De jongens van de CCC, Civilian Conservation Corps

Voor één dollar per dag, drie maaltijden en onderdak werkten honderdduizenden Amerikaanse jongens in de depressiejaren aan hun toekomst en die van hun land. Het programma was een razend succes en hun werk is nog steeds overal te zien, in parken en civiele projecten.

Door Frans Verhagen

‘Er waren dertig jongens uit mijn county in Arkansas die op dezelfde dag in 1936 in de CCC gingen. We namen een trein uit Little Rock, en ze riepen onze namen af toen we stopten in Clarksville. Dat was rond middernacht. Ze zetten ons in een vrachtwagen en reden ons naar een kamp in de bossen, aan het einde van een doodlopende weg, in een wildernisomgeving. Ik was gewoon bang. Ik was zeventien en bang voor bijna alles.

‘De jongens in het kamp kwamen naar buiten rennen in hun ondergoed, roepend: ‘Fresh Meat!'. Ze bedoelden ons. We waren allemaal arm, vrijwel niemand was ooit van huis geweest. Drie van de dertig renden die nacht weg en kwamen nooit meer terug. Ze gaven ons twee nette uniformen en twee werkuniformen en twee paar legerschoenen en dát maakte me bang omdat het meer kleren waren dan ik ooit tevoren had gezien. En ze zeiden dat als we de kleding kwijtraakten onze ouders zouden moeten betalen, en ik wist dat die van mij dat niet konden.'

Wayman Wells, een 75-jarige gepensioneerde machinist, glimlacht bij het vertellen over die schichtige tiener die hij was op die zomernacht, lang geleden, dat hij lid werd van de Civilian Conservation Corps. Maar zoals alle CCC-veteranen die ik ontmoet, herinnert hij zich zijn trots op wat waarschijnlijk het meest populaire programma was van de New Deal: ‘Ik zou er nog steeds zijn, denk ik, als dat mogelijk was geweest.'

Dat het leven van Wells en vele andere mannen blijvend werd veranderd, was maar één van de erfenissen van het programma dat direct aan het begin van Franklin Roosevelts eerste termijn begon en doorging tot 1942. Zeker niet minder belangrijk is het werk dat de jongens van de CCC achterlieten: een prachtige nalatenschap van parken, dammen, bruggen, gebouwen, wegen en honderden conservatie- en restauratieprojecten. Een derde erfenis is een groep van nog steeds bestaande programma's die gemodelleerd zijn op de CCC, zowel op staatsniveau als landelijk in de vorm van president Clintons AmeriCorps.

Recordsnelheid

De oorspronkelijke CCC begon met wat waarschijnlijk een record is voor bureaucratische snelheid. Slechts 35 dagen gingen voorbij tussen de inauguratie van president Franklin Roosevelt en de inschrijving van de eerste CCC-

jongens – ze werden altijd ‘boys' genoemd – op 7 april 1933. Binnen die periode was de wetgeving geschreven, aangenomen en ondertekend, waren richtlijnen uitgevaardigd, was de selectie van kampeerplaatsen begonnen en, misschien het meest opmerkelijk, bundelden vier departementen – Landbouw, Binnenlandse Zaken, Arbeid en Oorlog – hun krachten om het programma te besturen. In juli zaten er 274.375 jongens in 1300 kampen.

Om in aanmerking te komen moest een jongen tussen de 17 (eerst 18) en de 25 (later 28) jaar oud zijn, ongetrouwd, werkloos, in goede gezondheid en behoeftig. Hij meldde zich vrijwillig in bij een lokaal hulpkantoor dat als selectiebureau diende. Hij schreef zich in voor een termijn van zes maanden, die hij tot twee jaar kon uitrekken en nog langer als hij was gepromoveerd naar een leidende functie. Vijf procent van de oorspronkelijke 250.000 vielen in de eerste maanden af, de meesten omdat ze werk weigerden of de kuierlatten namen. Ingeschreven jongens kregen dertig dollar per maand betaald, waarvan 22 tot 25 dollar naar huis gestuurd werd voor hun families. Op zijn hoogtepunt, in september 1935, had de CCC 502.000 leden in 2514 kampen. In totaal namen 2,9 miljoen jongens deel aan het programma, in de negen jaar dat het bestond.

Het leger bouwde en organiseerde de kampementen, meestal bestaande uit vier barakken met veertig tot vijftig man per barak, met een eetzaal, recreatiegebouw, ruimte voor de officieren, een school voor avondonderwijs, een toiletruimte en een badhuis, beide afgescheiden van de barakken. De jongen stonden op bij de reveille door een trompetspeler, stelden zich 's ochtends en 's avonds in formatie op en moesten op tijd zijn voor het eten of het zonder doen. Zodra ze naar hun werk gingen was het meestal de Forest Service die het overnam. Burger voormannen en ‘ter plaatse ervaren mannen' leidden de werkers. Hun gereedschap bestond uit schoffels, houwelen en zware hamers, dubbelzijdige bijlen en grote zagen. Het grootste deel van de 200.000 zwarte CCC'ers diende in aparte, gesegregeerde eenheden. De regels werden versoepeld voor Indianen en veteranen uit de Eerste Wereldoorlog. De veteranen waren natuurlijk ouder en in het geval van de Indianen was het de tribal council die de projecten administreerde en de ingeschreven werden in hun eigen gemeenschappen tewerkgesteld.

Volgens statistische portretten van het bureau kwam de gemiddelde ingeschrevene op 18,5-jarige leeftijd bij de CCC en bleef negen maanden; werd vijf tot veertien kilo zwaarder en groeide een centimeter tijdens zijn verblijf. Hij had niet meer dan lagere school, had voor de CCC geen regelmatige baan gehad, en van zijn cheque waren drie familieleden afhankelijk. Zestig procent kwam uit kleine stadjes of rechtstreeks van de boerderij. Uit mijn eigen onderzoek kan ik daaraan toevoegen dat de meesten gehoorzaam waren, patriottisch, tanig, dankbaar voor de kans die ze kregen en, man voor man, ervan overtuigd dat de CCC tegenwoordig nog net zo'n goed idee is als toen.

Stromend water en elektriciteit

De CCC was niet alleen een reddingsboei voor deze ondervoede zonen van de depressie, het programma leverde ook profijt op voor het hele land. De bakstenen dam en brug bij Cumberland Mountain State Park nabij Crossville, Tennessee, werd gebouwd met handgemaakte zandsteen en is een gracieus maar tegelijk stevig bouwwerk dat lijkt op een Romeins aquaduct. Het uit rode dennen boomstammen opgetrokken hoofdkwartier van Chippewa National Forest in Casse Lake, Minnesota, een van de grootste houten gebouwen ter wereld, is een meesterwerk van heel precies op maat gemaakte en ingekeepte stammen. Het mooie amfitheater in Mt. Tamalpais State Park in Californië, gebouwd naar het model van een Grieks-Romeins theater in Sicilië, bevat vijfduizend stenen die ieder meer dan driehonderd kilo wegen. Het zandstenen botenhuis in Backbone State Park in Iowa, een delicaat gebouw met intrigerend en speels metselwerk, staat als een miniatuur kasteel om het door de CCC gemaakte enorme meer te bewaken. Ex-CCC'ers hebben het gevoel dat ze wat aan het land hebben bijgedragen.

Het leven in de CCC met drie maaltijden per dag, stromend water en elektriciteit was een hele vooruitgang voor jongens uit verarmde landelijke gezinnen. ‘Het was beter dan wat ik gewend was', zegt Clinton Boyer uit St. Louis. ‘Thuis hadden we geen stromend water en gebruikten we olielampen'. Lonnie Goddard uit Bradley, West Virginia, herinnert zich dat hij één ei had voor twee maaltijden op de boerderij van zijn familie in de Appalachen. ‘Ik at het wit op als ontbijt en nam het eigeel op corn bread mee naar school.'

Doyle Jones uit Jamestown, Tennessee, weet nog dat de trip naar het kamp al een hele gebeurtenis was, simpelweg omdat hij nooit had gereisd. In het kamp was Jones verbaasd over het exotische voedsel: bananen en sinasappels. Allemaal herinneren ze zich het eten met een plezier dat zijn oorsprong vindt in gebrek aan voedsel dat ze gewend waren.

In 1942, toen de geldkraan voor de CCC werd dichtgedraaid en de meeste jongens een ander uniform aantrokken, bracht het bureau een rapport uit dat de resultaten boekstaafde. De aantallen en de enorme gevarieerdheid op zich maken diepe indruk: de CCC bouwde 46.854 bruggen, 3.116 brandwachttorens, meer dan 28 miljoen hekken, 318.076 ‘check dams' voor erosiecontrole en 50.000 kilometer terrassen. De jongens van de CCC bestreden bosbranden, muggen en bodemerosie, ze plantten bomen en gras, groeven kanalen en sloten, legden pijp, verbeterden leefomstandigheden voor wilde dieren en bouwden of onderhielden duizenden kilometers wandelpaden. Ze voerden iedere vorm van conserveringswerk uit die een landbeheerder maar kon bedenken. Sommigen overleefden het niet. Bosbranden eisten het leven van 47 jongens, bijna driehonderd kwamen om toen een orkaan drie kampementen van oorlogsveteranen verpletterde in 1935, op de Florida Keys.

Asbak om je nek

Hun voormannen gebruikten tekeningen voor grote projecten zoals de Crossville Dam maar vaak werkten ze zonder plan omdat plannen papier waren en papier betekende betrokkenheid van de militairen. En dat leverde alleen maar gezeur op. In extreme koude of bij stormachtig weer bleven de CCC'ers in het kamp, maar normaliter begonnen ze om kwart over zeven en stopten om vier uur, met een pauze voor de lunch die in het kamp werd genoten of per truck naar de werkplek werd gebracht. ‘Ze brachten lunch in grote oude ketels en we aten de bonen en de appelmoes door elkaar gemengd in onze eetbakjes', herinnert Goddard zich. Het werk was zwaar. ‘Ik moest gaten vullen in de weg', zegt Burl Hutchinson uit Columbus Junction, Iowa. Goddard moest rots opblazen en klein hakken en op trucks laden.

Wie geluk had, leerde een vak. Arthur Jackson, die later een succesrijke boorbedrijf had in Lebanon, Tennessee, zaagde blokken zandsteen voor de Crossville Dam: ‘Die jongens wilden leren, leren en nog eens leren.'

Hoewel de CCC'ers burgers waren, heerste er in hun kampen militaire discipline. Niet ‘Yeah' maar ‘Yessir', herinnert Burl Hutchison zich. ‘Overal hadden ze een hoorn voor', zegt Goddard, ‘en ik was gewend wakker te worden van de haan, niet van een hoorn. Je moest je bed opmaken met zes inches wit onder het kussen en alles moest precies op zijn plaats liggen in je kastje. Als je je sigaret op de grond gooide kreeg je een dag lang een asbak om je nek.'

Ze moesten zich scheren, regelmatig in bad en het haar kort houden. Hoewel het regime verschilde per kampcommandant, moesten de jongens meestal salueren naar de officieren. Tegen het einde van de CCC, op de rand van de oorlog, leerden ze ook marcheren.

De winkels in de kampen verkochten snoep, zeep, sigaretten en soms bier, in ruil voor bonnetjes uit een boekje dat de jongens voor een dollar konden kopen. Ieder kamp had een sportprogramma, altijd met honkbal en boksen en soms met basketbal: twintig CCC'ers kwamen terecht bij de major league honkbalcompetitie en Hall of Fame binnenvelder Red Schoendienst diende in een CCC-kamp in Illinois. Er waren bibliotheken en avondcursussen en al werd onderwijs nooit beschouwd als het meest succesvolle onderdeel van de CCC, het werd belangrijker naarmate het programma zich ontwikkelde. Zo'n beetje alles, van elementair onderwijs tot beroepsonderwijs en zelfs etiquette werd in het kamp onderwezen. In 1938-1939 alleen al leerden bijna 8500 CCC'ers lezen en schrijven. Ieder kamp of groep van kampementen had een militaire dokter toegewezen gekregen.

Practical jokes waren een vaste CCC traditie: nieuwelingen kregen opdracht om ‘de vlaggenmast water te geven' of werden op pad gestuurd om niet bestaande zaken als ‘luchthaken' of zo te vinden. De CCC'ers ontwikkelden ook een eigen geheimtaal, met ondoorgrondelijk jargon. 's Avonds speelden ze kaart, ping pong of maakten muziek. Over het geheel genomen waren de jongens van de CCC noch rebellen noch probleemgevallen: ze hadden voor de CCC gekozen en de meesten accepteerden de discipline en het harde werk. Maar vanaf het prille begin waren er een aantal die daar moeite mee hadden en er waren soms opstanden en enkele keer complete muiterijen. Desertie was altijd een probleem: twaalf procent van de jongens die in 1937 het corps verlieten, een percentage dat opliep in latere jaren. Een jongen werd als deserteur beschouwd als hij acht dagen AWOL was, Away Without Official Leave. Niemand werd achternagezeten al waren sommigen jaren later nog bang dat ze op hun gedrag aangesproken zouden worden. De meeste deserteurs liepen de eerste paar dagen weg, meestal met heimwee. CCC'ers organiseerden werkonderbrekingen en voedselstakingen om te protesteren tegen uitgaansverboden, werk in koud weer en de hoeveelheid en de kwaliteit van het eten. In Arkansas ging een conflict over het verplicht dragen van stropdassen en wollen pakken in warm weer.

De echte conflicten waren vooral die tussen de jongens van de CCC en bewoners van nabijgelegen gemeenschappen. Sommige stadjes hingen ‘No CCC's Allowed' borden op. Op weekeinden als de jongens de stad ingingen, waren er vaak opstootjes met lokale jongens. ‘Dat gaf ons een band', zegt Lonnie Goddard. ‘Als de jongens in de stad je iets deden dan kregen ze het met ons allemaal aan de stok. We waren als broers.'

Als een CCC'er een meisje opdeed, kon hij haar in de stad vergezellen maar niet mee naar het kamp brengen. De jongens in Robert Ritchie's Iowa kamp hadden bijnamen voor de meisjes. ‘Een roodharige uit het stadje Strawberry Point werd The Strawberry Roan genoemd', zegt Ritchie. ‘Ik was op een CCC-reunie, niet zo lang geleden en had het daarover, waarna de vrouw die een paar stoelen van me vandaan zat opmerkte: ‘Dat was ik.' Ze was getrouwd met een CCC'er.' Honderden huwelijken vonden plaats maar er waren nog veel meer slechte herinneringen. Vaak werden de jongens gediscrimineerd en behandeld als poor trash.

Zie de wereld per schop

Vraag een CCC-veteraan wat hij aan de ervaring heeft overgehouden en het antwoord is zonder uitzondering dat hij leerde ‘met andere mensen om te gaan'. Niet dat dit een waardering betekende voor etnische of culturele diversiteit, het was veel eenvoudiger: vaak was dit de eerste keer dat ze ergens geweest waren. De CCC was hun eerste ervaring buiten huis, boerderij, dorp en school. Eén kamp hanteerde de slogan: ‘Join the CCC en zie wat van de wereld, een schop vol tegelijk'. De CCC was hun eerste blik op de hoeveelheid schopladingen die er waren.

De meesten leerden ook levenslessen: discipline was belangrijk, een opdracht krijgen en hem uitvoeren. Ook trots op je werk en het resultaat van je inspanningen was voor velen iets relatief nieuw. Vaak maakte de CCC van verlegen, slome plattelandsjongens die zichzelf als losers zagen sterke meer effectieve mannen. Self-esteem zou het tegenwoordig heten.

Als de CCC-veteranen op zoek gaan naar hun oude kampen, zoals veel van hen hebben gedaan, vinden ze vaak niet meer dan onkruid, bomen en soms een stuk beton dat als vloer diende. Het leger brak de barakken weer af nadat de CCC in 1942 ophield te bestaan. De meeste veteranen reageren als Harry Marsanick toen hij de plek van zijn kamp in Missouri bezocht: ‘Ik was verbaasd. Ik ben daar vijftien maanden geweest maar het leek alsof er nooit wat gebeurd was. Ik had gedacht dat er toch wel iets te zien zou zijn.'

De mannen die ik voor dit artikel interviewde, zijn ervan overtuigd dat de CCC een positieve rol vervulde voor henzelf en voor het land, en ze denken dat het nog steeds zou kunnen werken, zoals het inderdaad blijkt in staatsprogramma's. Sommigen zien het CCC model als een manier om de handvaardigheden die dreigen te verdwijnen te herstellen. Maar de meesten denken ook dat de jonge mensen van vandaag niet hongerig genoeg en niet werkwillig genoeg zouden zijn om het te doen. Ze groeien op in een samenleving die voor de mensen die de jaren dertig hebben doorgemaakt onherkenbaar is.

Er zijn een paar CCC-musea, een hersteld kamp in het noorden van Minnesota, een standbeeld in Los Angeles en, het belangrijkste, het resultaat van hun harde werken: de monumenten van hout en steen. En hun herinneringen. Misschien is dat uiteindelijk wel voldoende. ‘Ik probeerde mijn kamp in Crossville te vinden', vertelt Arthur Jackson, ‘en ik kon er niet eens meer een spoor van aantreffen. Maar dat is prima. Ik kan het nog steeds in mijn herinnering voor de geest halen en ik weet dat wat wij deden blijvend was en dat is wat telt. Het is niet een plakkaat of een bord of een kamp, het is wat we deden dat belangrijk is.'