Reizend langs de Mississippi River

Elvis gaf de wereld muziek en de Mississippi gaf Elvis zijn wortels. Geen betere manier om de blues te volgen dan tussen Memphis en Vicksburg de Mississippi te volgen. Het is er warm, broeierig, armoedig, sjofel en tegelijk rijk en vruchtbaar. Net als de blues.

Door Guy Trebay

Parmantig staat een haan op een roze Ford Fairlane bij een roze huis met een roze garage. Op het gras tussen de rijbanen draaft een geelbruine hond. Ik rijd door het Zuiden, ongeveer waar je het land van de katoen verruilt voor dat van het suikerriet, waar je van de delta naar de bayou gaat. Tien dagen geleden reisde ik van New York naar de Mississippi Delta, en opeens blijkt het moeilijk afscheid te nemen. Op het dashboard van mijn rode cabriolet ligt een dot ruwe katoen naast een ansichtkaart van de jonge Elvis in een nauwsluitend rood pak. Ze schreeuwen me toe om te draaien en in de delta te blijven.

Kate, m’n vriendin en reisgenoot, kocht de Elvis-kaart in Graceland, in Memphis. Voor mij is Graceland één van de plaatsen waar de Delta begint. Een klein museum waar ze Elvis’ gouden platen bewaren, zijn trofeeën, zijn kranteknipsels en zijn kleren, en zelfs flesjes met ‘Elvis Presley-reukwater’.

‘Vóór Elvis was er niets’, zei John Lennon, cryptisch als altijd. Wat Lennon ook bedoeld mag hebben, zeker is dat na Elvis de wereld anders was. Elvis zette de wereld op muziek, en veel van die muziek kwam uit de Delta.

Een andere plaats waar mijn Delta begint, is de Pig Pen Barbecue aan Route 61 met zijn neonreclame van een varken dat in gesmokt schortje ribs serveert. En weer een andere is de Sunflower Food Store in Hollandale, waar de luidsprekers een jengelende gitaarversie van ‘Hava Nagila’ uitblèren. Deze reis begin ik bij het Buntyn Restaurant in oost-Memphis. Terwijl ik mijn auto parkeer hoor ik nog een stukje talk-radio en een schrille vrouwestem: ‘Girl, it’s too hot to be asking that man to be doing this and that. Girl, don’t even ask. Just love him up and give him some sugar.’

Bill en Mildred Tull kochten Buntyn vlak na de Tweede Wereldoorlog en hebben de menukaart sindsdien niet veranderd: fried chicken in batter en Momma Tull’s’ eigengemaakte broodjes, gebak en vruchtentaartjes, die, zo staat op de kaart, ‘Buntyn tegenwoordig beroemd maken’. Tegenwoordig is nu vroeger en Buntyn is wat je een ‘familierestaurant’ zou noemen als die term niet zo was uitgehold. Sjiek is het restaurant niet en ook het uitzicht is niet om over naar huis te schrijven. Maar het zonlicht kiert door de vergeelde gordijntjes, het eten is er zuidelijk als maar kan, en er komt hier allerlei volk.

In Buntyn’s eet je stevige kost, goedkoop, en ongehaast. Als ik naar Memphis ga, kom ik hier altijd eten en de sfeer oppikken. Ik vraag de serveerster die beslagen glazen ijsthee plant tussen de flessen met Bruce’s Green Pepper Sauce hoe lang ze al in Buntyn’s werkt. ‘Sinds de jaren vijftig’, vertelt ze. Zo’n begin van de reis bevalt me wel.

Wispelturige god

Ik was al een tijdje van plan door de Mississippi Delta te toeren, meanderend met de auto door een streek die tegelijk economisch gedoemd en cultureel gezegend is. Terwijl ik het mes zet in mijn coconut pie, peins ik over de geboorteplaats van de blues. Iedereen weet dat de blues hier vandaan komt, al twisten ze over de exacte lokatie. Volgens sommigen gebeurde het op het kruispunt waar gitarist Robert Johnson de duivel tegenkwam en zijn ziel verkwanselde voor muzikale geheimen. Maar als scheppingsverhaal heeft de Johnson-anekdote zijn beperkingen: wordt de Mississippi Delta Blues niet steeds opnieuw geboren? Komt hij niet net zo onontkoombaar voort uit deze streek als het landschap zelf?

De eindeloze vlakten en peilloze luchten van de Mississippi Delta zìjn de blues, net als de groene gewassen in de scherpe zaaivoren, de slaperige stadjes en de stapelwolken aan de horizon. De onveranderlijkheid maakt de Delta haast tijdloos. En de bittere, bijtende armoede houdt de Delta stevig vast in zijn verleden. Maar een prachtig gebied is het – open, leeg en opgezet met een palet van scherpe kleuren. Als de hitte je niet overweldigt, lijkt het licht hier te neuriën en te trillen in intense golven. Zelfs de schaduwen maken muziek.

Kijk je naar de kaart, dan is de Mississippi Delta een ‘slecht getekende halve ovaal’, zoals William Alexander Percy het omschreef. In 1941 schreef Percy zijn beroemde herinneringen aan de Delta, een tijdgebonden werk dat boven zijn racisme uitstijgt door zijn liefde voor mensen van de Delta en de bijbelse beschrijvingen van het land. ‘Memphis [is] at its northern and Vicksburg at its southern tip’, scheef Percy over deze alluviale vlakte van 350 kilometer lengte en 80 kilometer breedte, die van de rivier omlaag loopt als een gigantische afvoerput.

De Delta is bovenal een waterlandschap, bezaaid met slootjes en meertjes (er is vrijwel geen water waar niet een eenzame visser een lijntje uit heeft gegooid), doorwoven met moerassen en trage rivieren met namen als Quiver, Tallahatchie, Bogue Phalia of Yazoo, en met een uitbundig dierenleven. Aan de westkant wordt het hele gebied afgezoomd door een dijk, die de landmassa tegenwoordig gescheiden houdt van zijn bron, de ‘grote rivier, de wispelturige onverzoenlijke god van het land, geliefd en gevreesd, de Mississippi.’

Big Muddy

Op een mooie septemberochtend verlaten we Tennessee via Route 61, die langzaam omlaag gaat door de heuvels met dennenbossen van noord-Mississippi naar het laagland. In New York had ik me voorzien van de ‘Music of the Swamps’, een verzameling verhalen met onder andere een paar trefzekere passages van Lewis Nordan, een van de mooiste schrijvers van het Zuiden. In een ervan rijdt Fortunata Conroy ‘…[in] een prehistorische, sputterende Pinto onder het blauwe hemelgewelf van Mississippi. Zij ruikt de geur van de katoenbloesem in de wind, ze ademt het zoete moeraswater van de rijstvelden, ze komt langs bonenvelden met zwermen libellen, een weide met een witte muilezel, de vuilnisdump met ratten als herdershonden, langs een kudde herten tussen de maisstengels, een dood gordeldier in de berm en het plotselinge vleugelgeklap van moerasvogels door de rimboe.’

Overal in de Delta, langs de Great River Road, zijn achteraffe plekken te vinden waar Fortunata misschien nog steeds ronddwaalt met haar prehistorische, sputterende Pinto. Deze stadjes, zonder centrum of zelfs maar een verkeerslicht en met straten als ‘Ebb’ en ‘Seep Water’ en ‘Borrow Pit Road’, lijken opgesloten in de oksel van de dijk, omzoomd met kronkelende kilometers van zwaar akkerland.

Bij het winkeltje vlakbij Sardis Dam stoppen we bij een gedicht dat met krijt op een bord is geschreven: ‘JIGS LIVER CRICKETS PEPSI MINNOWS WORMS & ICE’. Ik vraag de weg terwijl Kate een verzameling vijftandige vorken om kikkers te vangen bekijkt. ‘Ga langs Moon Lake en steek de fabrieksweg over bij Friars Point.’ zegt de eigenares, een vrouw met bleke armen vol sproeten. ‘Er staat dat je niet mag oversteken, maar vandaar kun je op de dijk komen.’ Ze draait zich om naar Kate en zegt: ‘I like your hair.’

`Het lijkt wel theewater’, zegt Kate als we op een stuk gras staan en de Mississippi langs zien stromen aan de voet van de steile wal. Een rode sleepboot sputtert stroomafwaarts, golven achterlatend. ‘Ik denk dat ze het daarom Big Muddy noemen.’ Kate wandelt naar de waterkant, uit het zicht. In de verte knalt een uitlaatpijp waardoor een grote blauwe reiger van zijn boomstronk opschrikt. Als de vogel zijn vleugels openvouwt en opvliegt, komt Kate te voorschijn met het lege schild van een schildpad. De lucht achter haar is glazig. De bomen ritselen in een briesje. Opeens voel ik de geest van de Delta. Ik voel dat we een wereld zijn binnengetreden van vreemde stiltes en mysterieuze herinneringen.

Bluesfanaten

The Delta Blues Museum in Clarksdale is een duffe naam voor het verwaarloosd ogend filiaal van de lokale Carnegie Public Library en als archief staat het in de schaduw van de verzameling in het Center for the Study of Southern Culture in Oxford. Maar je moet het Delta Blues Museum zien als een toetssteen, een oriëntatiepunt in het hart van de regio. Hier komen de bluesfanaten uit Europa en Japan voordat ze de diepe Delta intrekken. Hier vinden ze de bladmuziek en de oude teksten.

Op de krakende houten trap naar het museum horen we al een oude, gekraste opname van Blind Lemon Jefferson’s ‘High Water Blues’. Meer Jefferson horen we rondwandelend tussen oude foto’s en instrumenten, zoals een van B.B. King’s robijnrode gitaren, Lucille geheten. John Lee Hooker groeide vlakbij Clarksdale op, net als Muddy Waters, Ike Turner, Big Jack Johnson, Son House en ga zo maar verder. ‘Ze komen allemaal hier vandaan,’ verklaarde Roebuck ‘Pop’ Staples ooit. ‘All of them blues folk.’

We overnachten in Clarksdale, en trekken de volgende ochtend zuidwaarts, zonder vaste bestemming. Net buiten de stad wordt Route 61 een lange, zwarte lus die zich slingert door kilometers hoogopgeschoten katoenvelden. Waar nog niet geoogst is, staat de gerijpte bloesem vol boven het glanzende, stijve gebladerte. Veel velden zijn bespoten met ontbladeringsmiddel, om het plukken te vergemakkelijken, waardoor de planten lijken op ‘geraamtes in jurken’, om Lewis Nordan nog maar eens te citeren. Kate plukt twee volle bollen, terwijl ik het dak van de cabriolet omlaag vouw. In het zonlicht bewonderen we de kegelvormige knoppen – hard, groen en toch zacht om aan te raken, een doornige rand aan de stengel. ‘Ladylike things’, bedenk ik, voor iets wat ‘King Cotton’ wordt genoemd.

We steken door naar State Highway 49 West en komen in Humphrey County, volgens eigen verklaring de ‘Catfish Capital of the World’. De groene velden met sojabonen wisselen hier de catfish vijvers af, ondiepe rechthoekige stukken water die het verzadigde blauw van de lucht weerspiegelen. In het gehucht Merigold bezoeken we een paar beroemde pottenbakkers. Hun studio staat midden in bos van bamboe, en voor hetzelfde geld zat je midden in Da Nang. Later op de dag verleidt een bord met ‘Watermelon. Food Stamps accepted!’ ons om te stoppen bij een kraampje. Het seizoen voor meloenen is al voorbij, maar de kraam heeft ook hopen ongepelde pecannoten. ‘Probeer eerst maar voordat je koopt’, zegt de eigenaar, de noten krakend in zijn handpalm. We horen dat hij 68 jaar geleden in de Delta geboren werd, en er 45 jaar heeft geboerd. Terwijl we praten stopt naast ons een pickup-truck met een koelbox achterop. Een man met rooiige wangen stapt uit. Hij blijkt een Cajun uit Folsom, Louisiana, die eens per week oesters, gumbo, garnalen en bloedworst naar de Delta brengt. Op die trip van zestien uur stopt hij hier altijd om pecannoten te kopen voor zijn moeder, voor haar pecan pies, die wereldberoemd zijn – iets dat me niet verbaasd. Iedereen in het Zuiden heeft een moeder die beroemde taarten maakt, want die vaardigheid hoort zo’n beetje bij het land.

De boer weegt de noten voor de Cajun maar rekent zo weinig dat het wel lijkt of hij ze weg geeft. Bij ons doet hij hetzelfde en ik opper hij zich misschien vergist. ‘Ach,’ zegt hij bedachtzaam, ‘de wereld is tegenwoordig helemaal rot, en als je het goed beschouwt, dan blijkt alles om geld te draaien. Dit is de prijs die ìk bereken.’

Mississippi Blues Festival

De volgende paar dagen zwerven we door de Delta, over achterafwegen zonder veel verkeer. We komen langs Little Twist Farms, vlakbij Panther Swamp National Wildlife Refuge, waar nog restanten van de alleroudste woodlands te vinden zijn. We rijden door Pappaw’s Christmas Tree Forest, niet ver van Lake Washington, en vinden een kleine ongeverfde tempelachtige constructie, die als iemands’ vishut dient. Stukjes katoenpluis zweven over de weg en blijven hangen in de struiken. Rookpluimen kringelen omhoog van het verbranden van oogstresten. Zelfs met meer dan honderdtwintig per uur, ruiken we hun opdringerige geur.

Sinds zijn ontstaan, zestien jaar geleden, is het Mississippi Delta Blues Festival in Greenville een vast punt geworden op de blues-agenda van het zuidoosten. Het ontstond uit een door zwarten gerund buurtproject en wordt gesponsord door de drankindustrie. Tegenwoordig is het de grootste toeristentrekker in de regio. Daarnaast is het, al naar je stemming, dè gelegenheid om van de blues te genieten of jezelf vol te gooien met drank.

Vergeleken met andere bezoekers van festivalterrein reizen wij lichtgepakt. Wij hebben geen tuinstellen van gevlochten ijzer bij ons, noch een legertent die een peleton onderdak kan geven. We ontberen zelfs het meest eenvoudige overlevingspakket van parasollen, strandstoelen, koelboxen, vaatjes bier en barbecues. Wij hebben alleen Caterpillar-petten gekocht tegen de zon en hopen er verder het beste van.

De publiekstrekkers, Koko Taylor en de Bobby ‘Blue’ Band, komen pas vanavond aan bod, maar in de uren daarvoor is de lucht gevuld met het kreunen en gieren van mindere blues-goden. De bewolkte lucht en de benauwde hitte drukken de stemming niet. Wie geen proviand heeft meegenomen, hoeft niet te verhongeren. Mr. Turkey Leg verkoopt watermeloen, chitterlings (in deeg gefrituurde ingewanden van varkens), kalkoenpoten, varkenspens en sandwiches met gefrituurde catfish. Mensen wachten geduldig in de zinderende hitte. Ze knabbelen aan het zoete vlees van pork ribs. Een vrouw ligt loom in een strandstoel, een hap hot dog afwisselend met een hap rode pepers, en beide wegspoelend met een blikje Colt 45. Ze heeft die zalige blik van iemand die denkt de formule voor pure bevrediging te hebben gevonden.

Wij zijn minder gelukkig. De muziek is slecht te horen en de zon is ons net iets te veel. Ik denk er sterk over er de brui aan te geven als ik me de juke joint herinner, in een trailer achter op het veld. Overal in de Delta hebben we juke joints gezien en waren we gefascineerd door de uithangborden van deze typische zuidelijke tenten met live blues, alleen bleken Club Amnesia, Club Cat Man Door, de Starlight Lounge, de Bee Gee Club, de City Wood Pile Lounge, Club Chill en de Skin Man Place nooit open te zijn. We grijpen onze kans.

Reverend Leon Pinson strijkt nog eens de kreukels uit zijn duifgrijze pak en vouwt zijn enorme hand rond de nek van zijn gitaar. De aankondiger zegt ‘Reverend Pinson don’t play no blues’ en daar kijken we van op. Maar het blijkt een woordenspel: een born-again preacher kan natuurlijk geen ‘duivelse muziek’ spelen. ‘The blues you hear may be in your mind,’ zegt de man, maar vanaf de eerste noten van I’m Packing Up weet ik dat hij ook in mijn oren zit.

Pinson en andere bluesmen brengen het publiek tot tranen, laten het schudden van het lachen en verleiden het tot onverwachte heupbewegingen. Een jonge schoonheid op het gras staat op en swingt op een uitdagende manier. Een rare blanke jongen draait cirkels om haar en spint dan weg in een of andere privéwereld. Zijn plaats wordt ingenomen door een oudere vrouw met een vol hoofd grijzend haar. Ze voert een subtiele beweging uit die niet zozeer de echo is van de sensualiteit van de jonge vrouw maar de concentratie. De jonge vrouw beweegt haar heupen in vloeiende bewegingen, de oude vrouw gebruikt wat ze heeft. Iedere schok en iedere huppel, ieder schudden van haar hoofd: evenzovele herinneringen.

Tekenen van de oude orde

Als we richting Greenwood rijden, zien we in de verte de regen aankomen. Ik blij met de afkoeling. Als de neerslag te zwaar wordt, stop ik op de berm en laat de ruitewissers heen en weer klappen terwijl de bliksemschichten aan de horizon staan.

Het Zuiden van Jim Crow, van segregatie en racisme, lijkt in Greenwood nog niet verdwenen. Zelfs in Lusco’s Restaurant zien we nog tekenen van de oude orde. Lusco’s is al 61 jaar in de familie, vier generaties lang. Het is een anachronisme, gevestigd in een nu verlopen deel van de oude binnenstad. Het bestaat uit een serie privé-eetkamers, ieder met eigen tafelbediende, meestal een man. De muren tussen de kamers zijn gemaakt van dun harmonicakarton, laten licht door en zijn ongeveer twee meter hoog. Iedere tafel staat zo in zijn eigen kamer, waardoor gasten in een vreemd soort tussenwereld verkeren, onzichtbaar voor de mensen die ze horen lachen praten.

Tot een paar jaar geleden was er geen gedrukte menukaart in Lusco’s, en ook geen vrouwelijke of zwarte bediende. Met de tafelbel riep je bedienden die zwegen tenzij er tegen hen gesproken werd. Een jonge serveerster, die we zeker kregen vanwege ons Yankee-accent, vertelde ons de geschiedenis. Lusco’s was ons aangeraden door de Merigold-pottenbakker, die beweerde dat het eten van Andy en Karen Pinkston het beste van de Delta was. Maar onze kennis had ons niet voorbereid op de surrealistische kwaliteiten van de zaak. Luid gelach uit een andere ruimte, een vrouwestem. Een oude zwarte man die voorbijkomt met een wagentje vol borden. ‘Alle oude families van Greenwood komen hier eten’, zei de serveerster. ‘Sommige willen nog steeds geen vrouw om hen te bedienen.’ En ze haast zich toe te voegen dat de zwarte acteur Denzel Washington hier dineerde toen hij in Greenwood opnames maakte. ‘We zijn niet gesegregeerd of zo.’

Uitstraling van overvloed

Na een week in Mississippi zijn we gewend aan de hitte, de sloomheid en de dorpen die eruit zien als decors waaruit alle levende wezens zijn ontvoerd. Met het dak van de cabriolet naar beneden en de airconditioning op maximaal, hebben we schaamteloos veel fossiele brandstof verbruikt, en genieten we van een onwerelds gevoel van tevredenheid. Ik vraag me af waarom, terwijl we over een verlaten weggetje scheuren tussen velden zo zwart en vruchtbaar dat de grond lijkt te ademen.

Anders dan Fortunata Conroy hebben we niet de geur van katoenbloesem opgesnoven, een witte muilezel gezien of een vlucht moerasvogels gehoord, al hebben we wel een dood gordeldier in de berm zien liggen. Maar we voelen ons beide erg tot de Delta aangetrokken. Misschien is het de open manier waarop mensen ons groeten: hun gemak in de omgang, zo in tegenstelling tot Faulkners beschrijving van de Deltans als ‘licht arrogant’. Misschien is het ook dat Mississippi zo wijds lijkt, zoals het Westen ooit geweest moet zijn. Elk dorp waar we langskomen heeft een Sunflower of een Cotton Street, een verzameling propere huisjes met overhangende dakranden, een lappendeken van stukjes tuin, van fruitbomen in onregelmatige, verwaarloosde boomgaarden. De Delta straalt overvloed uit.

Ik moet denken aan de grond, die soms rood is, soms poederachtige bruin als goede cacao en soms zwart als teer, gedurende honderden jaren afgezet in lagen, ieder een herinnering van een overstroming of andere ramp, lang geleden. Er was een tijd, las ik, dat de Delta helemaal bebost was. Om het land te ontginnen, werden de bomen met wortel en tak verwijderd. Ik las ook over de uitputting van deze grond en de kwaal van de monocultuur, over aarde die vergiftigd is tot aan de waterspiegel. En toch ziet de Delta er in mijn ogen erg rijk uit, alles behalve verwoest.

Grootse beschrijvingen

In hoog tempo over een tweebaans golvende weg rijden we door Itta Bena het open land in, voorbij de stalen brug over de Sunflower River, door een gehucht van amper acht huisjes en een bord met het aantal inwoners erop gekalkt, langs gigantische balen katoen die wachten op transport, langs een Little Wimps Bar B Q House, langs een afgebladderd billboard waarop staat: SAY NO TO DRUG, terwijl een landbouwvliegtuigje een paar velden bestuift.

Op de kaart ziet het deel van de rivier waarnaar we op weg zijn er uit als een netwerk van bochten en draaien. Vanaf de Great River Road lopen de zijweggetjes, een ervan zal ons naar een zandpad voeren dat een paar kilometer over de dijk gaat. We rijden langs stukken stilstaand water en gestoppelde korenvelden waarin vee graast. Al zoekend naar een afslag, neem ik per ongeluk een boerenweggetje vol wielsporen en zonder dralen weet ik de auto tot over de wieldoppen in de Mississippi-modder te werken. Het begint zacht te regenen.

We proberen op gang te komen door stokken, takken en zelfs onze dierbare zak pecannoten onder de wielen te leggen. De modder vliegt alle kanten uit, en de motor laat een afschuwelijke geknars horen. ‘Probeer zijn vooruit!’, schreeuw ik, ‘Zijn achteruit!’ Opeens vervloek ik nu de afstand tot welk dorp dan ook, de rode mieren die in mijn broekspijp kruipen, de Delta zelf. Dit soort dingen gebeurt niet in de straten van New York, bedenk ik als ik achter de bumper aanstruikel, terwijl de auto in een ander spoor glijdt. In een laatste poging schud ik de auto heen weer terwijl Kate vol gas geeft. Ineens pakken de wielen en de auto vliegt achteruit de dijk op. De modder schiet naar alle kanten, vooral de mijne.

Nu moeten we echt de rivier vinden, en dat doen we ook, langs een andere zandweg die eindigt bij een verhoogde oever vanwaar je uitkijkt op Arkansas, aan de andere kant. Een zandpad voert naar het water, waarin we ons afspoelen. De regen is gestopt. Wolkenflarden hangen in een opgeklaarde hemel.

Er is geen scheepsverkeer, en de verkwikkende stilte is een verrassing. Met mijn voeten bungelend in de Vader der Rivieren, de Mechesebe volgens de Indianen, luister ik naar de zoemende insekten en probeer ik me de veelgeroemde immensheid van de rivier voor te stellen. De beschrijvingen lijken allemaal te groots, te overdreven voor deze trage, rustige stroom. Maar die indruk is een toeristenluxe: ik hoef nooit de grillen en kuren van de Mississippi te leren kennen. We hangen een tijdje rond op de oevers, voor we verder gaan naar Vicksburg en later naar New Orleans. Net als we Mississippi uit- en bayou country inrijden, zie ik die zwerfhond rennen in de richting waar wij vandaan komen. De hond heeft een echt doel voor ogen, voel ik. Ik geloof dat hij weet welke kant hij op moet gaan.