Liefdadigheid

Als je dit opmerkt, is het weerwoord meestal dat liefdadigheid ook wel nodig is in die harde Amerikaanse samenleving. Dat klopt: bij het ontbreken van een verzorgingsstaat en sociaal vangnet moet er meer door liefdadigheid en vrijwilligers worden opgevangen. Toch miskent dit, in zijn negatieve klank, de drang van de Amerikaanse burger om daadwerkelijk zelf iets aan de samenleving bij te dragen, financieel of door middel van vrijwilligerswerk. Of het nu gaat om de honderdduizenden Amerikanen die met Kerstmis maaltijden opdienen aan armen en daklozen, om financiële bijdragen aan goede doelen of om hulp aan de buren bij acute problemen zoals brand, overstroming of wervelstormen, het is allemaal deel van de Amerikaanse manier van leven. Ook op een hoger financieel niveau, dat van de filantropie, het weggeven van grote bedragen, geeft Amerika de toon aan.
Amerikanen praten niet alleen maar ze doen ook wat. Het vloeit haast vanzelfsprekend voort uit hun sterk ontwikkelde gevoel van christelijke naastenliefde. Ze vinden dat goede werken niet enkel moeten worden overgelaten aan de staat (zie ook cliché 27). In Nederland hebben we onze liefdadigheid hebben uitbesteed: we verwachten van de overheid dat ze ruimhartig en goed is, dan hoeven we zelf niets te doen. Amerikanen zien dat anders. Bijna de helft van de Amerikanen doet iets aan vrijwilligerswerk en ook relatief arme mensen staan een stukje af van hun inkomsten.
Zo heeft dit natuurlijke complement van het individualisme en de afkeer van de overheid geleid tot een fantastisch systeem van filantropie. Amerikanen mogen moeite hebben met iedere cent die naar de overheid gaat, ze zijn verbazend gul met giften voor gemeenschapsdoelen. Ze richten scholen op, orkesten, universiteiten en wat al niet. Sussen ze hun geweten, nadat ze als ware roofbaronnen hun vermogen hebben opgebouwd? Ook dat misschien, maar John D. Rockefeller, tot aan Bill Gates de meest filantropische Amerikaan, gaf zijn hele leven al geld weg. Als strikte Baptist was Rockefeller ook als arme sappelaar al gewoon om een tiende deel van zijn inkomen aan goede doelen te geven. Rockefeller was ervan overtuigd dat hij zijn vermogen dankte aan God. Hij was enkel een trustee en niets was dus normaler dan het goed te gebruiken.
De link met geloof is duidelijk. Geen wonder dat Amerikanen meer dan de helft van hun giften doneren aan instellingen die te maken hebben met hun kerk. Daarom ook probeert president Bush meer federale hulp te sluizen naar aan de kerken gekoppelde organisaties, zijn faith based initiatives. De vrees dat dit kan leiden tot een door geloof gekleurde hulpverschaffing is terecht, maar evenzogoed heeft Bush gelijk als hij zegt dat deze organisaties vaak veel effectiever zijn dan de overheid. Ik zou de stelling wel aandurven dat de civil society in Amerika sterker is dan die in West-Europa, waar veel te veel organisaties afhankelijk zijn van de overheid. In Amerika moet je het zelf organiseren. Vaak gebeurt het dan beter.

[k2]Verbeter de mensheid[2x]
De traditie van vrijgevigheid van rijke industriëlen begon bij Andrew Carnegie. ‘A man who dies rich, dies disgraced,’ zei de staalmagnaat, en hij voegde de daad bij het woord. Met de 350 miljoen dollar die Carnegie overhield aan de verkoop van zijn bedrijf, zette hij een trustfonds op ‘voor de verbetering van de mensheid’. Met het geld liet hij onder andere drieduizend openbare bibliotheken bouwen en zette instellingen op als het Carnegie Institute in Pittsburgh, het Carnegie Institute of Technology en de Carnegie Institution of Washington for research into the natural and physical sciences. Hij richtte ook de Carnegie Endowment for International Peace op om toekomstige oorlogen te voorkomen – nog steeds een invloedrijke instelling, onder meer als criticus van Bush. Toen Carnegie stierf, in 1919, had hij meer dan 350 miljoen weggegeven. Nog eens 125 miljoen was ondergebracht in de Carnegie Corporation die zijn ‘goede werken’ moest voortzetten.
Carnegie was niet de enige. Volgens zijn biograaf besteedde John D. Rockefeller in zijn latere leven aanzienlijk meer tijd, energie en emotie aan het weggeven van zijn geld dan aan het verdienen ervan. Rockefeller stichtte de Rockefeller Foundation ter bestrijding van armoede en financierde onder meer de University of Chicago. De Rockefellers zijn overal in de Amerikaanse samenleving aanwezig, met ziekenhuizen, scholen en diverse fondsen. De Rockefeller Foundation is de belangrijkste private geldbron voor wetenschappelijk onderzoek in de Verenigde Staten.
Bill Gates, tegenwoordig de rijkste man ter wereld, past naadloos in deze traditie. Het vermogen van de baas van Microsoft ligt waarschijnlijk boven de veertig miljard dollar. In een onbewaakt of misschien juist wel goed doordacht moment kondigde hij aan al zijn geld te zullen weggeven. De Bill and Melinda Gates Foundation kan nu al beschikken over 24 miljard dollar in aandelen Microsoft als financieringsbasis. De stichting is actief bij de bestrijding van ziekten die niet genoeg aandacht krijgen, zoals polio en aids. Ook stuurt Gates geld naar terreinen waar de overheid er een zootje van maakt of niet aan toekomt. Zo besteedt zijn stichting jaarlijks 1,3 miljard dollar aan onderwijs, waaronder 51 miljoen om de belabberde openbare scholen in New York te helpen.
George Soros, die rijk werd van de valutahandel, besteedt zijn geld onder meer aan het ondersteunen van democratie in Oost-Europese landen en het uit het Witte Huis krijgen van George W. Bush. Nobele doelen. Soros’ Open Society Institute heeft de afgelopen jaren tien miljard dollar uitgegeven in Rusland, op het gebied van onderwijs, onderzoek en wetenschap. Ted Turner, de oprichter van CNN, schonk in 1998 één miljard dollar aan de Verenigde Naties. De vrouw van de oprichter van McDonald’s, Joan Kroc, gaf bij haar overlijden een fonds van 200 miljoen dollar aan de Amerikaanse publieke radio. Ruth Lilly, erfgenaam van het gelijknamige farmaceutisch bedrijf, gaf niet alleen honderden miljoenen aan medische instellingen, maar bedacht ook Poetry Magazine met 100 miljoen dollar. David Geffen van Dreamworks stelde een fonds van 200 miljoen dollar beschikbaar voor een medische faculteit aan de University of California in Los Angeles. Thomas Monaghan, de oprichter van Domino’s Pizza, beloofde 200 miljoen voor de Ave Maria University in Florida.
De overheid steunt deze initiatieven door ze fiscaal vriendelijk te behandelen. Een voordeel van de private financiering van veel projecten, musea en onderzoekscentra is dat de schenkers hun doelen gericht kunnen kiezen. Als ze geld weggeeft, moet de Nederlandse overheid dat op zo’n manier doen dat andere instellingen of groepen zich niet benadeeld voelen. Dus geeft een commissie aan iedereen wat en aan niemand iets. In Amerika bepaalt Bill Gates zelf waar zijn geld heen moet en hij kijkt ook nog of het goed besteed wordt. Wat zou efficiënter zijn?
Amerikanen waarderen succes en de verdiensten die dat met zich meebrengt. Maar rijkdom brengt wel verantwoordelijkheid met zich mee. De burger die geen geld heeft, biedt zijn tijd aan. Nergens zijn meer vrijwilligers actief dan in Amerika, veel kleine musea draaien op gepensioneerden. Filantropische bijdragen maken in de Verenigde Staten één procent van het nationale inkomen uit, in Europa ergens tussen de 0,2 en 0,8 procent. Het past in het patroon: Amerikanen willen hun geld liever zelf weggeven dan dat aan de overheid over te laten.
Je kunt nog wel stapje verder gaan en de klacht aan het begin van dit hoofdstuk omdraaien: het is juist deze traditie van filantropie die ervoor heeft gezorgd dat Amerika sociale problemen kan aanpakken zonder een uitgebreide verzorgingsstaat te ontwikkelen. Andere westerse landen zouden jaloers moeten zijn op de Amerikaanse tradities van vrijwilligerswerk, decentralisering en experimenten. Het is een wat ongewone manier om sociale goederen te verschaffen, maar het werkt.
Dit is een terrein waar Amerika voorop loopt en de trend aangeeft. Nederland volgt schoorvoetend maar meestal vanuit een andere mind set. Het Concertgebouw wordt nu al voor twee derde door sponsors betaald. Het verschil is alleen dat de bedrijven er wat voor terug moeten krijgen in de vorm van een paar rijen cultuurbarbaren die na de pauze-met-drankje te laat binnenkomen en op de verkeerde momenten klappen. Dat is geen filantropie, dat is marketing.