Recensies Geschiedenis van de Verenigde Staten

Op deze pagina een aantal recensies. Die van Liberales heb ik in zijn geheel opgenomen, verder links.

Humo

Elsevier

Luister hier naar interview in Oog op Morgen

Magazine Tioga Tours

Recensie Liberales:

 
 

Er  is geen auteur die zo inzichtelijk en tegelijk zo aanstekelijk over Amerika schrijft als de Nederlander Frans Verhagen. Hij heeft er dan ook al meer dan veertig jaar Amerika-ervaring opzitten als student, correspondent en als oprichter en hoofdredacteur van het kwartaalblad Amerika. Verhagen deelt zijn grondige kennis in lange artikelen in De Groene Amsterdammer maar ook in zijn talrijke toegankelijke boeken waarin hij graag allerhande mythes en vooroordelen doorprikt, zoals in Bush is dom en 37 andere clichés over Amerika. Soms richt hij zich op onderdelen van de Amerikaanse geschiedenis zoals in zijn aanbevelenswaardige biografie van Abraham Lincoln of het vorige jaar verschenen Founding Fathers over de pijnlijke geboorte van Amerika.

En nu is er dan de kloeke, rijk geïllustreerde Geschiedenis van de Verenigde Staten. Zonder lidwoord. Verhagen heeft dan ook niet de pretentie om dé geschiedenis van Amerika te vertellen en al evenmin een geschiedenis. Hij begint bij de exploratie van het continent in de vroege zeventiende eeuw, de verdrijving van de indianen, de aanvoer van de slaven en de conflicten tussen de Franse, Nederlandse en Engelse kolonisten. Zoals we van hem gewend zijn, boort hij bij elk onderwerp meteen tot de kern en van daaruit trekt hij grote lijnen naar vandaag. Details zoals de Robber Barons, het apenproces, de drooglegging, Elvis, de Pentagon Papers of het Vrijheidsbeeld worden in aparte kadertjes verder helder uitgebeend, om de voortgang van het grote verhaal niet op te houden. Dat brede perspectief zet Verhagen in om op het eerste gezicht onverklaarbare gebeurtenissen zoals de inval in Irak of de verkiezing van Donald Trump te situeren en te doen begrijpen, ook al brengt hij er zelf geen begrip voor op.

Verhagen voert de grote maatschappelijke tegenstellingen in Amerika terug op de founding fathers Jefferson en Hamilton. Thomas Jefferson, de derde president en hoofdopsteller van de grondwet, wilde de macht delegeren naar de staten, hoe democratischer hoe beter want hij was bang voor tirannie. Hij wilde ook een kleine overheid, grote persoonlijke vrijheid voor de burgers en een politiek systeem van zelfstandig denkende individuen. Bovendien zag hij Amerika als een uitgesproken landbouwnatie.

Alexander Hamilton, de invloedrijke minister van Financiën onder George Washington, wilde de macht per definitie in de handen van een regeringselite concentreren, anders kon volgens hem een republiek niet overleven. Hij was voor law and order en een sterke federale overheid (ten nadele van die van de staten) en wilde vooral Amerika  industrialiseren en tot een sterke handelsmogendheid omvormen. Verhagen: ‘Als de praktijk van ruim 230 jaar Amerikaanse geschiedenis iets laat zien, dan is het de voortdurende poging beide visies in elkaar te schuiven, in wisselende verhoudingen. Deze mengvorm van een ultrademocratisch land met een sterke uitvoerende macht werd het kenmerk van Amerika en zou leiden tot blijvende tweeslachtigheid.’

Na de federalistische presidenten George Washington en John Adams werd Thomas Jefferson zelf president en die legde meteen zijn eigen accenten, die grotendeels ingingen tegen die van zijn voorgangers. Maar ook Jefferson kreeg met een stevige oppositie te maken. Die greep na hem de macht en corrigeerde zijn beleid. En zo ad infinitum. Kijk maar naar hoe Trump vrijwel alle verwezenlijkingen van Obama, hoe zinnig ook, probeert terug te draaien. Precies die wisselende beleidsvisies maakten en maken Amerika tot een zeer dynamisch en energiek land.

Verhagen voert in zijn Geschiedenis veel van de sleutelmomenten van de Amerikaanse geschiedenis terug op deze tegenstellingen. Neem de Burgeroorlog. In wezen ging dat conflict over de afschaffing van de slavernij die vooral in het zuiden bestond, maar Abraham Lincoln voerde dit niet aan als reden voor de oorlog. Zijn hoofdargument  was dat de Verenigde Staten één moesten blijven, dat staten niet het recht hadden zich af te scheiden  en dat de regelgeving van de (zuiderse) staten per definitie ondergeschikt moest zijn aan de federalistische. Het was bovendien een conflict tussen een uitgesproken landbouwregio met zijn immense katoenvelden en het industrialiserende Noorden, zeg maar tussen het conservatieve platteland en de progressieve metropool. Tot vandaag hebben vele zuiderlingen nog altijd een hekel aan de elite van Washington.

Ook de discussie of de overheid groot of beperkt moet zijn, blijft voortdurend oprispen, met de New Deal van Franklin Delano Roosevelt en the Great Society van Lyndon Johnson als hoogtepunten aan de ene kant en de mantra ‘De  overheid is het probleem’ van Ronald Reagan aan de andere kant. De massale tegenstand tegen Obamacare is hierop terug te voeren. Het is een ideologische, irrationele loopgravenoorlog,  Dat neemt niet weg dat Amerikanen hierin zeer schizofreen zijn. Ze zweren in goede tijden bij  een minimal state, maar als New Orleans, mede als gevolg van die kleine overheid, door orkaan Katrina weggeblazen wordt, eisen de inwoners dat de staat de stad (beter) heropbouwt. Eenzelfde soort geluiden hoor je nu in Porto Rico.

Er is nog een andere tegenstelling die Amerika parten speelt. De Verenigde Staten omarmden bij de oprichting geen enkel geloof, wat zeer vooruitstrevend was, maar de grondwet voorzag wel totale godsdienstvrijheid en verbood elke beperking op geloofsuitingen. Dat creëerde een (ook economische) markt voor allerlei sekten, meestal christelijke denominaties, die in concurrentie gingen met gevestigde religies. Hoe zuiverder hoe beter. Dat leidde dan weer tot grote geloofsgolven, de zogenaamde awakenings met alle gevolgen van dien op het politieke en sociale beleid, zowel ten goede als ten kwade. Zo werd onder druk  van de Second Great Awakening bijvoorbeeld het gevangeniswezen hervormd en de  zorg voor gehandicapten en geesteszieken onder handen genomen. Ook ondersteunden deze christenen de roep tot afschaffing van de slavernij en de drooglegging. Die christelijke onderstroom komt nog geregeld weer boven water en probeert dan grip te krijgen op de politiek. Denk aan de Moral Majority (die een minderheid is) of de Tea Party met hun acties tegen abortus, homofilie en contraceptie.

Zo zijn er nog wel hoofdlijnen in de Amerikaanse geschiedenis aan te wijzen die om beurten om voorrang strijden. Tegenover de hang naar isolationisme (al sinds de Monroedoctrine van rond 1820) die Woordrow Wilson en Franklin Roosevelt deed aarzelen om mee te doen aan Europese oorlogen staat de diepgewortelde idee van exceptionalisme die de Amerikanen haast de religieuze boost geven om orde op zaken in de wereld te zetten. Zie Afghanistan, zie Irak. We zijn vandaag gechoqueerd door Donald Trump die voor protectionisme en invoerrechten pleit, maar Amerika werd pas vrij laat een voorstander van vrijhandel. Sterker, de VS zijn begonnen met hoge invoerrechten op te leggen om de eigen economische opbouw te beschermen. Niemand heeft het beter samengevat dan president Ulysses Grant: ‘Binnen tweehonderd jaar, wanneer Amerika alles uit protectie heeft gehaald wat eruit te halen valt, zal het ook vrijhandel invoeren.’  

En zo kunnen we doorgaan. Amerika wordt over het algemeen als een vrolijk migratieland beschouwd en er wordt hoog opgegeven over ‘the melting pot’, maar net zo goed kent het anti-immigratiebewegingen en -regelgeving. In de jaren 1850 werd er geageerd tegen (Ierse)katholieken, in 1882 was er de anti-Chinezenwet en na de Eerste Wereldoorlog ontstond een nieuw anti-immigratieactivisme tegen Italianen, Grieken en Duitsers, ‘mislukte mensen uit mislukte rassen, vertegenwoordigers van de ergste mislukkingen in de strijd om het bestaan,’ aldus de president van het Masachusetts Institute of Technology. Ook hispanics werden algauw als een bedreiging ervaren. Niets nieuws onder de zon dus.

En dan is er het racisme, dat eeuwenlang legaal was en dat nog steeds aan grote groepen mensen kleeft en waar politici tot vandaag nog altijd handig op inspelen. Ook daarvan is Donald Trump een voorbeeld met zijn onzinverhaal dat Obama geen Amerikaan is. En een moslim. Want ook samenzweringstheorieën zijn veel Amerikanen niet vreemd, ook al staat het land wetenschappelijk aan de top. Het zijn precies al die tegenstellingen die Amerika tot een dysfunctioneel systeem maken, des te meer daar ze de laatste decennia puur ideologische aangescherpt zijn, vooral door de Republikeinen, die obstructie tot machtsmiddel hebben verheven als de Democraten aan het bewind zijn. En dat is erg, want Amerika is een grootmacht en staat alsnog garant voor de veiligheid van Europa.

Frans Verhagens conclusie van zijn knappe boek is dan ook niet erg optimistisch: ‘De geschiedenis leert dat je de Verenigde Staten nooit moet afschrijven. Het land heeft een opmerkelijke vaardigheid om zichzelf telkens opnieuw uit te vinden, vooral als de problemen het gevolg zijn van eigen excessen. Het is echter te gemakzuchtig om te verwachten dat dit ook nu weer het geval zal zijn. Een wereldmacht in verval of op zijn minst in een midlifecrisis leidt tot een ander verhaal dan de oprispingen van een wereldmacht in opkomst. De grote vraag is of Amerika in staat zal zijn de verdeeldheid te boven te komen waarvan Donald Trump het symptoom is, niet de oorzaak.’

 

Frans Verhagen, Geschiedenis van de Verenigde Staten, Boom, 512 pagina’s, €39,90

Recensie door Leo De Haes