Big Apple: waar komt die naam vandaan?

De term zou, volgens onbewijsbare legendes, voor het eerst gebruikt zijn als een verwijzing naar de hoeveelheid federaal geld die New York jaarlijks toegeschoven kreeg. Dat zou in 1909 zijn gebeurd. De economie van het land was een boom met vele wortels, maar het was de ‘big apple’ die alle sap tot zich nam.

De in 1893 geboren John J. FitzGerald schreef in de jaren twintig over horse-racing voor The Morning Telegraph. Hij was de eerste die de term “The Big Apple” populair maakte. Toen hij op verslag was in New Orleans hoorde FitzGerald een stel Afro Amerikaanse staljongens naar de wedstrijden in New York verwijzen als ‘The Big Apple’. Hij vond de uitdrukking zo mooi dat hij zijn column over paardenrennen ‘Around the Big Apple’ noemde. Geleidelijk aan werd de term gebruikt voor de hele paardenscene in New York.

Goed tien jaar later begonnen veel jazz musici over New York te praten als Big Apple, vooral als ze het over Harlem hadden, toen het jazz centrum van de wereld. Na verloop van tijd werd de term gebruikt voor de hele stad en zijn culturele verscheidenheid. In een gig in New York was  ‘to play the big apple’.

Begin jaren zeventig speelde de naam een belangrijke rol bij de pogingen om de toeristeneconomie van New York te doen herleven. Het New York Convention and Visitors Bureau begon een campagne met die naam.Onder vlag I love NY, met een appel erbij, was die campagne erg succesvol.

 

Tegenwoordig is het de algemeen bekende term voor New York City.