Nederlanders in Amerika

Als iets Nederlanders kenmerkte, dan is het dat ze op een kluitje bleven zitten. Daardoor leken ze nadrukkelijker aanwezig dan werkelijk het geval was.
In de negentiende eeuw vond er zeker geen massa emigratie plaats uit Nederland, hoewel het aantal van 250.000 vertrekkers toch een verschil van ongeveer vijf procent van de Nederlandse bevolkingsgroei in die eeuw maakte. De meeste mensen die vertrokken waren Nederlanders die een conflict hadden met hun kerk en in de VS hun eigen manier van geloof beleven wilden voortzetten.

Ongeveer duizend volgelingen van dominee Albertus C. van Raalte vestigden zich in zuidwest Michigan en noemden hun stad Holland. Dominee Hendrik Pieter Scholte kwam met ongeveer 900 mensen naar de prairies van Iowa en noemde zijn dorp Pella.
In de jaren tachtig van de negentiende eeuw was het een landbouwcrisis in Noord Nederland die 75.000 mensen het land deed verlaten. Tussen 1900 en 1914 kwamen nog eens 75.000 Nederlanders door Ellis Island. Na de Tweede Wereldoorlog vulden de Nederlanders hun quota, maar veel meer mensen gingen naar Australië en Canada.
Wel kon een grote groep Indonesische Nederlanders tussen 1958 en 1962 naar Amerika komen, ongeveer 30.000 mensen.

Nederlanders hingen ook in Amerika aan hun dorpen en regio’s en kropen vaak bij elkaar. De centrale stad van de Holland kolonie in Michigan werd gesticht in 1847 door mensen uit Gelderland en Overijssel. Binnen twee jaar vormden nieuw aangekomenen een cirkel van stadjes eromheen met namen als Zeeland, Vriesland, Groningen, Overisel, North Holland, Drenthe, en Geldersche Buurt, of namen als Zupthen, Nordeloos, Hellendoorn, Harderwijk en Staphorst.
De bewoners van Pella kwamen uit Utrecht en Amsterdam. In Chicago gingen Nederlanders wonen die kwamen uit Zuid Holland.
Veel Nederlandse Amerikanen woonden en werkten op het platteland. Voorzover ze in de steden woonden, verhuisden ze na de oorlog net als de andere Amerikanen naar de suburbs, maar ze deden dat vaak met zijn allen, zodat ze de hechte geloofsgemeenschap die ze hadden, konden behouden.
Een citaat uit de Harvard Encyclopedia of Ethnic Groups: ‘Hollanders in Amerika staan bekend om hun clannishness (ze blijven bij elkaar zitten) zelfs in de vijfde en zesde generatie. … Ze probeerden zich zo te organiseren dat ze etnische en geloofsbanden konden behouden.’ ‘Ook in de snel groeiende steden was de Nederlandse gezamenlijkheid sterk’. Vrijwel ieder geschiedenisboek vermeldt dat de Nederlanders hun geloofsconflicten en tradities meenamen naar de Nieuwe Wereld.

Rob Kroes deed in de jaren tachtig onderzoek naar de geschiedenis van een aantal Nederlandse gemeenschappen in de staat Montana, in het noordwesten. Deze regio is notoir moeilijk te bebouwen voor kleine boeren, zeker met de hulpmiddelen die hen oorspronkelijk in de negentiende eeuw ten dienste stonden. De hardverscheurende ervaringen van mensen die er toch hun geluk probeerden te vinden, zijn ook beschreven door Jonathan Raban in Badland. Wat Kroes honderd jaar na de eerste kolonisten aantrof was een gemeenschap die nog steeds probeerde zijn grens naar de buitenwereld af te bakenen. Die grens was vooral gebaseerd op geloof en de al of niet reële dreiging daarvan door de boze buitenwereld.
Nederlands klitten wel heel erg bij elkaar. De Amerikaanse immigratiespecialist Robert Swierenga stelde vast dat tussen 1820 en 1880 zowat driekwart van de emigranten uit Nederland afkomstig was uit 134 gemeenten (er waren er meer dan 1100 in Nederland). Goed een derde deel kwam uit slechts 22 gemeenten. Oftewel, het waren vaak hele gemeenschappen die verhuisden en er was niet zozeer sprake van een brede emigratiegolf die over Nederland spoelde. In Amerika gingen ze ook weer allemaal bij elkaar zitten. Dat viel natuurlijk ook te verwachten met zo’n geconcentreerd vertrekpatroon.
Via brieven hielden de nieuwkomers de achterblijvers op de hoogte. Niet altijd was dat positief, veel mensen viel het danig tegen. Anderen schreven dat de lonen in Amerika hoog waren, dat er land in overvloed was en voor betaalbare prijzen. Als je ‘oppassend en vlijtig’ was, dan viel de overkomst aan te raden. Maar je moest welk hard werken. Wie dacht dat het op een dienblaadje werd aangereikt, kon maar beter thuisblijven.
De meeste nieuwkomers dienden een aanvraag in voor een homestead. Daarbij hoorde een aanvraag voor naturalisatie. De papieren die na vijf jaar mogelijk maakten om staatsburger te worden, hielden onder meer in dat de Nederlandse koningin moest worden afgezworen. Zoals Kroes opmerkt, ze deden het gemakkelijk: ‘ons koninkrijk voor een homestead’.
Tot ruim in de twintigste eeuw is Nederlands belangrijk. In de schlen besluit men in 1909 dat alleen nog in het eerste schooljaar helemaal in het Nederlands wordt lesgegeven. Daarna iedere week een halve dag onderwijs in het Nederlands als taal, en verder zouden de godsdienstlessen in het Nederlands blijven. Geleidelijk aan stelt men vast dat het een ratjetoe van Engels en Nederlands wordt. In 1919 wordt vervolgens het regelement in het Engels vertaald, waarna de stap om ook dat eerste jaar af te schaffen niet zo groot meer was. Dat gebeurt in 1924.
Kroes vertelt over een onderzoek dat ene Meinte Schuurman in 1941 deed. Deze socioloog ondervroeg de mensen in de gemeenschap waar hij opgroeide. Het geloof in bovennatuurlijke krachten bleek onverminderd aanwezig. Niet de economie of wat dan ook veroorzaakte depressies maar ‘God’s vengeance upon a sinful mankind’. De oplossing is uiteraard een terugkeer naar het ware geloof.
Aardig is dat ook hier een terugkerend proces opduikt. Als na de Tweede Wereldoorlog nieuwe immigranten komen uit Nederland, dan blijken die veel ondernemender en opener te zijn dan de gevestigde Nederlandse Amerikanen. Ze lieten zich ook niet veel gelegen liggen aan de starre hiërarchie in de gemeenschap. Kroes stelt vast dat het tot verstoorde verhoudingen leidde, roddel, achterklap en afgunst. Ik herken daar wel iets van bij de Chinezen in Zuid-Californië aan het einde van de vorige eeuw. De oude immigranten, zoals mijn schoonfamilie, ergerden zich aan de nieuwkomers uit Hong Kong en Taiwan. Die kwamen niet in grote armoede, niet met achterlating van bezit en familie. Bovendien kwamen ze naar een Californië waar inmiddels zoveel Aziaten woonden dat de discriminatie waar mijn schoonouders nog veel last van hadden, grotendeels tot het verleden behoort.
Zoals een Nederlandse Amerikaan het tegen Kroes zei: ‘the American melting pot syndrome is taking its toll, people are less interested in their culture’. Hij voegde er aan toe dat de antithese, een Kuyperiaans begrip, daardoor een scherpte verloor. De scheiding van de wereld buiten was niet vol te houden.

Volgens Robert Swierenga is wat de Nederlandse emigratie kenmerkt de rationele manier waarop het gebeurde. Geloofscongregaties en families organiseerden de Nederlandse gemeenschap overzee. Ze deden dat van het vertrekpunt tot en met de uiteindelijke bestemming. Meestal kozen Nederlanders hun bestemming voordat ze vertrokken. Minder dan één op de vijf emigranten werd als behoeftig bestempeld, vrijwel niemand verkeerde op de rand van verhongering. De meesten konden andere alternatieven overwegen.

De Nederlanders zijn geen grote groep in het palet van immigranten. Sinds de stichting van New Amsterdam gaat het om goed een half miljoen mensen. Volgens het census bureau levert dat toch nog een flinke groep van Dutch heritage op, 4,5 miljoen Amerikanen in 2000.

De Nederlanders waren er vroeg bij, dat weten we. Sinds de stichting van New Netherland in de jaren twintig van de zeventiende eeuw om precies te zijn. Ze waren er niet veel later dan de mythische Pilgrim Fathers. Wat eerst een nederzetting was van de West Indische Companie werd een kolonie. Toen de Engelsen in 1664 de zaak overnamen, woonden er 7000 Nederlandse kolonisten. Van daaruit domineerden ze decennia lang de omgeving van de stad, vooral langs de Hudson.
Maar de meeste immigranten kwamen aan in de grote golf van nieuwkomers uit Noord Europa. In de negentiende eeuw zo’n 250.000. Ze zijn interessant omdat dit boek voor Nederlanders is geschreven maar ook omdat hun gedrag nogal typisch was. In het Midden Westen, waar de meeste Nederlanders heen gingen, gingen ze bij elkaar zitten in homogene kolonies, waarvan een aantal tot de dag van vandaag overleven.
Na de Tweede Wereldoorlog emigreerden een miljoen mensen uit Nederland. Maar al wilden ze naar de Verenigde Staten, dat kon niet vanwege de strikte quota die in de immigratiewet van 1924 waren opgenomen. Slechts tien procent bereikte de favoriete bestemming. De rest ging naar Canada en Australië.

De Nederlanders waren niet anders dan andere immigranten in het meebrengen van hun lokale cultuur. Localism noemen wetenschappers dat. Ze schiepen zelfs binnen de Nederlandse gemeenschappen gesegregeerde wijken (in de woorden van de specialist op dit terrein, Robert Swierenga). Conflicten en schisma’s in Nederland werden als vanzelfsprekend overgezet naar de Nieuwe Wereld. In 1834 begon een reeks van afscheidingen in de Hervormde Kerken. Volgens de afscheiders was de kerk gevallen voor het theologisch liberalisme van de verlichting en liet het de zware hand toe van het Huis van Oranje onder Willem I.
De combinatie van vervolging en slechte aardappeloogsten in het midden van de jaren veertig zorgden ervoor dat zo’n 5000 Afscheiders naar Amerika vertrokken. Ze vormden de kern van de nederzettingen Holland en Zeeland in de staat Michigan, en Pella, een kolonie in Iowa. In hun orthodoxheid, individuele geloofsbeleving en cultureel conservatisme vormden ze een afgesloten gemeenschap, soms tot op de dag van vandaag. Geloof was de belangrijkste factor, meent Wierenga, in de assimilatie praktijk van de Nederlanders. Katholieken gingen snel op in de grote etnische gemeenschap, protestanten wisten als groep te overleven.

Niet alleen de Ieren hadden te lijden onder de aardappelrot. Ook in Nederland, dat in de jaren dertig en veertig er economisch toch al belabberd voorstond, sloeg de ziekte toe. Aardappels waren een belangrijk deel van de dagelijks menu. Soms werd het aangevuld met kool, knollen en wortels, maar voor de armsten was de aardappel onmisbaar. In 1845 spreidde de aardappelrot zich over heel West Europa.
Volgens de filantropist Otto Heldring hing er in de zomer van 1845 een ziekmakende stank over de aardappelvelden in Nederland. In september liet de overheid weten dat meer dan tachtig procent van de oogst was mislukt. Heldring beschrijft hongersnood en totale armoede. De daaropvolgende jaren waren niet veel beter. In juni 1847 ontstonden er rellen in Harlingen, vanwaar nog aardappelen werden geëxporteerd naar Engeland.
Vanaf 1845 begon dominee van Raalte, die de leidsman zou worden (letterlijk) voor de Nederlandse kolonisten, te ageren voor emigratie. Ze richtten een organisatie op, de Vereeniging van Christenen voor de Nederlandsche Landverhuizing naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, om hun project van de grond te krijgen. Het idee was om straks de mensen bijeen te houden onder meer door samen land te kopen. Ze stuurden wat mensen vooruit die terugschreven dat het eten er goedkoop was en dat ze drie keer per dag vlees aten. ‘De armen zijn hier net zo goed af als de rijken; niemand hoeft zijn pet af te nemen voor een ander, zoals in Nederland’, schreef een van hen. Een pamflet dat Van Raalte maakte, moest drie keer herdrukt worden. De overheid hield de beweging nauwkeurig in de gaten. In september 1846 vertrok Van Raalte zelf.

Zoals de historicus Henry Lucas zegt, na de revolutiejaren 1948 en 1949 verbeterde de toestand in Nederland. De economische ontwikkeling leek wat vaart te krijgen, de zware hand van de overheid leek lichter. De geloofsproblemen verminderden. Het aantal emigranten nam af tot een 185 in 1858, wat te maken had met de crisis van 1857 in de VS. Na de Burgeroorlog steeg het aantal weer, tot de fiannciële crisis van 1873 het opnieuw onaantrekkelijk maakte. Vanaf 1880 kwam een nieuw stroom op gang tot de jaren negentig, tot de volgende economische crisis in de VS. In de laatste decennia van de negentiende eeuw nam het aantal inwoners van Nederland sterk toe. Een landbouwcrisis, mede veroorzaakt door de graanproductie in het Midden Westen van Amerika, ondermijnde de boeren. Amerika’s reputatie als het land van alle mogelijkheden, bleef overeind. Verder was sinds 1873 de Holland Amerika lijn actief, met stoomschepen tussen Rotterdam en New York. De overtocht kostte nu rond de twaalf dollar.

De overtochten in het midden van de eeuw waren geen pretje. Ze duurden tussen de dertig en de zestig dagen, afhankelijk van wind en stormen. De omstandigheden waren belabberd. Ziekten hadden vrij spel als ze eenmaal uitbraken en cholera kon soms een flink aantal doden eisen. Doden vielen altijd. Over scheepsrampen, branden, een enkel geval van piraterij en andere ongelukken hebben we het dan nog niet eens. Eenmaal aangekomen werd een flink aantal direct uitgemolken en bestolen. Op weg naar Buffalo en verder, deden zich verdere gelegenheden voor om spaargeld of treinkaartjes kwijt te raken.

De opgetekende ervaringen van de Hollanders in Amerika maken duidelijk dat het een verre van gemakkelijk bestaan was. Ze hadden weinig ervaring met het leven in de wildernis. Als ze een boom omhakten deden ze het zo klungelig dat hij soms op de hut viel.