Barry Goldwater

 

door Gert-Jan van Tilborg. (Dit artikel is een bewerking van mijn eindscriptie Consensus of Conservatisme?, waarmee ik in 1997 afstudeerde als Amerikanist aan de Universiteit Utrecht).

Voorzover nog niet helemaal vergeten, wordt Barry Goldwater vooral herinnerd als de rabiate politicus die tijdens de presidentsverkiezingen van 1964 een smadelijke nederlaag leed tegen de Democraat Lyndon Johnson. De nu 88-jarige Goldwater was in 1964 een uiterst conservatieve kandidaat die met zijn extreme opvattingen over afschaffing van de sociale voorzieningen en een mogelijk gewapend conflict met de Sovjet-Unie bij de meeste kiezers weinig vertrouwen wist te wekken. De zittende president Johnson daarentegen hoefde in deze roerige periode, waarin Amerika nog de hevige naweeën van de moord op Kennedy voelde, eigenlijk niet veel anders te doen dan rust en orde te beloven en het gedachtengoed van zijn illustere voorganger intakt te laten. Met een overweldigende meerderheid van stemmen werd Johnson dan ook gekozen tot 36e president van de Verenigde Staten. Goldwater was het lachertje van de politiek en werd zelfs door zijn conservatieve partijgenoten al snel op een zijspoor gezet. Onterecht, want de smadelijke nederlaag en zijn dubieuze opvattingen ten spijt was hij wel de eerste Republikein die er in het naoorlogse Amerika in slaagde om het conservatisme weer een grotere rol binnen de Republikeinse Partij te laten spelen. Feitelijk werd met de nominering van Goldwater tot presidentskandidaat voor de Republikeinse Partij een basis gelegd voor het latere succes van de conservatieven bij de benoeming van Ronald Reagan tot president. Hoe kon het zover komen dat een extreem conservatieve kandidaat als Goldwater presidentskandidaat werd namens de Republikeinse Partij?

Op het eerste gezicht was het tegen de wetten van de politieke logica in dat in 1964 de conservatief Goldwater de nominatiestrijd van zijn partij wist te winnen. Het was de periode van liberal consensus, waarin zowel de Democraten als de Republikeinen het in grote lijnen eens waren met de uitvloeiselen van de New Deal. In de dagelijkse praktijk betekende dit dat de federale overheid en de vakbonden een grotere rol gingen spelen in het maatschappelijke leven. Zo kwam er een stelsel voor primaire sociale voorzieningen en betere arbeidsvoorwaarden voor werknemers. Voor een conservatieve kandidaat leek er ook binnen de Republikeinse Partij in dit consensus-tijdperk weinig eer te behalen. De gematigde Republikeinen waren veruit in de meerderheid en hadden bovendien Nelson Rockefeller in hun gelederen, een politiek zwaargewicht uit een roemruchte familie die al jaren hoopte om nog eens genomineerd te worden. Aanvankelijk zag het er dan ook naar uit dat Rockefeller zonder al te veel moeite de nominatie zou kunnen verwerven, maar zijn turbulente privé-leven bracht zijn schijnbaar riante positie toch nog in gevaar. Het was Rockefeller in 1961 al niet in dank afgenomen dat hij van zijn eerste vrouw was gescheiden, maar toen hij amper twee jaar later met het jonge partijlid Robin Murphy opnieuw in het huwelijksbootje stapte had hij het bij de traditioneel ingestelde Republikeinen goed verbruid. Een partij die familiewaarden hoog in het vaandel heeft staan, kon het zich niet permitteren om een presidentskandidaat te hebben die op dit terrein nou niet bepaald een voorbeeldfunctie vervulde. Rockefeller maakte weinig kans meer om genomineerd te worden, maar met Henry Cabot Lodge (Amerikaans ambassadeur in Zuid-Vietnam en de favoriete kandidaat van voormalig president Eisenhower) en William Scranton (gouverneur van Pennsylvania en een vooraanstaand politicus uit het Eisenhower-tijdperk) hadden de gematigde Republikeinen nog twee potentiële presidentskandidaten in huis. Beide kandidaten waren echter weinig enthousiast om zich in de nominatiestrijd te storten. Scranton was een fletse kandidaat die voortdurend een zo neutraal mogelijke positie wenste in te nemen, en ook Lodge liet nauwelijks van zich horen.Waarschijnlijk ook tot zijn eigen verbazing wist Lodge nog wel de primaries in New Hampshire te winnen, vervolgens werd er echter weinig meer van hem vernomen. De gematigde Republikeinen waren er desalniettemin van overtuigd dat de nieuwe presidentskandidaat hoe dan ook uit eigen kring zou komen.

Pas toen Barry Goldwater de belangrijke primaries in Californië had gewonnen begonnen de gematigde Republikeinen zich echt zorgen te maken. Tot dan toe hadden de gematigde Republikeinen Goldwater min of meer genegeerd, omdat ze ervan overtuigd waren dat deze 'extreme fanaticus' toch geen schijn van kans zou hebben genomineerd te worden. De uitslag van de primaries in Californië liet echter zien dat de gematigde Republikeinen hun conservatieve partijgenoot behoorlijk hadden onderschat. De gematigde Republikeinen leken nu pas echt wakker geschud en begonnen een heus "stop Goldwater-offensief". Goldwater werd nu door zijn partijgenoten publiekelijk in diskrediet gebracht, met als gevolg een bittere partijstrijd die binnen de Amerikaanse politieke geschiedenis zelden zo duidelijk zichtbaar was geweest. In niet mis te verstane bewoordingen maakten Rockefeller en de zijnen de overige partijleden duidelijk dat Goldwater een regelrecht gevaar voor de democratie was. Goldwater werd afgeschilderd als een gevaarlijke fanaticus die eenmaal in het Witte Huis direkt de oorlog zou verklaren aan de door hem gevreesde communistische machthebbers in de Sovjet-Unie. Goldwater liet zich in de opgelaaide ruzie niet onbetuigd en verklaarde dat de gematigde Republikeinen beter lid hadden kunnen worden van de Democratische Partij, waar volgens hem het 'socialisme' al lang gemeengoed was geworden. Enige vorm van consensus of samenwerking binnen de Republikeinse Partij was door de opgelaaide partijstrijd definitief uitgesloten. Door Goldwater onophoudelijk zwart te maken hoopten de gematigde Republikeinen hun achterstand op Goldwater alsnog goed te maken. Dit offensief kwam rijkelijk te laat, want terwijl de gematigde Republikeinen zich lange tijd onaantastbaar hadden gewaand en nauwelijks campagne hadden gevoerd, waren conservatieve fanatiekelingen al volop bezig geweest om voor Goldwater stemmen te winnen. Hoewel hij zelf pas officieel in januari 1963 zijn kandidatuur bekend maakte, waren zijn 'volgelingen' al jaren aktief om voor hun ideale kandidaat stemmen te winnen.

Zo waren er de fameuze doorbell ringers, veelal vrouwelijke vrijwilligers op gympies, die bij burgers thuis aanbelden om te vragen of ze de kandidatuur van Goldwater wilden steunen. Goldwater had het vooral aan de tomeloze inzet van duizenden vrijwilligers te danken dat hij tegen de verwachting in de voornaamste kanshebber was geworden om namens de Republikeinen de strijd met Johnson aan te gaan.

Tevergeefs probeerden de gematigde Republikeinen tijdens de Republikeinse Conventie de nominatie van Goldwater alsnog ongedaan te maken. De conventie verliep in een uiterst vijandige sfeer. De speech van Rockefeller werd verstoord door Goldwater-aanhangers die hem voortdurend uitfloten en overstemden met toeters, hoorns en zelfs koebellen. Medewerkers van Goldwater probeerden tevergeefs om de luidruchtige aanhang enigszins te temperen. De anti-liberal stemming weerhield een stafmedewerker van Scranton er niet van om in een rede fel uit te halen naar de conservatieven door te beweren dat Goldwaterism voor niets anders stond dan een 'verzameling' extreme opvattingen die de reputatie van de Republikeinse Partij ernstig in gevaar zouden brengen. Bovendien hadden de Goldwater-aanhangers openlijk hun minachting geuit over de conventie, waarin de gedelegeerden volgens de spreker in de ogen van de conservatieven niet meer waren dan a flock of chickens whose necks will be wrung at will… Deze felle kritiek op Goldwater kwam echter te laat om zijn nominatie te kunnen verhinderen. De senator uit Arizona wist 883 gedelegeerden achter zich te krijgen, ruim boven het vereiste minimum van 660 stemmen. De gematigde Republikeinen waren aangeslagen en bleven benadrukken dat Goldwater tegenover Johnson toch geen kans zou maken. Hoewel de gematigde Republikeinen het met deze visie volkomen bij het rechte eind hadden, verzwakten zij de positie van hun partij door hun eigen kandidaat ook na de nominatie voortdurend zwart te blijven maken. De controverse tussen gematigden en conservatieven was te groot om na de nominatie de rijen te sluiten. Van enige toenadering tussen beide kampen kon geen sprake meer zijn. Goldwater wist dat hij nu nog nadrukkelijker de leidsman van de conservatieve stroming was, en daarbij paste het niet om in de aanloop van de verkiezingen een meer verzoenende houding aan te nemen tegenover de zo gehate 'liberals' binnen de partij. Bij diezelfde 'liberals' was de frustratie en teleurstelling over de nominatiestrijd te groot om alsnog enige steun te verlenen aan de kandidatuur van Goldwater. De gematigde Republikeinen waren bovendien woedend over het conservatieve karakter van het partijprogramma. Goldwater wilde de Social Security Act minimaliseren of zelfs afschaffen en pleitte voor een agressievere houding ten aanzien van communisten waar dan ook ter wereld. Het meest verbolgen waren de gematigde Republikeinen over het verzet van Goldwater tegen de Civil Rights Bill. Vele Republikeinen hadden zich jarenlang ingezet om de zwarte bevolking meer rechten te geven, en uitgerekend een tegenstander van deze cruciale wet kreeg de kans om de Republikeinse Partij bij de presidentsverkiezingen te vertegenwoordigen.

Geheel in lijn met de verwachting werd Goldwater op de dag van de verkiezingen ruim verslagen door de Democraat Johnson. De conservatieve ideeën over een minimale overheid, een strikte toepassing van het vrije marktprincipe, lage belastingen, geringe sociale voorzieningen en een rigoreuze anti-communistische houding werden in theorie door vele kiezers nog wel onderschreven. In de realiteit van de Amerikaanse samenleving anno 1964 was de uit de New Deal voortgevloeide grotere overheidsbemoeienis en een basale vorm van sociale voorzieningen echter al gemeengoed geworden. Het verkiezingsdebâcle voor Goldwater werd verder voornamelijk veroorzaakt door een negatief radicaal imago, een uiterst vaag verkiezingsprogramma en uiteraard de grote weerstand tegen zijn kandidatuur binnen zijn eigen Republikeinse Partij.

Toch is de kandidatuur van Goldwater niet zonder betekenis geweest. Met de nominatie van Goldwater lieten de conservatieven zien dat het conservatisme een politieke stroming was waarmee terdege rekening gehouden moest worden. De pogingen om Goldwater genomineerd te krijgen betekende namelijk ook dat de conservatieven zich voor het eerst gingen mobiliseren. Indirect werd in deze periode de basis gelegd voor het latere verkiezingssucces van de conservatieve presidentskandidaat Ronald Reagan. Deze populaire ex-acteur was veel geraffineerder in de omgang met de media en het brengen van zijn (minder radicale) politieke boodschap dan zijn 'voorganger' Goldwater. Bovendien bleef het conservatisme in de jaren zestig nog teveel steken in een eenzijdige anti- New Deal houding, terwijl de conservatieven in de jaren zeventig en tachtig onder invloed van christelijk rechts met succes hun aandacht naar de dreigende 'teloorgang' van normen en waarden in de Amerikaanse samenleving verschoven. Goldwater meende op puur ideologische basis te kunnen winnen, en weigerde dan ook om zich over te geven aan het erkende politieke spel waarbij voortdurend compromissen worden gesloten. Goldwater bleef mede door deze onverzoenlijke houding zijn radicale imago behouden, waardoor hij zeker kansloos was om president te kunnen worden. Onder de Goldwater-verkiezingsslogan In your heart you know he's right schreef een tegenstander dan ook fijnzinnig: "Yeah, extreme right!".