Jefferson Davis

Op 21 januari 1861, een koude dag in Washington, reed senator Jefferson Davis van zijn huis aan I-Street naar de Senaatskamer op Capitol Hill. “De meest droevige dag in mijn leven”, zou Davis het later noemen. De 52-jarige senator van Mississippi had genoten van zijn lidmaatschap van de eliteclub die de Senaat was. Als ex-minister van Defensie genoot Davis aanzien en status, in Noord en Zuid. De New York Times noemde Davis eens “de Cicero van de Senaat” en algemeen werd hij erkend als leider van het Zuiden.

Zijn missie op die koude januaridag was dan ook niet vrolijk. Hij kwam zijn collega’s vertellen dat hij, met zijn staat en dertien andere, de Unie, de Verenigde Staten, die hij als militair jarenlang had gediend, ging verlaten. Na de verkiezingen van 1860, waarbij Abraham Lincoln het presidentschap won, waren de tegenstellingen tussen Noord en Zuid tot de onvermijdelijk explosie gekomen. Ondanks lijmpogingen gedurende december en januari, werd de afscheiding van een aantal staten van de Unie steeds onafwendbaarder. South Carolina nam op 20 december het voortouw door de Unie formeel te verlaten. De andere zuidelijke staten leken op hetzelfde spoor te zitten. Op 9 januari 1861 besloot een conventie in Mississippi met 84 tegen 15 stemmen om de staat uit de Unie te nemen, net als Florida en Alabama. Geruchten wilden dat Georgia, Louisiana en Texas snel zouden volgen.

Jefferson Davis had dat wel verwacht. Hij had geen twijfel over het pad dat hij zelf moest volgen. Als fervent voorvechter van staatsrechten, de scheidslijn die sinds de oprichting door de Verenigde Staten liep, stond hij eerst voor zijn staat en dan pas voor de Unie – zeker als die Unie de rechten van zijn staat met voeten trad. Davis wist dat de afgescheiden staten begin februari afgevaardigden zouden sturen naar een conventie in Montgomery, Alabama, waar ze samen een confederatie van zuidelijke staten zouden vormen. Daar zou “fate” waarover hij sprak op die 21 ste januari nog wat troeven voor hem in petto hebben.

In de loop van een lange carrière als soldaat, officier, plantagehouder, afgevaardigde, senator en minister had Davis zich ontwikkeld tot de stem van het Zuiden. Hij was niet simpelweg, net als Thomas Jefferson en John Calhoun die beide hij zeer bewonderde, een voorstander van staatsrechten maar ook een fervent verdediger van de slavernij. Volgens Davis hoorde deze bijzondere instelling tot het erfgoed van zijn en andere zuidelijke staten. Als hij al twijfel kende, dan negeerde hij die ter wille van de krachtigst mogelijke boodschap: slavernij bestond door “the decree of God” en was “gesanctioneerd door de Bijbel, geautoriseerd, gereguleerd en erkend van boek Genesis tot Revelatie”. Het instituut slavernij hielp een inferieur ras aan beschaving en christelijk geloof.

Jefferson zag slavenarbeid als uitermate praktisch voor een land dat een snelle economische ontwikkeling doormaakte. Niet alleen in de katoenvelden maar ook in de fabrieken zouden slavenarbeid goed van pas komen. Hij vertegenwoordigde slavenhouders en mensen die dat wilden worden, en diende hun belangen.

In de jaren veertig en vijftig van de negentiende eeuw kreeg het conflict over de slavernij steeds meer territoriale aspecten: moesten nieuwe staten slavernij toestaan of niet, en als ze dat niet wilden, hoe kon wat uiteindelijk een minderheid aan staten zou worden (dat zagen ze ook wel) voorkomen dat de meerderheid hun recht om slavernij te behouden af zou schaffen? Davis was tegen de toelating van Californië in 1849, omdat hij meende dat daardoor de balans fundamenteel verstoord zou raken, waarmee de bijl gelegd zou zijn aan de zuidelijke rechten. Overigens kostte dit Davis zijn Senaatszetel omdat zijn oppositie tegen het Compromis van 1850 zelfs de burgers van Mississippi te ver ging.

In 1853 keerde Davis terug van de plantage om als minister van Oorlog te dienen in de regering van president Pierce. Hij werd daar wat optimistischer over de mogelijkheid om de rechten van het Zuiden te behouden. Veel Amerikaanse presidenten waren slavenbezitters geweest en zijn idee dat de grondwet slavernij beschermde was niet bijzonder – het werd uiteindelijk gesteund door het Supreme Court.

Na de regering Pierce keerde Davis terug in de Senaat, waar hij de leidende stem werd in de verdediging van de slavernij. Hij deed, zoals altijd, er nog een schepje bovenop. Davis verzette zich niet alleen tegen het mogelijke verbieden van slavernij in nieuwe gebieden, hij sprak zich ook uit voor een herinvoering van de slavenhandel.

De stelling van de nieuwe Republikeinse Partij, verwoord door Lincoln, dat Amerika niet kon voortbestaan “half vrij” en “half slaaf” vond Davis on-Amerikaans. De meeste kiezers waren het met Davis eens dat slavernij en vrijheid naast elkaar konden bestaan: in 1860 stemde zestig procent van de kiezers op kandidaten die dit betoogden – Abraham Lincoln sloop het Witte Huis binnen met minder dan 40 procent van de stemmen.

Jefferson Davis had geen behoefte aan een afscheiding van zuidelijke staten. Hij dacht dat de praktijk van doormodderen gewoon kon worden doorgezet. Die opinie deelde hij trouwens met de nieuwe president, Abraham Lincoln, wiens verkiezing de scherpslijpers over de streep van secessie haalde, maar die zelf van slavernij geen breekpunt zou maken.

Maar toen het eenmaal zover was, aarzelde Davis niet om zijn volle energie aan de Confederatie te wijden. Die zag hij als belichaming van der vrijheid die was bevochten in de Amerikaanse Revolutie en neergelegd in de Grondwet. Het werd oorlog, een oorlog voor een heilige zaak.

Als ervaren militair en held uit de oorlog tegen Mexico, rekende Davis op een positie als legerleider. Toen hij te horen kreeg dat de Confederatie hem liever als president wilde, beschreef zijn vrouw hem als “zo emotioneel dat ik bang was dat onze familie iets ernstigs was overkomen”.

Davis was oprecht in zijn afkeer van de verantwoordelijkheid als president. Hij was liever opperbevelhebber geworden, maar juist omdat hij zoveel status had en niet gold als een losgeslagen vuurvreter zoals er in het Zuiden genoeg te vinden waren, werd hem gevraagd president te worden. Op 9 februari 1861 werd Jefferson Davis gekozen als President van de “provisional” Conferatie. Zijn plichtsgevoel stond Davis niet toe te weigeren. Op 16 februari werd de benoeming bekrachtigd. “The man and the hour have met!”, zo werd hij aangekondigd voor de juichende menigte. Davis hield een oorlogszuchtige toespraak maar twee dagen later, bij zijn inaugurele rede, klonk hij heel wat vreedzamer. De boodschap was in essentie wat Davis in april zou zeggen, vlak voor de oorlog begon: “We geloven dat onze zaak gerechtvaardigd en heilig is . we vragen geen veroveringen, geen uitbreiding, geen concessie . het enige dat we vragen is om met rust gelaten te worden”.

Om gekozen legitimiteit te krijgen organiseerden de Confederate States of America op 6 november 1861 presidentsverkiezingen. Een vervelend detail was dat Jefferson Davis de enige kandidaat was, maar goed, hij werd gekozen voor een termijn van zes jaar. Rond de inauguratie werd de hoofdstad van de Confederatie verplaatst naar Richmond, Virginia, deels als uitdaging aan het twee uur verderop gelegen Washington, deels omdat de belangrijke staalfabrieken daar lagen.

Overigens had Davis vrij snel na zijn aantreden in februari een vredescommissie naar Washington gestuurd. President Abraham Lincoln, vastbesloten om de eenheid te bewaren, weigerde hen te ontvangen. Toen Lincoln begin april bevoorradingsschepen naar Fort Sumter stuurde, vuurden de zuidelijke kanonnen vanuit Charleston en zo begon op 12 april de Burgeroorlog. Twee dagen later riep Lincoln 75.000 vrijwilligers op, aanleiding voor Virginia en nog drie staten om de Unie te verlaten. Het Zuiden slaagde er echter niet in Maryland mee te krijgen – waardoor de hoofdstad geïsoleerd zou zijn geraakt. En door West Virginia op te richten in de westelijke helft van Virginia, hield het Noorden ook een link met de borderstates Kentucky en Tennessee.

Het Zuiden was niet bepaald sterk. Cotton and courage waren de elementen waarop het land draaiend gehouden moest worden en de oorlog gewonnen. De (blanke) bevolking was maar een kwart van die van het Noorden, de samenleving op landbouw ingesteld, zonder spoorwegen, marine, kruitfabrieken, scheepswerven en met weinig wapens. Toch was de eerste slag voor het zuiden: op 21 juli leed de Unie een smadelijke nederlaag bij Manassas, Virginia (Bull Run in zuidelijke geschiedschrijving).

Hoewel hij het geraamte van een industriële samenleving op poten zette, slaagde Davis er tijdens de Burgeroorlog niet in om voldoende geld bijeen te krijgen om de oorlog te voeren. Erkenning of steun van buitenlandse regeringen bleef evenzeer uit. Davis was voortdurend in conflicten met de extreme voorstanders van staatsrechten, een situatie die niet van ironie ontbloot was: nu hij zelf een groep staten leidde, merkte hij hoe moeilijk het was een land te runnen op die basis. Davis” pogingen om als president hoge militairen te benoemen werden gedwarsboomd door gouverneurs van de staten – dat waren de eenheden die de soldaten op de been brachten, net als in het Noorden -, terwijl de rechters van staatsgerechtshoven voortdurende rommelden in militaire zaken.

Wel slaagde Davis erin om een sterk confederaal leger bijeen te schrapen en ook generaal Robert E. Lee benoemd te krijgen als commandant van de Army of Virginia. Het waren de successen van Lee die de onvermijdelijke ondergang van de Confederatie keer op keer uitstelden, tot de slag bij Antietam, in 1863, waarna het tij definitief keerde, bevestigd door de Zuidelijke nederlaag bij Gettysburg.

Als Antietam en Perryville zuidelijke successen waren geworden, dan was een zuidelijke overwinning bepaald niet onmogelijk geweest. Idem voor Gettysburg en Vicksburg.

Aanvankelijk was Davis populair in het Zuiden, zolang de militaire successen bleven komen. Maar tegenslag ondermijnde al snel zijn reputatie. Men vond hem inefficiënt en zelfs incompetent en de kranten riepen dat luidkeels. Zo schreef een correspondent in Richmond in de lente van 1862: “We zijn in donkere tijden beland . Koud, hooghartig, zuur, kleingeestig, eigenwijs, kwaadaardig, hij (Davis) is er de oorzaak van. Zolang hij leeft, is er geen hoop.” Davis was gevoelig voor kritiek en onbuigzaam. In de formulering van historicus James McPherson: “Lincoln won liever de oorlog dan een debat; Davis leek liever het debat te winnen.”

De generaals wilden een totale oorlog en in de lente van 1862 leek Davis daarin mee te gaan. Hij kondigde dienstplicht af en martial law. Het werd hem niet in dank afgenomen – mensen begonnen al genoeg te krijgen van de oorlog. En dit was het soort maatregelen dat Davis juist zo had verafschuwd in de oude Unie.

Een grote fout was om te blijven hangen aan Richmond als hoofdstad van de Confederatie. Het leidde tot eindeloze veldslagen in Virginia, terwijl de operaties in het westen belangrijker waren. Zo ondermijnde Davis het behoud van Vicksburg, het fort aan de Mississippi. De nederlaag van het Zuiden daar, toegebracht door Ulysses Grant, was het begin van het einde.

Als president probeerde Davis de macht in zijn ambt te vergaren om de oorlog te kunnen voeren. De staten wilden daar niet aan en geleidelijk aan ontwikkelde zich zelfs een anti-Davis factie binnen de Confederatie. Ook de bemoeienis van de president met militaire details, leidde tot eindeloze conflicten met zijn generaals. Uiteindelijk tekende generaal Lee de overgave zonder de toestemming van Davis.

In de analyses van de nederlaag van het Zuiden speelt Davis een prominente rol. Als een land dat een defensieve oorlog kon voeren, met korte aanvoerlijnen, wachten op een vijand die moest komen in een strijd waarin een staalmat een overwinning was, waren de kansen op zich niet slecht. De meeste analyses hebben het over de interne verdeeldheid die de Confederatie fataal verwondden. Het conflict over staatsrechten tussen de gouverneurs en de regering in Richmond; de weerzin van niet slavenhouders tegen een rijkeluisoorlog die door armen gevochten werd; libertijnse weerstand tegen oorlogsbeperkingen; intern verzet door Unionisten; gebrek aan loyaliteit van de slaven; groeiende twijfel onder de slavenhouders zelf over hun zaak. McPherson ziet gelijksoortige potentiële, zoal niet reële zwakheden aan de Noordelijke kant. Eerder zoekt hij het de leiderschapskwaliteiten aan beide zijden. De eerste twee jaar waren de zuidelijke generaals en de ervaren Davis daar in het voordeel. Maar vanaf 1863 gaven de “bijzondere vaardigheden” van Lincoln hem het voordeel, terwijl ook de generaals toen beter werden. En toch, schrijft McPherson: “als Lincoln in 1864 was verslagen voor herverkiezing, zoals hij in augustus nog verwachtte, dan zou de geschiedenis Davis wel eens als de grote oorlogsleider hebben kunnen zien en Lincoln als een also-ran”.

De dunne lippen en diepliggende ogen van Davis” benige gezicht vertelden wel iets over zijn karakter. Hij was gesloten en streng. Ernstiger was dat hij niet kon beslissen en last had van extreme eigengereidheid. Zijn gebrek aan flexibiliteit, zijn moralisme en zijn gebrek aan humor maakte Davis niet geliefd. Davis was ook niet echt een politicus, meer een aristocraat die het politieke spel wel wilde spelen, maar met tegenzin. Zijn tegenvoeter, Abraham Lincoln, toonde met zijn vastbesloten strijd voor behoud van de Unie en zijn weigering zich beledigd of geschoffeerd te voelen, zich de betere politicus.

Zoals een biograaf van Lee schreef over Davis: “Zijn vastberaden loyaliteit aan vrienden met middelmatige capaciteiten, zou de Confederatie duur te staan komen”.

Begin 1865 hoopte Davis nog dat de oorlog voor onafhankelijkheid gewonnen kon worden maar toen de nederlaag onafwendbaar bleek, vluchtte hij weg uit Richmond. Op 10 mei werd hij gevangen genomen bij Irwinville, Georgia. Hij had gehoopt per schip te kunnen ontsnappen om naar Texas te varen, waar hij zou proberen een nieuwe Confederatie op te zetten. Toen hij werd gevangengenomen droeg Davis de donkergrijze mantel van zijn vrouw en een zwarte sjaal. De Uniesoldaten rapporteerden dat hij in vrouwenkleren probeerde te ontsnappen, wat aanleiding was tot veel noordelijke lolbroekerij over Davis” lafheid.

Voor het Noorden was Davis al net zo irrelevant geworden als voor het Zuiden. Op 11 april, een paar dagen voor hij werd vermoord, had Lincoln in een overwinningstoespraak gezegd dat er geen “gerechtigde partner” was voor hem om mee te onderhandelen, daarmee Davis” vluchtende regering opzij zettend.

Van 1865 tot 1867 zat Davis gevangen in Fort Monroe in Virginia. Aanvankelijk onder barre omstandigheden tot de woedende publieke opinie in het Noorden beter onderdak eiste. Zijn toch al zwakke gezondheid had veel te leiden van het langdurig verblijf in de gevangenis.

In 1866 werd hij aangeklaagd wegens hoogverraad maar een jaar later werd hij op borgtocht vrijgelaten, waarbij de borg van 100.000 dollar was getekend door de krantenuitgever Horace Greeley en andere invloedrijke noorderlingen. In 1868 staakte de federale overheid de vervolging, maar die had toen al lang genoeg geduurd om van Davis niet de president van het verlies te maken maar een held van de “lost cause”, een martelaar voor de Confederatie. De rechtszaak die hij wilde en waarin hij hoopte dat de federale regering gedwongen zou zijn toe te geven dat de Grondwet afscheiding niet verbiedt, kreeg hij echter niet.

Davis leefde na de Burgeroorlog lang genoeg om de Reconstruction ineen te zien storten. Ook het noorden accepteerde de minderwaardigheid van zwarten en aangezien de meeste zwarten in het zuiden leefden, kon het oude systeem gewoon doorgaan, waarbij slavernij was vervangen door segregatie. Davis zag het als zijn gelijk.

Tussen 1870 en 1878 zette de ex-plantagehouder verscheidene onsuccesvolle zaken op. In 1878 verhuisde Davis naar Biloxi, Mississippi, waar hij woonde tot zijn dood op 6 december 1889. In de tussenliggende jaren schreef hij zijn autobiografie en een rechtvaardiging van zijn leven, The Rise and the Fall of the Confederate Government, uitgegeven in 1881. Hoewel veel aanhangers hoopten dat hij terug zou keren in de Senaat, weigerde Davis amnestie te vragen, omdat hij vond niets fout gedaan te hebben. Davis meende ook altijd volgens de Grondwet te hebben gehandeld en die stond volgens hem afscheiding wel degelijk toe. Hij vroeg daarom ook nooit om gratie en hij kreeg ook nooit zijn burgerrechten terug. Wel accepteerde hij dat afscheiding niet meer relevant was. Het was geprobeerd en niet gelukt. Dat boek moest gesloten blijven.

Hoewel Davis meestal flink wat van de verantwoordelijkheid voor het verlies van de Confederatie in de schoenen krijgt geschoven, geldt hij in het Zuiden nog steeds als een held, die stond voor zijn principes – en die van het Zuiden. In Stone Mountain, nabij Atlanta, is Davis samen met generaals Lee en Stonewall Jackson, in steen uitgehouwen in het zuidelijk equivalent van Mount Rushmore.