Ruimtelijke segregatie in Nederland? Please!

Een van de beleidsdoelstellingen was het bieden van evenredige woonvoorzieningen aan allochtonen en autochtonen. Je mag wel zeggen dat dit beleid geslaagd is. Alle onderzoeken geven aan dat de omstandigheden op de woningmarkt voor allochtonen sterk zijn verbeterd. Dat wil niet zeggen dat ze in de beste wijken wonen, wel dat ze stukken beter wonen dan dertig jaar geleden. Opwaartse mobiliteit in de woningmarkt is nog niet aan de orde maar het is een kwestie van tijd voordat de tweede generatie het hogerop zoekt.

Inmiddels belegen maar nog steeds veelzeggend is de anekdote van de befaamde socioloog uit Chicago, William Julius Wilson, die wordt meegetroond naar de Nederlandse achterstandwijken. De man blijft zich maar afvragen wanneer we nou bij die getto’s komen die hem waren voorgespiegeld. Als we zeggen dat dit het is, lacht hij besmuikt over zoveel Nederlandse naïviteit. Ook de vaak treurige beschrijvingen van allochtone wijken, soms ronduit tendentieus, doen weinig recht aan de feitelijke kwaliteit van de behuizing.

 

Meer segregatie?

Succes dus. Wel zitten we met het bijeffect dat de concentratie van etnische groepen in bepaalde wijken is toegenomen. Anders geformuleerd, volgens sommigen is de segregatie tussen etnische en niet etnische wijken groter geworden. Dit is altijd een wat problematische vaststelling aangezien de segregatie natuurlijk nergens groter is dan in volledig autochtone, rijke wijken. Denk aan Amsterdams Oud Zuid, Rotterdams Kralingen en steden als Wassenaar, Vught of Bloemendaal.

Ik kan niet helemaal traceren wanneer het begrijp ‘segregatie’ een rol begon te spelen in de Nederlandse politiek. Meestal bleek het de sprekers te gaan – waarschuwende toon – over de in hun ogen meestal groeiende afstand tussen etnische Nederlanders en niet etnische Nederlanders. Daar moesten we wat aan doen, dat spreekt. En dan bleek het ineens over wonen te gaan. Voor mensen met ervaring in de Verenigde Staten was dit verwarrend. We kennen segregatie als de opgelegde, juridisch onderbouwde scheiding van rassen. In de jaren zestig werd dat formeel beëindigd maar inderdaad bestaat er in Amerikaanse steden letterlijk afstand tussen bevolkingsgroepen, vooral maar niet alleen tussen zwarte wijken en de rest. In Detroit, een van de ergste voorbeelden, ga je buiten het stadscentrum door een schil van vervallen, slecht onderhouden en gevaarlijke woonwijken. Waar de suburbs beginnen houdt dat abrupt op en wordt het weer leefbaar. In Californië zijn de krottenwijken minder erg dan in Chicago of Philadelphia, maar daar wonen de welgestelden juist weer achter grote hekken. Allemaal bij elkaar, rond het zwembad en de tennisbanen.

Hoewel er in Nederland nu vrijuit wordt gepraat over gesegregeerde woonwijken is van dat soort afstand bij ons geen sprake. Er is wel een zekere verdeling over de stad en de stadsgewesten maar die was er altijd al. Als die is toegenomen dan heeft dat direct te maken met de aanleg van suburbs, tuinsteden en vinexwijken rondom zowat alle Nederlandse steden. Die werden in eerste instantie natuurlijk bevolkt door de sociaal economisch net wat sterkere burgers die de steden verlieten, op zoek naar ruimte en een tuintje. Over betondorp en andere naoorlogse tuinsteden, meestal arbeiderswijken, hebben we nooit in dit soort termen gepraat.

Natuurlijk toont de huizenmarkt nog grote verschillen. Zestig procent van de autochtone Nederlanders is eigenaar van zijn huis, bij Surinamers is dat 30 procent, bij Antillianen 20, Turken 26 en bij Marokkanen is het 14 procent. De verschillen hebben te maken met inkomens, levensfase en de woningmarkt. Allochtonen wonen in huurwijken, zo eenvoudig is het soms. Steeds meer blijkt het woongedrag van allochtonen met een middenklasse inkomen, meestal de tweede generatie, te lijken op dat van autochtonen met een dergelijk inkomen. Met andere woorden, ze willen graag een eigen huis, met ruimte en met een tuin, en verhuizen dus geleidelijk aan naar buiten de grote steden. Dat geldt niet voor de eerste generatie. Als die verhuist dan is dat vaak binnen de wijk.

De etnische dichtheid in Nederland valt nogal mee, zeker vergeleken met de Amerikaanse en Engelse steden, en ook met de Franse banlieu’s. Slotervaart, voor veel mensen van buiten de ultieme Marokkanenwijk, heeft van de 45.000 inwoners er 9000 die Marokkaans zijn. Die wonen inderdaad dicht bij elkaar, maar om dat nou een gesegregeerd bestaan te noemen, zo dicht bij de rest van de wijk, zo dicht bij de stad zelf, gaat wel erg ver. Het geeft geheel onnodig een negatieve ondertoon aan de wijkendiscussies.

In deze context mag je toch wel vaststellen dat menselijke contacten in het algemeen en buurtcontacten in het bijzonder over het algemeen een soort-zoekt-soort of zo u wilt ons-soort-mensen vorm aannemen. Het idee dat de timmerman en de advocaat, de WAO’er en de IT’er gezellig bij de elkaar over de vloer komen is een raar restant van utopisch denken. Na de desastreus verlopen Europese verkiezingen riepen PvdA’ers weer op om contact te krijgen met ‘de mensen’, implicerend dat ze dat niet hadden. Minister Plasterk, fedora stevig op het hoofd, beloofde zich op het marktplein van Volendam te gaan oriënteren. Daar zou hij ongetwijfeld sterke opinies horen maar bijzonder weinig mensen tegenkomen die ooit bij hém in de buurt zouden wonen.

De analyse is simpel. De meest homogene wijken in Nederland zijn de meest rijke. Voor etnische ‘segregatie’ is het percentage sociale huurwoningen de verklarende factor. Vergeleken met andere landen zijn onze achterstandswijken veel minder eenzijdig samengesteld, kleiner en beter verbonden met de rest van de stad, via goed en frequent openbaar vervoer. Ze kennen zelfs een redelijk hoog voorzieningenpeil, vaak juist vanwege de achterstanden. Er zijn verschillende ontwikkelingen gaande. In sommige steden wordt de concentratie minder, in andere stijgt hij. Daar is volgens de onderzoekers geen eenduidige oorzaak voor aan te wijzen.

Natuurlijk is het lastig als een wijk van aard veranderd. Als wat vroeger een keurige zij het niet erg welvarende arbeiderswijk was ineens moet omgaan met andere talen, andere culturen, grotere gezinnen en, in het algemeen, een minder hechte samenhang, dan schept dat problemen. Dat zo waarschijnlijk precies zo gegaan zijn als er geen allochtonen waren gekomen. Ook dan zouden de nostalgisch herinnerde oude wijken van aard zijn veranderd en ook dan zouden veel naoorlogse autochtonen zijn vertrokken. Nu wordt het aan de allochtonen toegeschreven en onmiskenbaar heeft de komst van immigranten processen versneld en problemen vergroot.

Een van de problemen was de andere levensfase waarin de nieuwe allochtonen en de oude arbeidersgezinnen aanvankelijk verkeerden. Hun gezinssamenstelling was totaal anders. De kinderen van de naoorlogse wederopbouwgeneratie waren al uit huis, vertrokken naar de nieuwe kernen rondom de grote steden. De ‘empty nest’ achterblijvers, gewend aan keurigheid en Hollands fatsoen, kregen de drukte van een grote groep nieuwkomers over zich heen. Ineens waren de straten weer vol met kinderen, appartementen overbevolkt. Dat kon alleen maar tot dagelijkse problemen leiden. De veranderingen mochten onvermijdelijk zijn maar ze kwamen snel en waren groot.

Jan Willem Duyvendak constateerde in zijn Nieuw West Pamflet dat de grootste zichtbare ergernissen bestonden in rommel op straat en het luidruchtig en intimiderend gedrag van jongeren. Stadsbesturen waren niet al te effectief op deze terreinen. Bovendien liep de woningvoorraad, huurwoningen van corporaties, op zijn laatste benen. De kwaliteit van de appartementen voldeed niet meer. De grootscheepse renovatie en vaak totale vernieuwing, zoals die langs de A10 in Amsterdam, zou sowieso nodig geweest zijn. Nu ging dat sneller. Veel autochtonen wachten daar niet om maar grepen de kans aan om te verhuizen naar Nieuw Sloten, Noord of andere wijken met aanzienlijk nieuwere en betere huizen.

 

Nieuwe instroom

Aanvankelijk hadden allochtonen moeite hun weg te vinden in het Nederlandse woonbeleid. Zo gebruikten veel rechthebbenden niet de regelingen voor huurtoeslag. Ze wisten niet van het bestaan, ze wisten niet hoe dat werkte in Nederland. De laatste onderzoeken tonen dat zowel van autochtonen als allochtonen driekwart de toeslag aanvraagt waarop ze recht hebben. Voor zover daarop beleid gevoerd is, mag dat als een succes gelden. Zoals een rapport het formuleert: “de opgave om ‘de minderheden’ te laten aanhaken op de mogelijkheden van onze verzorgingsstaat, zoals toegang tot sociale huurwoningen en gebruik van de huurtoeslag, is geslaagd.”

Meer dan ooit zijn allochtonen tevreden met hun woning, een indicatie dat de woningvoorraad waarop vooral zij een beroep doen is verbeterd. Misschien hebben ze ook minder noten op hun zang want ze zijn meer tevreden dan autochtonen. De geleidelijke positieverbetering van allochtonen op de woningmarkt is te danken aan de groeiende middenklasse die gewoon, net als iedereen, een huis koopt. Ook hier een tweede generatieverhaal: hoger inkomen, hogere opleiding, hogere sociale status betekent vertrek uit de wijk. Omdat er in de grote steden ook een instroom is van anderen die geïnteresseerd zijn in een wijk vol diversiteit, levendigheid en vooral betaalbare woningen, komt er vanzelf meer menging tot stand. Over tien jaar zullen de Vogelaarwijken er heel anders uitzien.

Doordat de groep niet westerse allochtonen in brede zin sterker groeit dan de autochtone bevolking, en ze afhankelijk zijn van dat deel van de woningmarkt, neemt de concentratie nu nog toe. De ironie is dat al je over het label allochtonen heen kijkt, de etnische variatie in die wijken toeneemt. Een gekleurde wijk bevat meestal een regenboog aan kleuren. Terwijl tweede generatie Turken en Marokkanen vertrekken nemen andere allochtonen hun plaatsen in, uit Irak of andere niet-westerse landen. Zoals we bij de cijfers zagen, gaat het hier om een derde deel van de niet westerse allochtonen.

Het is ook niet zo dat elke allochtone wijk een achterstandswijk is. Er zijn nu ook allochtone wijken ontstaan met een gemiddelde sociaal economische status, zoals in Amsterdam Zuid Oost. In de grote steden zijn er ook wijken waar een kwart tot de helft van de bewoners allochtoon is en de welstand bovengemiddeld (denk aan Ijburg in Amsterdam en het CS kwartier in Rotterdam). Het zijn er nog niet veel –7 procent van de wijken met minstens een kwart allochtone bewoners – maar er ontstaan nu ook gemengde wijken waar het profiel ‘arme wijk’ niet op past. Kortom, een dubbele ontwikkeling. De ruimtelijke segregatie neemt toe maar ook de etnische en sociaal economische variatie.

 

Koopwoningen

De eerste generatie besteedde zijn spaargeld liever aan een huis in het land van herkomst. Naarmate de banden met dat land afnemen – zoals alle signalen aangeven voor tweede en derde generatie – en de prioriteit komt te liggen in het opbouwen van een middenklasse bestaan in Nederland, zal dit verdwijnen. Wie zijn kinderen en kleinkinderen vaak wil zien moet niet in Turkije of Marokko gaan wonen. Ook het gevoelsmatige verzet tegen een hypotheek onder de eerste generatie is geen lang leven beschoren. Als sommige moslims daar niet aan willen, dan moeten ze dat vooral niet doen. Sommige diep gelovigen op de Veluwe willen ook niet ingeënt worden – of zich verzekeren. Daar vinden we allemaal oplossingen voor in divers Nederland, zoals we dat altijd al deden.

Het aanbod op de woningmarkt is een belangrijke reden voor de ruimtelijke concentratie maar het vertelt maar het halve verhaal. Familiebanden, vrienden, gemak of gewoon, bij de groep willen wonen, verklaren de andere helft. Het SCP rapport zegt het zo: ‘de indruk bestaat dat dit netwerk belangrijker is dan voor autochtonen met dezelfde sociale status.’ Dat lijkt me een understatement, hoewel voor hoge inkomens, exclusieve wijken van autochtonen hetzelfde gezegd kan worden. En niet alleen voor hen. Autochtonen hebben precies dezelfde voorkeur om bij elkaar te wonen met gelijkgestemden. Misschien dat het dan niet om netwerk gaat maar om een gelijksoortige manier van leven.

Dat eerste generatie immigranten bij elkaar gingen zitten kan geen grote verrassing geweest zijn. Immigranten zoeken automatisch de economisch meest toegankelijke wijken op en in Nederland waren dat de huurwijken waar tot dan toe vooral arbeiders woonden. Bovendien weet iedereen die ooit de immigratieontwikkeling van Amerika of welk ander immigratieland dan ook heeft bekeken, dat immigranten overal en altijd bij elkaar gaan zitten. Ze proberen altijd, heel menselijk, de omgeving die ze net hebben verlaten te hercreëren. Dat lukt natuurlijk nooit, maar ze vinden wel steun en ondersteuning bij elkaar. De etnische wijken overal ter wereld vormen een beschermende omgeving voornieuwkomers en een springplank voor de volgende generaties. De arme wijken op Manhattan waren altijd doorgangswijken voor de volgende generatie nieuwkomers.

Wat er nu gebeurt, was dan ook volstrekt voorspelbaar. De tweede generatie verspreid zich over andere wijken, andere steden. De trend is nog niet sterk maar dat gaat groeien. De nieuwe middenklasse wil niet alleen beter en vrijer wonen, ze heeft de netwerken minder nodig en neemt misschien zelfs wat afstand van de sociale claims van familie en vrienden. Jonge gezinnen met kinderen willen ergens anders wonen, misschien in een wijk waar de scholen ook meer gemengd zijn. De oude wijk blijft een contactpunt voor familie, voorzieningen en, ook in steeds mindere mate, de moskee. Dit soort patronen zijn van alle tijden en alle samenlevingen. De Little Korea’s, Little Phnom Pen en de uitgestrekte Chinese voorsteden van Los Angeles zijn er voorbeelden van.

Je mag wel stellen dat de woningmarkt in Nederland over het geheel genomen open en toegankelijk is. Dat wil niet zeggen dat je ook toegang krijgt tot je omgeving, dat de buurt of de buren je met open armen ontvangen. Het kan nog steeds een drempel zijn om als enige allochtoon in een wijk te gaan wonen, maar dat zal niet lang meer duren. Op de arbeidsmarkt, zo merkt het rapport op, is de situatie omgekeerd. Daar is het moeilijk om binnen te komen maar als je er eenmaal in opereert is de discriminatie gering.

Inmiddels maakt de verbetering van naoorlogse wijken dicht bij de centrale stad het voor de allochtone middenklasse aantrekkelijker om daar te blijven. Grote stadsleven heeft zijn voordelen en hoewel de trek naar Almere en andere buitensteden zal blijven, zullen we zien dat allochtone middenklasse gezinnen zich ook in de oude tuinsteden gaan vestigen – in elk geval zolang ze geen kinderen hebben. En meer naarmate de woningvoorraad daar beter en meer gemengd is. Dat zie je nu al gebeuren met autochtone middenklasse gezinnen. Wie hoog opgeleid is maar een starter in de arbeidsmarkt en toch in Amsterdam wil blijven wonen, heeft weinig andere keus dan te kopen of te huren in wijken als Bos en Lommer en Slotervaart. Die hebben nu al een gemengde samenstelling, zowel etnisch als sociaal economisch. Dat zal alleen maar beter worden.

Zijn er geen slechte wijken in Nederland? Natuurlijk wel, en er kan veel verbeterd worden maar dat is geen integratieprobleem per se. Woningbouw en huisvesting staan al sinds de Tweede Wereldoorlog hoog op de politieke agenda en zijn er eigenlijk nooit van verdwenen. In brede zin heeft het beleid succes gehad. Pas getrouwde stellen hoeven niet meer thuis te blijven wonen, de algehele kwaliteit is sterk verbeterd. In enge zin, in de zin van de doelstelling zoals die in het kader van integratiebeleid werd geformuleerd, het verschaffen van evenredig woonvoorzieningen, is het beleid geslaagd.