Primary (voorverkiezing)

Letterlijk een ‘voorverkiezing’, een verkiezing die voorafgaat aan de echte verkiezingen. Voor de meeste verkiesbare ambten vinden eerst primaries plaats, meestal tussen de kandidaten per partij. In de context van presidentsverkiezingen gaat het over een verkiezingsronde tussen de kandidaten van de partij, om te bepalen hoeveel afgevaardigden voor welke kandidaat naar de nationale partijconventie zullen gaan. In de meeste gevallen is de verdeling van afgevaardigden proportioneel: ze worden verdeeld naar rato van het stemmenpercentage.

De beroemdste presidentiële primary is die van New Hampshire. Niet omdat de staat zo belangrijk of representatief is, maar simpelweg omdat het de eerste staat is die zich uitspreekt – dat heeft New Hampshire zelfs in zijn wetgeving vastgelegd.

Primaries zijn ruim honderd jaar geleden ingevoerd onder druk van de progressive movement om te voorkomen dat de partijbazen in een rokerige achterkamer hun favorieten naar voren schoven – net als recall elections en referenda. Tegenwoordig beslissen niet meer de partijbazen maar de kiezers. De organisatie van voorverkiezingen en de procedures ervoor worden per staat geregeld en kunnen per partij verschillen.

Tot het einde van de jaren zestig leden de primaries een kwijnend bestaan. Ze gaven wel een trend aan, zoals in 1960 toen John F. Kennedy West Virginia won en zo liet zien dat zijn achterban breder was dan katholieke oostkustkiezers, maar waren niet beslissend. Nadat de Democratische conventie van 1968 was uitgelopen op bloedige rellen en een blamage voor de partij, werd het systeem uitgebreid en verplicht gesteld, vooral omdat de kandidaat die in 1968 de nominatie kreeg, Hubert Humphrey, niet eens had deelgenomen aan de voorverkiezingen. Humphrey was van de oude stempel en liet in voorverkiezingen zijn vrienden kandidaat staan, die vervolgens op de conventie hem konden steunen (zogenoemde favorite sons). Het nieuwe systeem leverde in 1972 de verassende kandidatuur op van George McGovern en in 1976 die van Jimmy Carter. Sindsdien is de invloed van de primaries zodanig dat ze niet genegeerd kunnen worden, al hebben de partijen geprobeerd om de invloed toch weer aan banden te leggen.

Er zijn verschillende soorten primaries. Een open primary staat toe dat de kiezer zelf bepaalt in welke primary hij stemt, bij de Republikeinen of bij de Democraten. Op de verkiezingsdag kan de kiezer bij het stembureau zeggen van welke partij hij een stembiljet wil (semi-open) en daarop dan zijn voorkeurskandidaat aangeven, of een biljet krijgen dat hem toelaat pas in het stemhokje beslissen voor welke partij hij kandidaten wil beoordelen. Als iemand alleen mag stemmen in de voorverkiezing van de partij waarvoor hij geregistreerd staat (bij registratie als kiezer geef je op of je Democraat, Republikein of independent bent) dan noemen we dat een gesloten systeem (closed). Bij je registratie als kiezer heb je de keuze je laten inschrijven als Democraat, als Republikein of als Independent. Je kunt dat altijd weer veranderen, maar in principe bepaalt dit bij wie je in de voorverkiezingen mag stemmen.

In sommige staten is het systeem gemengd en mogen independents kiezen bij welk van de twee partijen ze gaan stemmen. Dat geldt in New Hampshire. Geen wonder dat in die staat uitzonderlijk veel onafhankelijke kiezers geregistreerd staan: ze kijken in welke voorverkiezing er iets te beïnvloeden valt en brengen daar hun stem uit. Zo was het in 2004 niet interessant om te stemmen bij de Republikeinen omdat president Bush geen opponenten had – in 1996 gold dit bij de Democraten. Zo kunnen kiezers kandidaten van de tegenpartij dwarszitten en misschien iemand helpen die minder sterk is in de uiteindelijke verkiezingen. Dit is een van de redenen waarom New Hampshire zo vaak een verrassing oplevert.

In 2008 zullen de primaries belangrijker zijn dan lange tijd het geval was. Voor het eerst sinds 1952 zijn er geen zittende presidenten of vicepresidenten kandidaat. Niemand kan dus op de kracht van zijn incumbency teren.

Er zijn talloze voorstellen geweest om de vroege beslissingen in de voorverkiezingen van New Hampshire, Super Tuesday en de tussenliggende staten te voorkomen. Afgezien van de vraag of dat verstandig is, lijkt geen van de voorgestelde oplossingen aantrekkelijk. Zo is er sprake geweest van een nationale primary. Dan zouden de kandidaten campagne moeten voeren van januari tot juni en op een mooie dag eind juni zouden de kiezers van de partijen hun respectieve kandidaten kiezen. De voordelen zijn duidelijk: iedereen kan meestemmen, iedereen krijgt dezelfde keuze, kiezers kunnen de kandidaten gedurende een langere periode bezig zien en de buitengewone invloed van de niet-representatieve staten Iowa en New Hampshire zou afnemen. De nadelen zijn echter groter. Een nationale voorverkiezing zou de goed gefinancierde en al bekende kandidaten een enorm voordeel geven.

Het huidige proces, met al zijn problemen, biedt een onbekende nieuwkomer een kans om uit te breken en in elk geval gedurende enige tijd zijn kunnen te laten zien. Ten slotte zou zo’n verkiezing de mogelijkheid openen van meerdere kandidaten met een winnaar zonder brede steun, een situatie die met het uitwiedsysteem van de huidige voorverkiezingen niet snel zal ontstaan. Creatieve politicologen hebben nog andere systemen bedacht maar de kans dat daar ooit wat van komt, is klein. Omdat Californië zijn voorverkiezingen van juni naar februari heeft gehaald (5 februari 2008) staat het hele systeem nu op zijn kop. Wat we nu krijgen, lijkt behoorlijk op een landelijke voorverkiezing. Verscheidene staten zullen Californië volgen, waardoor er feitelijk een landelijke primary plaatsvindt, min of meer uitgespreid over de maand februari. Deze situatie verscherpt het eerder genoemd nadeel dat alleen de best gefinancierde, landelijk sterke kandidaten kunnen overleven. Er is ook een groot nadeel aan een vroege beslissing verbonden, zij het dat dit in de praktijk toch vaak al het geval is: de kandidaat moet tussen begin maart en begin augustus zijn campagne op gang houden zonder grote ijkpunten. Dan loop je de kans dat een kandidaat tegen de zomer een stuk minder aantrekkelijk lijkt dan toen hij de voorverkiezingen won. (Zie ook: Frontloading, Super Tuesday.)