Alcatraz: een verfijnde vorm van marteling

Gedurende 29 jaar diende de eenzame rots in de baai van San Francisco als supergevangenis voor de ergste criminelen van Amerika. Alleen de dood bood een gegarandeerde ontsnapping. Nog steeds bezorgt de deprimerende omgeving bezoekers kippevel en koude rillingen.

Tekst: Jay Stuller

Door simpelweg een hefboom over te halen, kun je alle veertien cellen in één keer sluiten. Binnen drie seconden valt iedere deur, 120 kilo van geharde stalen tralies, met de explosieve knal van metalen donder in het slot. Dit is misschien wel het meest intimiderende geluid in de geschiedenis van het Amerikaanse juridische systeem, letterlijk de definitie van het Amerikaanse jargon voor een gevangenis, de slammer. Het is het handelsmerk van de US Penitentiary, Alcatraz.

Tussen 1934 en 1963 herbergde Alcatraz gangsters, ontvoerders en moordenaars, met reputaties als de wreedste, meest geharde en meest onverbeterlijke criminelen van Amerika. Met Alcatraz dreigde men veroordeelden in andere gevangenenissen, want hier kwamen alleen mensen terecht die elders de regels niet wilden volgen. Alcatraz onderwierp hen aan een regime dat erop gericht was hun opstandigheid te breken en hun onafhankelijke identiteiten te vermorzelen. Deze zaterdagnacht, vroeg in mei, bestaat de populatie van de gevangenis uit twintig nogal ongeharde verkenners en hun zeven volwassen begeleiders.

Dankzij hun vrijwilligerswerk op het eiland mogen ze enige tijd hier doorbrengen. Alcatraz wordt tegenwoordig gerund door de National Park Service, als onderdeel van de Golden Gate National Recreation Area. De bekendste gevangenis van de wereld trekt jaarlijks meer dan een miljoen toeristen.

Wanhoop

De legende wil dat Alcatraz escape proof was. De plek stond eens bekend als ‘Uncle Sam’s Devil’s Island’ en ‘Hellcatraz’. Voor de veroordeelden waren de beton-en-stalen kooien van ‘the Rock’ in elk geval de hel op aarde. De schitterende uitzichten op San Francisco en de baai vol schepen en zeilboten konden de wanhoop van de gevangenen alleen maar vergroten. Het is nu 33 jaar geleden dat de laatste echte veroordeelden van het eiland schuifelden, hun enkels in ketens. Hun geesten hangen hier niet meer rond, ook al heeft de Ranger een repertoire aan spookverhalen.

Als je echter in cel C-109 zit, op het dunne en smalle matras dat ligt op een bed van gevlochten stalen strips, dan krijg je wel degelijk de kriebels. De cel is 1,80 bij 3 meter, minder ruimte dan een hondenasiel per dier reserveert, maar hij lijkt kleiner. Je voelt het koude beton in je rug. Een onbedekt peertje schettert zijn harde licht door de ruimte. Je realiseert je dat je ieder plekje op deze gruwelijk intieme wanden zou leren kennen, dat patronen in het plafond nog lang nadat het licht was uitgegaan voor je geestesoog zouden paraderen. In de donkerte van dat Alcatraz was een man op zichzelf aangewezen.

Maar stil was de nacht zeker niet. In andere cellen bewogen rusteloze lichamen. De bedekte geluiden van een passerende boot kwamen dichterbij en stierven weer weg. Over het water, op de golven van de wind, dansten de verleidingen van San Francisco: hoorns, sirenes en zelfs gelach van vrouwen in de St. Francis Yacht Club, iets meer dan een kilometer verderop. En dan waren er de vogels. Een ervaren bewoner kon misschien wel slapen bij de seizoensgeluiden van nestelende zeemeeuwen en herons. Maar een nieuwe ‘vis’ in Alcatraz zou ruw gewekt worden uit zijn ongemakkelijke sluimer door de plotselinge krijsen. En hoewel de schaduwen van gestorven veroordeelden niet over de wanden kruipen, bezorgt de kleine cel op de Rock me om twee uur ’s nachts wel koud kippevel.

Strategisch gelegen

De tien hectare winderige zandsteen, zonder zoet water, was simpelweg niet geschikt voor menselijke bewoning. Niemand was er dan ook in geïnteresseerd tot de vroege jaren vijftig van de vorige eeuw, nadat de Verenigde Staten Californië hadden verkregen van Mexico. Amerikaanse militaire ingenieurs bedachten dat het eiland een ideale plek was voor een fort ter bewaking van de strategisch gelegen haven waardoor menig goudtransport voer. Hoewel het fort altijd tot de nok vol zat met wapens, vuurde het maar één keer een serieus schot af, tijdens de Burgeroorlog. Ze misten.

Alcatraz werd ook gebruikt als een ad hoc militaire gevangenis, voor soldaten die schuldig waren aan desertie of andere misdaden. Ook Amerikaanse Indianen werden er opgesloten, een van de manschappen van Geronimo bijvoorbeeld. Rond de eeuwwisseling besloten de militairen om een nieuw cellenblok te bouwen, want ze wisten niet wat te doen met gevangenen van de oorlog in de Filippijnen. Dat complex van drie verdiepingen, gebouwd van gewapend beton, is, afgezien van de vuurtoren, nog steeds het meest prominente gebouw op het eiland. Rond 1933 vonden de militairen Alcatraz echter te duur in het onderhoud, en men besloot het te sluiten.

J. Edgar Hoover, de agressieve jonge directeur van de FBI, had een ander plan. De golf van misdaad in de jaren dertig veranderde de houding van het publiek tegenover wetsovertreders. In Hoovers pogingen de FBI een belangrijke positie te geven, paste het dat hij weinig deed om de gevierdheid die de ‘publieke vijanden’ als Al Capone en George (Machine Gun) Kelly omringde de kop in te drukken, ook al zaten zijn G-men hen op de hielen. Maar de gangsters hadden al een hoop problemen opgeleverd voor de bewakers van de federale gevangenissen. Opgejuind door Hoover ging de minister van Justitie akkoord met de bouw van een ‘supergevangenis’. Ze kozen Alcatraz en James A. Johnston om de zaak te leiden.

Streng regime

De zestigjarige Johnston, een jurist en bankier die maatschappelijk zeer actief was, leek een rare keuze. Maar hij had ervaring: twintig jaar eerder had de gouverneur van Californië hem gevraagd de barbaarse Folsom Prison over te nemen. Door de gestreepte uniformen en lijfstraffen af te schaffen, deed Johnston een reputatie op als een humaan hervormer. Maar de tijden – en de man – waren veranderd. Onder Johnston maakte Alcatraz kennis met de principes van Frederick Winslow Taylor, de ‘vader van het wetenschappelijke management’, de man wiens time-and-motion studies van de Amerikaanse fabrieken efficiënte machines maakte.

Gevangenissen waren altijd al plaatsen geweest van regels en vaste procedures, maar Johnston maakte van de penologie, de leer van het straffen, haast waanzin. De dag begon om half zeven met een luid gerinkel van het gevangenisalarm, gevolgd door de eerste officiële telling van de dag. Gevangenen hadden twintig minuten om hun tanden te poetsen, bedden op te maken en kleren aan te trekken.

Nadat ze door de honderd meter lange gang – Broadway voor bewoners – waren gelopen, kwamen de mannen in de eetzaal. Na twintig minuten klonk een schril fluitje, waarna de gevangenen moesten opstaan. Hun bestek werd geteld, en de mannen werden teruggebracht naar hun cellen voor de volgende officiële telling. Dezelfde routine vond plaats rond de lunch en het avondeten. Op weg naar de werkplaatsen, waar de gevangenen handschoenen en pallets maakten en de was deden, moesten de mannen door metaaldetectors lopen. Regelmatig vonden strip searches plaats.

Om half vijf ’s middags ging de deur voor dertien uur op slot. De lichten gingen uit om klokslag half tien. Op mistige dagen, als de bewakers niet gericht konden schieten, mochten de mannen alleen voor het eten hun cel uit. ‘Een uur, een week, een maand: het betekende helemaal niets’, zegt voormalig Alcatraz-gevangene Nathan Glenn Williams. ‘Een jaar diende enkel om aan te geven dat je 365 dagen dichter bij je vertrek was. Voor de mensen die tijdloze termijnen uitzaten, zoals 150 jaar plus leven, verloor ook de kalender elke betekenis.’ Een andere ex-veroordeelde noemde de machine-achtige routine ‘een verfijnde vorm van marteling’.

Totale controle

In drie van de vier vrijstaande cellenblokken verving Johnston de met sleutels te openen deuren van zacht metaal door tralies van onbewerkbaar materiaal. Hij installeerde het toen gloednieuwe systeem van sluiten. De zwaar-metalen slag waarmee de zaak in het slot viel, was inderdaad bedoeld om te intimideren, om de gevangenen eraan te herinneren dat de bewakers totale controle hadden. De meeste gevangenen zaten in de blokken B en C, die gescheiden werden door Broadway.

Blok D stond bekend als de ‘Treatment Unit’ en werd gebruikt voor afzondering. Zes cellen in blok D hadden massief metalen deuren; wie tijd moest doorbrengen in ‘the Hole’ zat in totale afzondering tot negentien dagen in een van deze zes cellen, vaak in totale duisternis. Johnston bouwde geschuts-galerijen aan de uiteinden van ieder celblok. Van achter de tralies langs de smalle wandelbrug konden de bewakers de gevangenen altijd zien. Een serie van elektronisch gecontroleerde poorten en deuren beveiligde de entree en in het plafond van de eetzaal zaten granaten met traangas.

Boven op het hekwerk rond de gevangenis lagen rollen prikkeldraad. Boten werden gewaarschuwd op minstens tweehonderd meter van het eiland te blijven. De meeste strafinrichtingen hadden één bewaker voor tien gevangenen. Johnston nam er één per drie bewoners van Alcatraz. Hij beval twaalf officiële tellingen per dag, maar dat kon op een dag wel oplopen tot dertig of meer. Zelfs als een man de bewakers en alle hindernissen wist te ontlopen, dan wachtte hem nog een enorme barrière: de koude wateren en de stromingen in de baai.

Enkel gunsten

Niemand werd direct veroordeeld tot een verblijf in Alcatraz. Je ‘verdiende’ je verblijf als je verstorend of bedreigend was, of een veiligheidsrisico betekende in een andere federale gevangenis. Het idee was ook dat niemand direct vanuit Alcatraz vervroegd werd vrijgelaten. Een gevangene kon het eiland verlaten via de lijkenkamer, maar men zei dat zelfs die lichamen handboeien en ketens droegen.

In de eerste jaren kregen de nieuw-aangekomenen een douche en werden geheel naakt onderzocht – de eerste stap om hun ego’s te ondermijnen. ‘Ik heb nooit een naakte man gezien’, zei Johnston later, ‘die zijn waardigheid kon behouden.’ In hun cellen kregen de gevangenen overalls in standaardkleur. ‘Je hebt recht op voedsel, kleding, onderdak en medische zorg’, vertelde Johnston de gevangenen. ‘Verder zijn het allemaal gunsten.’

Boeken en tijdschriften werden gecensureerd – alles wat met misdaad had te maken, werd verwijderd. Een gevangene kon brieven schrijven en ontvangen, maar ook deze werden zwaar gecensureerd en soms zelfs helemaal niet afgeleverd. Recreatie – softbal, schaak en domino’s – bleef beperkt tot een paar uur in de weekeinden. Gevangenen konden werken in de keuken of in een van de werkplaatsen, maar Alcatraz had geen winkel waarin ze hun schamele loon konden uitgeven.

Bij goed gedrag mochten de gevangenen één uur bezoek per maand ontvangen. Niet dat ze er veel aan hadden, want veroordeelde en bezoek konden elkaar alleen zien door een dikke plaat glas en moesten door een telefoon praten. Bewakers luisterden mee en kapten ieder gesprek over dagelijks nieuws, gevangenisleven en criminele activiteiten onmiddellijk af.

Eenzame opsluiting

De minste overtreding leverde verlies van de ‘gunsten’ op. In Johnstons eerste jaren gold dat ook voor het recht om te praten met andere gevangenen. Agressief gedrag tegen een bewaker leverde drie weken in the Hole op. De routine – en vooral Johnstons opgelegd zwijgen – maakte de gevangenen al snel knettergek. Tijdens zijn eenzame opsluiting boog een vervalser, genaamd John Stadig, de tand van een vork om, viste een ader op uit een van zijn polsen en beet hem doormidden. Hij werd aangetroffen toen hij met zijn andere pols bezig was.

In 1937 kreeg de bankrover Rufe Persful een kapmes te pakken in een werkplaats en hakte onmiddellijk de vingers van een van zijn handen. Berichten over de zelf-verminkingen lekten naar buiten. Het Bureau of Prisons behandelde Alcatraz als supergeheim en dat leidde enkel tot meer media-interesse. Uiteindelijk vrijgekomen bewoners lieten zich horen. Een van hen, William Ambrose, vertelde de San Francisco Chronicle: ‘De no talk-regel is het moeilijkste van alles op Alcatraz. Het is de vreselijkste gevangenis die ik ooit heb gezien. De hopeloosheid ervan grijpt je aan.’

In een nummer van de Saturday Evening Post uit 1938 beweerde Brian Conway dat hij zeker wist dat in zijn laatste jaar op the Rock veertien gevangenen op gewelddadige manier door het lint waren gegaan. In 29 jaar tijd pleegden vijf man zelfmoord op Alcatraz. Na zijn vrijlating schreef Roy Gardner een boek met de titel Hellcatraz: The Rock of Despair. Hij noemde het ‘een eiland van de levende doden’. In 1941 stond de 29-jarige Henry Young in San Francisco terecht voor de moord op een andere bewoner van Alcatraz, Rufus McCain.

Hij verwachtte een veroordeling wegens moord. Maar zijn advocaat zette Alcatraz in de beklaagdenbank en stelde dat de herhaalde ransel-partijen door bewakers en de eenzame opsluitingen Young in een ‘psychologische coma’ hadden gebracht die hem ‘wettelijk bewusteloos’ maakte tijdens de moord. Medeveroordeelden die in ketens naar het gerechtsgebouw werden gebracht, getuigden van de systematische wreedheid van de gevangenis. Kranten schreven over ‘het proces tegen Alcatraz’. In zijn slotpleidooi stelde Youngs advocaat: ‘Het was Alcatraz dat McCain heeft gedood.

Het was de koude, sadistische logica die sommige mensen penologie noemen, die hem doodde.’ Dat vond de jury ook, en Young werd veroordeeld wegens doodslag. De politieke druk op de gevangenis nam toe. Maar in december vond de aanval op Pearl Harbor plaats en hadden de Amerikanen opeens meer dringende zaken aan de hand dan de behandeling van federale gevangenen.

Altijd het water

De eerste gevangene die probeerde te ontsnappen was Joseph Bowers. In 1936 klom hij op een hek in het volle zicht van de bewakers en werd doodgeschoten. Zijn medegevangenen noemden het zelfmoord. In 1937 lukte het Ralph Roe en Theodore Cole om daadwerkelijk van het eiland af te komen. Ze werden nooit weergezien en men neemt aan dat ze zijn verdronken. Toch besteedde vrijwel elke veroordeelde in Alcatraz veel van zijn tijd aan gedachten over ontsnappen. Uit de werkplaatsen, het dok en de onderhoudsloodsen stalen de gevangenen alles wat ook maar enigszins bruikbaar kon zijn om door staal te zagen of in cement te krabben.

Aan een stukje touw kon je een klein mesje in de afvoerpijp van een wasbak verbergen of in het toilet. Ze zitten er waarschijnlijk nog. Gevangenen leerden ook de routines van de bewakers kennen, tot op de seconde. Maar er was altijd het water. San Francisco Bay kon het diepste verlangen naar vrijheid ondermijnen. Floyd Hamilton, eens een trotse Public Enemy No. 1, kwam tot aan de waterrand en verdween. Ondanks een grootscheepse klopjacht bleef hij onvindbaar. Maar Hamilton kon zich er niet toe brengen om weg te zwemmen. Hij verborg zich in grotten in het zandsteen van het eiland. En uiteindelijk, hongerig, uitgeput, koud en nat, sloop Hamilton terug naar binnen, in een voorraadkamer waar hij in slaap viel. Een enkeling gaf het niet zo gemakkelijk op.

In 1946 lukte het een stuk of zes gevangenen onder leiding van Bernard Coy en Joseph Cretzer om de wapens van een bewaker te pakken te krijgen. Ze wilden zich ‘naar buiten schieten’, maar kwamen niet eens uit het cellenblok. De gevangenen konden hun bezetting twee dagen volhouden. Terwijl de Kustwacht en de Marine om het eiland voeren, keken duizenden vanuit de stad hoe de bewakers de aanval openden. Mariniers belegerden het blok en hun granaten sloegen stukken beton uit de muren. Ze klommen op het dak en gooiden granaten door luchtkanalen en lichtkoepels. Gevangenen in doodsangst verborgen zich achter matrassen in hun cellen. Cretzer schoot ten slotte zijn pistool leeg op een groep bewakers die ze in twee cellen als gijzelaars hielden. Als door een wonder stierf er maar één; de anderen raakten zwaargewond. Tegen het eind van de belegering waren Cretzer, Coy en Marvin Hubbard dood. Twee van de drie overlevende leiders werden later geëxecuteerd in San Quentin.

Luchtkanalen

Johnstons opvolgers verzachtten de rigide routine. In het midden van de jaren vijftig kregen de cellen koptelefoons waarmee ze naar de radio konden luisteren. Gevangenen kregen ook verf en doeken, en een aantal verdreef de verveling met kunst. Toch bleef ontsnappen een natuurlijke drang. Bij de beroemdste ontsnapping van Alcatraz waren Frank Lee Morris en de broers John en Clarence Anglin betrokken. In 1962 gebruikten ze gestolen gereedschap om door de luchtkanalen in hun cellen te werken en de roosters ervan te vervangen door kartonnen exemplaren. Met dummies onder hun dekens – om de bewakers tijdens nachtelijke tellingen te misleiden – klommen ze een gangpad in voor onderhoudswerkzaamheden, midden in blok B, en werkten zich moeizaam door de staven van een rooster in het plafond. Ze maakten een opblaasbare boot van gestolen regenjassen. De voorbereidingen duurden zes maanden.

Op de nacht van 11 juni gingen de drie het dak op, lieten zich langs een regenpijp zakken en verdwenen. Gevangenismensen vonden persoonlijke eigendommen op zee, maar nooit de lichamen. Als de drie ontsnapt zijn, hebben ze blijkbaar nooit meer een misdaad begaan. Televisieseries en een film als Escape from Alcatraz met Clint Eastwood houden speculaties over hun lot levend. Volgens het Bureau zijn ze dood. Het is deel van de Alcatraz-legende.

Wat de meeste mensen denken over Alcatraz, stemt nauwelijks overeen met de werkelijkheid. In de federale gevangenis van Leavenworth, Kansas, zat ene Robert Stroud wegens moord op een man in Alaska. Stroud werd een expert in ziekten van vogels en schreef daarover. Veel mensen vonden hem een genie – en een psychopaat. Toen hij in 1942 naar Alcatraz werd overgebracht wegens de moord op een bewaker, werd Stroud zowel door de medegevangenen als de bewakers gehaat. Hij bracht zeventien jaar door in blok D of een isolatiecel in het ziekenhuis.

Op Alcatraz mocht hij geen vogels houden. Maar de biografen van Stroud meenden dat een boek met de titel The Birdman of Leavenworth minder goed zou verkopen dan The Birdman of Alcatraz. Ze hadden gelijk en de film in 1962, met Burt Lancaster in de hoofdrol, sprak tot de verbeelding van het publiek. Tot ongenoegen van de bewakers op Alcatraz portretteerde Lancaster Stroud als een zachtaardig man.

Groot verloop

Ook de bewakers hadden een hele kluif aan hun werk. De koude winden die ’s nachts door de Golden Gate waaien, maakten een verblijf in de wachttoren verre van aangenaam. Dat gold ook voor de achturige dienst in een gun gallery; de smalle gang tussen een massieve muur en een rij tralies was net zo benauwend als een cel. Het verloop was groot. Maar voor sommigen van hen was het hun interessantste opdracht, vooral de mensen die in de appartementen of huisjes op het eiland woonden met hun gezinnen.

In haar boek Eyewitness On Alcatraz beschrijft Jolen Babyak, de dochter van de assistent-opzichter, haar jeugd als heerlijk. ‘Bewoners van het eiland realiseerden zich snel hoe aantrekkelijk hun leven was’, schrijft ze. ‘Kinderen waren veilig, geen drukke straten, en een buurt waar iedereen iedereen kende.’ De kinderen gingen naar school met de boot, die dagelijks tientallen tochtjes maakte naar San Francisco. Ze speelden op het oude paradeterrein van het fort, en hun moeders deden ’s nachts de deuren niet op slot. Weinig kans dat een inbreker een huis op Alcatraz zal kiezen.

Duurste gevangenis

Morris en de gebroeders Anglin – en de 33 anderen die hun leven waagden in 14 uitbreekpogingen – bewezen dat Alcatraz niet helemaal ontsnappingsveilig was. En kosteneffectief was de gevangenis evenmin. In de 336 cellen zaten gemiddeld 260 gevangenen; in totaal verbleven maar 1576 gevangenen in Alcatraz (vandaag de dag zitten er 89.000 in de federale gevangenissen).

Aan het begin van de jaren zestig kostte het 13 dollar per dag om een gevangene op Alcatraz te houden en dat maakte het de duurste gevangenis van het hele systeem. Herstel van de vervallen gebouwen zou nog eens vijf miljoen dollar kosten. Daarom beval minister van Justitie Robert Kennedy de sluiting van Alcatraz. In de ochtend van 21 maart 1963 had Olin G. Blackwell, een slome Texaan die twee jaar directeur was geweest, nog maar 27 gevangenen over. Alcatraz diende het laatste ontbijt op: cereal, gestoomd graan, gebakken eieren, fruit, toast, boter en koffie.

Daarna werden de gevangen voor de laatste keer uit hun cellen gehaald. Met handboeien, en ketens om hun enkels en hun middel schuifelden ze over Broadway. De laatste gevangene die op Alcatraz was gearriveerd, nummer 1576, had nu de twijfelachtige eer de laatste veroordeelde te zijn die er vertrok. De 29-jarige Frank Weatherman, blond en mager, slofte de loopplank op, draaide zich om naar de media en zei: ‘We zijn allemaal blij dat we wegkunnen. Alcatraz was never good for anybody.’

Fascinatie

Dat kan zijn, maar onder de fotografen was Les Thomsen, die geïntrigeerd raakte door Alcatraz. Zijn dochter nam die interesse over en werkt nu al zo’n acht jaar als Park Ranger op het eiland. Ze heeft vijftien ex-gevangenen en talloze bewakers geïnterviewd, en bezoekt op vakantie andere gevangenissen. ‘Ik denk dat ze me gewoon fascineren’, zegt ze. Hoewel de bezoekers vooral geïnteresseerd zijn in de gevangenis, behandelen de Rangers alle perioden in de geschiedenis van Alcatraz.

De Burgeroorlog komt aan bod, net als de negentien maanden durende bezetting die begon in 1969, toen Indianen er een school en cultureel centrum wilden vestigen. Toen Alcatraz in 1973 openging voor toeristen, dacht de Park Service dat het niet lang zou duren. Maar tegenwoordig sturen de bootjes die de verbinding onderhouden dagelijks duizend mensen weg, omdat ze vol zitten. Er zijn maar 4500 bezoekers per dag toegestaan. ‘Het miljoen mensen dat we jaarlijks krijgen is zo ongeveer alles wat deze gebouwen kunnen verdragen en wat onze staf aankan’, zegt Thomsen. Een nacht-rondleiding door Thomsen is de moeite waard.

Nadat de laatste boot is vertrokken, voert ze de verkenners door de tunnels onder de exercise yard, naar de gun galleries en door het ziekenhuisje. Dan toont ze een verzameling steekwapens die in andere federale gevangenissen in beslag zijn genomen. Voor de onthutste jongens demonstreert Thomsen hoe ze in de levers werden gestoken van andere gevangenen die ‘ter dood veroordeeld’ waren. Ze neemt de groep ook mee naar het dak om de luchtschacht te laten zien waardoor Morris en de Anglins ontsnapten. Niets goeds

De zondag na Thomsens rondleiding arriveert een Alcatraz-beroemdheid. Met zijn witte haar ziet de bijna tachtigjarige Nathan Glenn Williams er zeker niet uit als een bankrover. Maar van de late jaren dertig tot 1951 was hij een ervaren vakman. Afkomstig uit een welgestelde familie in Washington State beroofde hij banken in het hele land. Hij werd gepakt en veroordeeld tot een staatsgevangenis in Washington, uit welke zijn familie hem wist los te krijgen.

Hij trouwde en kreeg een dochter, maar bleef niet lang op het goede pad. Andermaal gepakt, stopten ze hem in de McNeil Island Federal Penitentiary nabij Tacoma en in 1953 verdiende hij zijn entreebewijs voor Alcatraz. Hij verloor zijn vrouw en zijn dochter werd geadopteerd door een familielid. Williams bracht zes lange jaren door op Alcatraz en maakte twee van de acht moorden op het eiland mee en een wrede steekpartij. Maar hij veranderde zijn leven niet door Alcatraz.

‘Ik heb niets, maar dan ook niets goeds te zeggen over deze vreselijke, vreselijke plek’, legt hij uit. Toch begon Williams na zijn vrijlating in 1963 een vrijwilligersbureau om de families van gevangenen naar de bezoeken op McNeil Island te brengen. Hij maakte het beste van zijn verleden, gaf lezingen voor jongeren en maakte opnieuw kennis met zijn dochter. In 1980 kreeg hij van president Carter een Presidentieel Pardon. Een paar jaar later werd hij geëerd door Ronald Reagan voor zijn vrijwilligerswerk en lunchte hij met de president.

Ook schreef Williams, net als andere ex-gevangenen als Leon (Whitey) Thompson en Jim Quillen, een boek over zijn ervaringen; het zijne heet toepasselijk From Alcatraz to the White House. Een keer per maand komt hij vanuit Seattle naar the Rock, waar hij met veel plezier rondleidingen geeft. Ik vroeg hem naar die geluiden die mij helemaal gek maakten, en Williams herinnert zich: ‘Wel, in het begin werd je knettergek van die misthoorns. Maar daar wende je aan. Dat geldt ook voor de geluiden van de andere gevangenen.’ En de meeuwen? ‘Jeez. Daar heb ik in geen jaren over gedacht’, zegt gevangene nummer 1103. ‘Er was zoveel om afkeer van te hebben in deze plek. Maar ik haatte die klerebeesten vanuit de grond van mijn hart.’

Zijn voormalige bewakers haat hij niet langer. ‘Er was een tijd dat ik wie dan ook zonder nadenken had kunnen doden’, zegt hij. ‘We hadden zulke andere perspectieven. Zij gingen naar huis, dronken een glas en genoten van hun gezinnen, terwijl wij veroordeelden werden opgesloten in een kleine cel. Maar een aantal van hen is nu mijn beste vrienden. Ze komen eten en blijven slapen. Toen, jaren geleden, had ik me dat niet voor kunnen stellen.’