Jackson grinnikt, met vriendelijk sarcasme. ‘Ja, die heb ik nog nooit eerder gehoord.’

Normale mensen

In de badlands leven duidelijk massa’s mensen die een normaal bestaan proberen te leiden en daar vaak nog in slagen ook. ‘Precies,’ zegt een van hen, Michelle Ward. Ze is 47 jaar, gescheiden en verhuisde van de suburbs naar de stad waarin ze is geboren en getogen. In Anacostia woont ze in een oud, vrijstaand en vervallen huis met twee verdiepingen dat ze probeert te renoveren. Ze is driftig gehaktballen aan het braden; een van haar twee dochters heeft een flat gekocht, houdt vanavond een inwijdingsfeest en heeft op het laatste moment alsnog besloten om hulp te vragen. Of mam iets kon koken?

De woonkamer staat vol met dozen — dozen met linoleumdrukken en dozen met drogisterijspul. Als vertegenwoordigster bevoorraadt de voormalige onderwijzeres de D.C.-winkels van twee grote drogisterijketens. Ze staat ook op het punt haar kunstopleiding te voltooien aan de University of the District of Columbia, een kleine, hoofdzakelijk door zwarten

bezochte universiteit. De drukken zijn haar afstudeerprojekt.

‘Ik ben hier ook geen uitzondering. De meerderheid van de mensen in mijn buurt is net als ik. Ze werken of ze volgen een opleiding. Het zijn de media die het anders doen voorkomen.’ Ward wijst op haar straatgenoten — de lerares, de verzekeringsagent, de gepensioneerde moeder, de vele ambtenaren. De buurman aan de overkant, in het enorme en moderne huis, is een schatrijke zakenman. Er zijn minstens zoveel fraaie als vervallen huizen. ‘Maar het is echt onmogelijk om de vooroordelen tegen te gaan. Je kunt een artikel schrijven dat het stereotype beeld aanvecht maar anderen zullen daarna toch weer de reguliere verhaaltjes ophangen.’

Bloedmooi gebied

‘Mensen reageren altijd verschrikt als ik ze vertel waar ik woon. Maar ik kwam naar Anacostia vanwege de historische waarde van de wijk en al die prachtige oude huizen. Het is een bloedmooi gebied. De bomen, de rivier, het is hier zo groen. Ik zeg altijd dat ze maar eens moeten komen kijken.’

Vanaf de westkant van de rivier en vanaf de brug erover oogt Anacostia inderdaad als een groot bos met wat bebouwing. De hoger gelegen delen bieden een van de weinige panoramische uitzichten op de rest van de platte stad, inclusief de Capitol en die grote obelisk, de Washington Monument.

‘Het is absoluut adembenemend,’ betoogt Lamont Mitchell, die ons op de plek met het beste uitzicht had gewezen. Zijn enthousiasme is terecht. ‘Er zijn altijd geruchten dat een grote hotelketen interesse heeft in die locatie, ware het niet dat de wijk zo’n slechte reputatie heeft.’

Mitchell organiseert historische bustochtjes door Anacostia en noemt ze ‘Washington Voorbij de Monumenten’. De wijk is een van de oudste delen van de stad, waar langs de rivier al vroeg nederzettingen werden gevestigd. Rijke blanke lui bouwden er grote herenhuizen, vaak in Zuidelijke stijl met grote veranda’s. Velen staan er nog steeds, soms zelfs in volle glorie. ‘Sommige van de mooiste huizen in de stad staan in Anacostia,’ beweert Tingling-Clemmons met recht. De witte villa van de legendarische, negentiende eeuwse zwarte journalist and anti-slavernijactivist Frederick Douglass staat hoog op een heuvel. Het is nu het Douglass Museum. Tegenover de Malcolm X Lagere School ligt een Joodse begraafplaats uit de vorige eeuw. Het Anacostia Museum, over de geschiedenis van zwarte Amerikanen, is een onderdeel van de befaamde Smithonian Institution, dat ook ondermeer het National Air and Space Museum en het National Museum of American Art omvat.

Nieuwbouw en verval

De nu negentig procent zwarte wijk was tot in de jaren vijftig in meerderheid blank. Net als elders in de stad en in andere grote steden waren er na de moord op Martin Luther King in 1968 rellen, vergezeld met flinke branden. De meeste blanken vertrokken, evenals veel jonge zwarten met goede banen. Een groot deel van de achterblijvers waren en zijn arm en zwart. Terwijl sommige toen platgebrande, dichter bij het Witte Huis en de Capitol gelegen wijken werden herbouwd, werd Anacostia genegeerd. In de jaren zeventig moesten bewoners daar via de rechtbank fatsoenlijke vuilnisophaal, riolering en andere gemeentevoorzieningen afdwingen.

Nu is de wijk een combinatie van groen en beton en van renovatie en nieuwbouw en stedelijk verval. De wijk bestaat niet uit rijtjeshuizen of drie-hoog-achter-appartementen die veel Nederlanders wellicht met een binnenstad associëren. Er zijn town houses, sfeervolle lange rijen aan elkaar gebouwde, stenen herenhuizen van drie hoog, die ook typerend zijn voor Washingtons exclusieve wijken. Er zijn ook veel ruime alleenstaande oudere huizen, vaak met veranda en voortuin, die zonder moeite voor pittoresk zouden doorgaan als ze beter waren onderhouden. Maar dat is vaak niet het geval. Er is veel bouwval. Verf is een schaars goed en voortuintjes zijn niet zelden verloederd. En de deprimerende en vervallen flatgebouwen van de wijk vormen het sociale eindpunt; ze fungeren als pakhuizen van vaak nauwelijks menswaardig bestaan.

Recht op een goed restaurant

Een hele straat in Anacostia’s winkelcentrum bestaat uit lege, dichtgespijkerde bouwval. Zelfs in de beste delen van het centrum wordt renovatie en nieuwbouw afgewisseld door halve ruïnes en kaalslag. ‘Maar vergeet niet,’ zegt Tingling-Clemmons, ‘dat enkele decennia geleden Georgetown er niks beter aan toe was dan grote delen ten oosten van de Anacostia er nu bij liggen.’ De investeringen die Georgetown van straatarm havengetto tot Washingtons meest exclusieve wijk maakten, blijven vooralsnog uit in Anacostia.

Er zijn wel nieuwe gemeentekantoren en er is sinds enkele jaren een nieuw cultureel centrum. De nieuwe supermarkt is de tweede voor de pakweg 100.000 inwoners van Anacostia en omgeving. Mitchell opende in 1993 het Imani Anacostia Cafe. Afgezien van snelvoer-etablissementen, zegt hij, is het het enige restaurant in de wijk waar mensen kunnen zitten. Er zijn natuurlijk wel afhaaltenten waar door een gat in een plexiglas raam voedsel wordt verstrekt dat de consument elders kan consumeren.

‘Ik dacht bij mezelf, hier klopt iets niet,’ zegt de 41-jarige Mitchell, die ten tijde van die gedachte al een receptie- en dinerverzorgingsbedrijf had. ‘Er zijn hier hardwerkende mensen die recht hebben op een goed restaurant waar ze kunnen zitten en eten. Een restaurant dat schoon is en geen plexiglas heeft. Als mijn 86-jarige oma me ooit staande zou hebben zien eten, zou ze me een flinke klap in m’n gezicht hebben gegeven. Je eert God door te zitten tijdens het eten, niet door als een paard over straat te lopen. Maar als je mensen lang genoeg voorhoudt dat ze het niet waard zijn, dan beginnen ze dat nog te geloven ook.’ Op straat legt een groepje jongemannen met bezems en schoppen vriendelijk uit dat ze als vegers voor de lokale winkeliersvereniging werken. Wanneer we in de auto voor een stoplicht staan, begint op de stoep een opgeschoten type quasi-intimiderend te schreeuwen. ‘Hey, white boy!’

Hij buldert van het lachen, zijn vriendjes grinniken, terwijl wij grijnzen als boeren met kiespijn, tevreden dat we in een auto zitten. Er is een openbare bibliotheek, waar op dinsdagavond zwarte kinderen bijles krijgen van jonge blanke en zwarte weldoeners, die in pakken en mantelpakken rechtstreeks vanaf hun werk op en rond Capitol Hill per bus naar Anacostia worden verscheept. Tegelijkertijd houdt een groepje vrouwen buiten voor het gebouw een aerobic-klas. Anacostia heeft dokters- en tandartskantoren. Er is een autodealer met in de toonzaal Mercedessen en BMW’s en zelfs een Rolls Royce. ‘Het is echt niet zo dat hier geen lui zijn met ontzettend veel geld,’ zegt gids Wilmore vrolijk. Van de drughandel?

‘Nou, dat niet alleen.’

Taal van straat

Rond het middaguur zit Anacostia’s centrum vol met winkelend publiek en lieden die bij het sobere maar aangename Imani Cafe een werkelijk smakelijke hap komen eten. ‘Hier komen zowel drugdealers als agenten,’ zegt Mitchell, ‘maar eenmaal binnen laten ze de taal van de straat buiten.’ Blanken zijn evenmin afwezig — ze werken in de buurt voor ondermeer de gemeente en de nabijgelegen marinehaven. Mevrouw Barry komt binnen, rent op en neer, schudt handen en is druk en luidruchtig. ‘Tijd ook dat iemand eens een positief stuk over Anacostia schrijft,’ gilt ze. ‘Hier in het centrum is heel weinig gevaar,’ zegt Mitchell. ‘In de heuvels [bij de flatgebouwen, wr], waar de gangs strijden om macht, heb je waarschijnlijk meer problemen. Maar dat is in heel specifieke delen van de wijk en heeft altijd te maken met drugs. De negatieve reputatie houdt onze vooruitgang echter tegen. Als je iets blijft beweren, komt het vanzelf uit.’

[kader met foto]

Met de krant in de hand

De krantenverkoopster verdient ’s morgens vroeg de kost op East Capitol Street in Oost-Washington, waar elke morgen duizenden pendelaars per auto over drie banen de Amerikaanse hoofdstad binnen stromen. Het stoplicht springt op rood en ze begint haar rondje door het verkeer. Ze houdt een Washington Post boven haar hoofd en drukt enkele anderen tegen haar heup. Autoraampjes gaan open en kranten worden geruild voor quarters, één per krant. Na zo’n 75 meter stapt ze aan de kant, in de berm, wetend dat het licht binnen enkele seconden op groen zal springen. Ze loopt naar haar stapel kranten, zo’n dertig meter van het licht, grijpt er een

stel en begeeft zich naar het begin, waar binnen enkele seconden het licht weer op rood zal springen.

Hoeveel verkoopt ze er?

‘Ongeveer 220.’

Hoelang doet ze daar over?

‘Drie uur.’

Ze grijpt een nieuwe voorraad en begint weer vooraan.

En dan is ze weer terug.

Hoeveel mag ze houden?

‘Hangt ervan af hoeveel je er verkoopt. Je houdt vijftien cents voor elke krant die je verkoopt.’

En daar gaat ze weer.

Terug.

Vindt ze het leuk?

‘Ja. Heb ik tenminste wat te doen.’

Verveelt ze zich?

‘Ja.’

Weg.

Terug.

Hoe heet ze?

‘Jackie.’

Heeft ze nog een andere baan?

‘Nee.’

Ze lacht vriendelijk, de hele tijd. Dit is haar eerste morgen met de Post. Voorheen verkocht ze de Washington Times, die honderd meter verderop door anderen wordt verkocht, en de New York Times. Maar met de Post heeft ze in deze stad het hoogtepunt van deze carrière bereikt. ‘Ja. Je verkoopt er meer van deze dan van de anderen.’

Heeft ze kinderen?

‘Ja, ik heb vijf kinderen.’

Hoe laat staan die op?

‘Als het tijd is om naar school te gaan. Ongeveer kwart voor acht.’

Wie wekt ze en maakt ze gereed?

‘Mijn kerel.’

Weg. Terug.

Heeft haar man een baan?

‘Ja, hij is een bouwvakker.’

Weg. Terug.

Hoe oud is ze?

‘37, ik ben 37 jaar.’

Ik ook.

Ze glimlacht weer, verlegen. Haar gezicht is dun en voor een zwarte Amerikaanse donker noch licht, met een groot litteken net onder haar rechter kaak. Haar haar is plat en stijf maar niet echt verzorgd. Ze draagt een spijkerbroek en T-shirt.

Woont ze hier in de buurt.

‘Ja, ik woon op 54th Place.’

Weg. Terug.

Wat gaat ze doen wanneer ze straks weer thuis is?

‘Eten. En dan opruimen.’

Ze pauzeert.

‘En dan doe ik allerlei dingen als ik iets te doen heb.’

Zou ze een andere baan willen hebben?

‘Ja.’

Weg. Terug.

Welke andere baan?

‘Oh, in een magazijn of zo iets. Of iets met bewaking.’

Weg. Terug.

Zijn dat soort banen moeilijk te krijgen?

‘Je kunt ze krijgen als je een goede babbel hebt. Als je een kans

krijgt om met de juiste mensen te praten.’

Je moet connecties hebben?

‘Ja.’

Weg. Terug.

Heeft zij een goede babbel.

‘Nee, ik ben geen prater.’

 

 

 

Washington is een fraai maar hopeloos zootje

 

Heel de prachtige stad Washington, niet alleen Oost, is eigenlijk om te huilen. Cultureel is het fraai, maar sociaal-economisch een hopeloos zootje, een misplaatste grap van nationaal formaat, afgezien van het rijke, blanke Georgetown en de rest van Noordwest, waar alles prachtig in de verf zit en mooi wordt schoongehouden. Gemeentevoorzieningen zijn vaak bespottelijk, of het nu gaat om gesloten brandweerkazernes, een gebrek aan zandstrooiers voor besneeuwde straten of stoplichten die werk weigeren omdat de stad haar elektriciteitsrekening niet heeft betaald.

De vele en grote gaten in Washingtons wegdek zijn werkelijk bij de beesten af, behalve dan in Georgetown en omgeving, waar ze klein en schaars zijn. Scholen worden soms op last van de bouw- of brandweerinspectie gesloten en minder dan de helft van alle scholieren voltooit de middelbare school. Washingtons bevolking vlucht jaarlijks bij de duizenden; met 543.000 inwoners in 1997 waren er tien procent minder dan in 1990 en minder dan in 1933.

De stads politie is voortdurend om volstrekt verkeerde redenen in het nieuws. Het gaat dan over politieauto’ s zonder radioverbinding met het bureau omdat er geen geld is voor reparaties. Of over computers op politiekantoren die een zeldzaamheid zijn. Of over agenten die soms zelf

benzine moeten kopen voor hun patrouilleauto. Het gaat om recordaantallen moorden waarvoor niemand gearresteerd wordt en om selectieprocedures die zo belabberd zijn dat lieden met een strafblad als agent werden aangenomen. Sommige agenten kunnen nu vanwege dat strafblad niet getuigen in rechtszaken. Honderden anderen zitten inmiddels zelf in de bak vanwege corruptie en andere criminaliteit.

Vanwaar al die financiële en andere problemen? Niet alleen vanwege de drugshandel en andere misdaad. Het is het bestuur van de stad. Tot 1974 heerste er een koloniaal bewind, waarbij een comité van het Amerikaanse Congres, de nationale overheid dus, de stad regeerde. Dat comité werd veelal bestierd door machtige congresleden uit het Amerikaanse Zuiden. Dat waren dezelfde racisten die in hun eigen staten de zwarte bevolking met ontnomen stemrecht, brandslangen, honden en brandende kruisen achterin de bus en onderaan de maatschappelijke ladder probeerden te houden. Hun beleid voor het grotendeels zwarte D.C. was nauwelijks anders.

De inwoners van Washington hadden en hebben op nationaal niveau niets te zeggen. Ze hebben geen stemrecht voor het Congres, simpelweg omdat D.C. geen senatoren en vertegenwoordigers in het Congres heeft. Tot 1964 konden ze zelfs niet stemmen in de presidentsverkiezingen.

In 1974 kreeg D.C. haar eerste gekozen gemeenteraad en burgermeester. In 1978 kreeg het de tweede gekozen burgermeester, Marion Barry. Die verloor die positie pas weer in 1990, nadat hij was veroordeeld voor cocaïnegebruik en enkele weken later de verkiezing verloor. Barry deed het als burgermeester aanvankelijk nog wel aardig maar ontpopte zich gaandeweg tot een niet a-typisch postkoloniaal heerser. Macht werd geconsolideerd en portemonnees gevuld met nepotisme en regelrechte corruptie — Barry’ s macht en portemonnee, wel te verstaan, alsmede die van zijn politieke en financiële vriendjes en begunstigers. Het volk werd tevreden gehouden met overheidsbanen; Washington heeft ongeveer twee keer zoveel ambtenaren dan een even grote stad als Boston. Washingtons rare status als net-niet-staat en net-niet-stad beperkt de mogelijkheden om een gevarieerde economie te ontwikkelen. De basis voor lokale belastingheffing, in Amerika een belangrijk instrument voor lokaal beleid, is namelijk klein. Ruim veertig procent van de gebouwen in D.C. zijn van de nationale overheid en in tegenstelling tot bedrijven, hoeft die geen lokale belasting te betalen. Tegelijkertijd heeft Washington allerlei lasten die Amerikaanse staten wel maar steden normaal niet hebben, zoals een sociale zekerheidsstelsel, medische voorzieningen, een gevangenissysteem en pensioenkosten.

De stad moet ook een infrastructuur in stand houden die in grote mate wordt gebruikt door welgestelde pendelaars uit de suburbs in Virginia en Maryland, die ook al geen lokale belasting betalen, althans niet in D.C.; dat het de straten van de hoofdstad zijn die als eerste worden verwaarloosd is echt geen toeval.

Ter compensatie van deze oneffenheden krijgt de stad weliswaar geld van de nationale overheid maar Washingtons bestuurders en bevolking beweren veelal dat dit niet genoeg is. Hoe dan ook, de stads schuld liep begin jaren negentig in de miljarden dollars.

In 1994 greep het Congres weer in, ditmaal met een bewindvoerder en een comité dat nu D.C.’s financiële zaakjes probeert te regelen. Barry & Co. hebben vrijwel niets te zeggen over de federale saneringspoging. Voor veel inwoners van Washington riekt dit naar een terugkeer naar een racistisch koloniaal bewind. Zij zijn er sowieso van overtuigd dat de nationale overheid de hoofdstad nooit zo erg zou hebben laten verloederen als de bewoners niet hoofdzakelijk zwart waren. Daar hebben ze waarschijnlijk gelijk in.

‘Dit is niet de enige stad in moeilijkheden maar elders zetten ze de burgermeester niet af,’ zegt Lamont Mitchell, eigenaar van een restaurant in de arme wijk Anacostia. Hij kan niet veel enthousiasme opbrengen voor Barry maar zegt niettemin: ‘Als deze stad in meerderheid blank was, zouden ze D.C. nooit zo behandelen.’

Noot:

In september 1998 won Anthony Williams, de Chief Financial Officer van Washington, de Democratische voorverkiezingen voor het burgemeesterschap en daarmee, waarschijnlijk, ook het burgemeesterschap. Williams woont pas drie jaar in DC. Hij werd gekozen onder de belofte dat hij de `basisvoorwaarden zou herstellen’, met andere woorden: een overheid die een budget heeft en zich daar ook aan houdt, onderwijzers die onderwijzen, politie die eerlijk is, vuilnisophalers die hun werk doen en andere, tamelijk fundamentele zaken. Journalisten verwachten dat hiermee in elk geval een eind komt aan de corrupte vriendjespolitiek van Marion Barry die de stad zoveel kwaad heeft gedaan.