Geloof

Ons oordeel: zit wel wat in, maar toch ….

Geloof speelt een grote rol in het Amerikaanse leven, zoveel is zeker. Bijna twee derde van de Amerikanen vindt zijn geloof ‘heel belangrijk'. Meer dan negentig procent van de Amerikanen gelooft in God, een percentage dat in het Westen alleen wordt overtroffen door de Ieren en de Polen. Amerikanen zijn niet bekrompen in hun geloof: behalve in God gelooft de overgrote meerderheid in de hemel, in engelen, de duivel en satan, en zelfs in de mythische Big Foot, de Noord-Amerikaanse variant van de Yeti.

Terwijl de afgelopen decennia in Europa de kerken zijn leeggestroomd en geloof vrijwel helemaal privé beleefd wordt, dragen Amerikanen hun religie op hun voorhoofd. Te pas en te onpas komen ze ermee aanzetten. Een tennisser wint een toernooi en God wordt gedankt. Drieduizend mensen worden vermoord in New York, en een dominee verklaart dat het Gods straf is voor Amerika's zonden. Buitenlands beleid wordt beïnvloed door bizarre verwijzingen naar de Apocalyps, de Second Coming en de noodzaak om joden te bekeren voordat het paradijs bereikt kan worden. President Bush doorspekt zijn toespraken met bijbelse referenties en gebruikt taal die rechtstreeks uit de evangelische kerken komt en wekt de suggestie dat hij meent een goddelijke opdracht te hebben. Rechters moeten beslissen of de toevoeging Under God iets te betekenen heeft.

Europa staat erbij en kijkt ernaar. Als je Europeanen vraagt of ze hun geloof ‘heel belangrijk' vinden, dan antwoordt maar 21 procent bevestigend. Hoewel Tony Blair soms trekjes heeft van een bevlogen predikant, zullen Europese politici niet snel de Heer aanroepen of religie in hun politieke retoriek stoppen. In de Verenigde Staten lijkt het alleen maar sterker te worden. Bewijzen de Amerikanen daarmee de onjuistheid van de stelling dat economische vooruitgang samengaat met een neergang in geloofsbeleving?

Omgekeerde ontwikkeling

We weten allemaal dat de eerste kolonisten in Amerika Puriteinen waren, dissidente gelovigen die in Europa opgejaagd waren. Ze hoopten in Amerika hun geloof in alle vrijheid te kunnen beleven en ook in alle intensheid. Dat wil niet zeggen dat alle Amerikanen altijd zo bezig waren met hun geloof. De Puriteinen werden gevolgd door kolonisten die om andere redenen kwamen en niet-Puriteinen vonden het leefklimaat in New England al snel te rigide.

Aan de vooravond van de Amerikaanse Revolutie, zo rond 1770, was maar 17 procent van de Amerikanen kerkelijk. Tegen het begin van de Burgeroorlog in 1861 was dat 37 procent. Daarna bleef dit percentage stijgen, tot in 1906 meer dan de helft van de Amerikaanse bevolking kerkelijk was, en 62 procent in 1980. Amerika heeft de omgekeerde ontwikkeling doorgemaakt dan je zou verwachten.

De meest overtuigende verklaring daarvoor vind ik in het werk van twee historici, Roger Finke en Rodney Stark. In The Churching of America stellen zij dat juist de vrije markt van geloof en kerk in Amerika heeft geleid tot een gevarieerd aanbod en een enorme vraag. Een monopoliserende staatskerk ontbrak. Kerkgenootschappen moesten concurreren om de gunst van de gelovigen en dus sneden ze hun product toe op de niche die ze willen bereiken. De markt was open, de entreedrempels waren laag. Een nieuwe kerk was zo gesticht, een predikant had geen opleiding nodig, geen middenstandsdiploma, enkel energie en enthousiasme.

Daardoor konden honderd bloemen bloeien. Als een kerkorganisatie te groot werd, te star, te complex en te intolerant, ontstonden er vanzelf nieuwe kerken. Ontevreden ‘klanten' stapten over naar de concurrentie. Het is even wennen. Termen uit de markt worden niet vaak gebruikt in de context van religie, maar als je televisiepredikanten bezig ziet, of leest over de camp meetings in de negentiende eeuw of de Great Awakenings, de periodieke golven van grote religieuze opwinding in de Amerikaanse samenleving, dan realiseer je je dat predikanten zelf dat altijd al deden. Zoals bij elk product hang het succes van een kerkgenootschap af van organisatiestructuur, verkopers, product en marketing.

Sommige predikanten zijn daar er goed in. Ga de volgende keer dat u in Annaheim bent voor Disneyland maar eens langs bij de Chrystal Cathedral van dominee Dr. Schuller (Schullers Hour of Power wordt 's zondags door SBS6 uitgezonden). U kijkt uw ogen uit. Hier is sprake van een upbeat, patriottisch soort van geloofsbeleving vol blijheid en uitroeptekens, in een glazen kerkgebouw dat zelf een uitroepteken is en groot genoeg om een enorme Amerikaanse vlag op te hangen. De diensten zitten altijd bomvol.

Het is gemakkelijk in die geloofsbeleving simplisme, narcisme en schrijnend gebrek aan diepgang te vinden en ik zal u er niet van weerhouden. Maar deze diensten met hun pop-theologie en middle of the road-muziek horen bij de megakerken en de feel good-groepen. Ze flirten met de ergste aspecten van de Amerikaanse popcultuur. Ze waarderen spiritualiteit hoger dan geloof, en dat is slaat aan.

Je haalt eruit wat je wilt. Evangelische kerken, zoals die waar George W. Bush toe behoort, benadrukken het persoonlijke, de zelf in te vullen band met God. Er zijn geen moederkerken die wat voorschrijven, die interpretaties opleggen. Dat is precies wat de mensen willen. Zoals de socioloog Alan Wolfe stelt voor alle Amerikanen: ‘We are all evangelicals now.' Wolfe stelt dat in de confrontatie tussen Amerikaanse cultuur en geloof, de Amerikaanse cultuur heeft gewonnen. Het geloofsleven is er onderdeel van geworden, maar dan wel op Amerikaanse voorwaarden. Ik denk dat hij gelijk heeft, en zoals alle Amerikaanse consumentenproducten, laat het zich goed exporteren.

Een vaststelling van Finke en Stark die me in eerste instantie verraste, is dat de kerken die hoge eisen stellen aan hun gelovigen, de meeste aantrekkingskracht hebben. Met andere woorden, een Amerikaan wil actief zijn in zijn kerk, dan het moet wel serieus zijn, geen half werk. De snelst groeiende kerk van Amerika, die van de Mormonen, eist niet alleen dat je tien procent van het inkomen aan de kerk geeft, maar ook tien procent van je tijd.

Rondreizende predikanten

De Amerikaanse drang naar het westen zorgde voor veel beweging in de samenleving. Het noordelijk deel van de staat New York had begin negentiende eeuw de bijnaam burned over district omdat er zo veel golven vurig beleefde geloofsrevivals overheen rolden. Slimme rondreizende predikanten speelden daarop in. Zij waren voor hun inkomsten afhankelijk van de interesse van de gelovigen en zorgden er dus wel voor dat de zaak levendig bleef.

In de loop van de negentiende eeuw groeiden de gemeenschappen van gelovigen die de nadruk legden op persoonlijke beleving, zoals de Baptisten en de Methodisten, ten koste van gevestigde kerken die als inflexibel werden ervaren. Deze nieuwe kerken werkten in eerste instantie met onbetaalde predikanten, waardoor congregaties ook konden overleven als er maar een paar gelovigen waren. Niet geld maar bekeringslust dreef de predikanten. De gelovigen hielden hen scherp. Het was uiteindelijk hún kerk.

Door de hele Amerikaanse geschiedenis heen zien we regelmatige perioden van grote religieuze opwinding. Volgens historici zitten we nu in de Vierde Great Awakening, die na de jaren zestig is begonnen. De eerste vond plaats in de achttiende eeuw, de tweede in de eerste helft van de negentiende eeuw, de derde vanaf 1900. Verscheidene wetenschappers, onder wie de econoom Robert Fogel, hebben vastgesteld dat deze opwinding zich na verloop van tijd altijd vertaalde in grote politieke en sociale veranderingen. Zo legde de tweede grote revival, die begon rond 1800, de grondslag voor het abolitionisme, de roep om slavernij af te schaffen. Volgens Fogel zitten we nu in de politieke fase van de vierde Great Awakening, de fase waarin gelovigen proberen hun idealen in wetgeving om te zetten.

Misschien verklaart de morele en religieuze inspiratie de koortsachtige gedrevenheid die Amerikanen vaak stoppen in hun politieke-actiebereidheid. De samenleving draagt er het stempel van. ‘For better or for worse, moral conflicts made America,' schrijft James Morone in Hell Fire Nation. Zo werden de Amerikaanse Revolutie en de Burgeroorlog gemaakt tot kruistochten voor hoge idealen, en kregen zo brede steun. Historici wijzen graag op missionaire impulsen van de Amerikaanse diplomatie en de bijbelse ondertonen van de burgerrechtenbeweging. Een actueel voorbeeld is de energie en de agressieve gedrevenheid die zo veel mensen steken in de strijd tegen abortus.

Je zou verwachten dat de katholieke kerk, de kolos bij uitstek, moeite zou hebben zich te handhaven. Het tegendeel bleek het geval. Doordat de katholieke kerk sterk was in hechte etnische gemeenschappen, segmenteerde ze in feite al naar niche-groepen. Etnische groepen kregen lokale autonomie zonder dat de eenheid van het landelijk geheel werd opgeofferd. De nonnen en de katholieke scholen speelden daarbij een doorslaggevende rol.

De kerk offerde een intens geloof met een levendig gevoel van mystiek. Katholieke predikanten waren net zo goed, zo niet beter dan hun protestantse tegenhangers in het schetsen van de hel (father Couglin was in de jaren dertig een populistische opruier). Bovendien deed de katholieke kerk een sterk beroep op haar leden. Het was geen sinecure om katholiek te zijn. De kerkprofessionals, in dit geval de nonnen en de priesters, stelden niet veel eisen en waren bereid veel te verdragen.

Bijbels perspectief

Het belangrijkste onderscheidende element van de Amerikaanse manier van geloven is dat Amerikanen zelf voor hun geloof kiezen, en voor de context waarin ze dat willen uitdragen. Wie verhuist, zoekt in zijn nieuwe woonplaats naar een kerk waar de predikant bevalt en de gelovigen aanspreken. Die kerk hoeft niet van dezelfde club te zijn als de kerk die ze in hun vorige woonplaats bezochten. Amerika is een land van switchers. Letterlijk. Zo'n zestien procent van de bevolking is al eens van kerkgenootschap gewisseld en dat percentage gaat omhoog bij fundamentalisten. Die zoeken blijken steeds verdere verdieping. Volgens een ander onderzoek bleek de helft van de predikanten in de megakerken van kerkgenootschap te zijn gewisseld.

Evangelische christelijke Amerikanen nemen hun bijbel heel serieus. Méér dan serieus: ze nemen hem letterlijk. In 1990 was twee derde van de geïnterviewde Baptisten het eens met de stelling: ‘The Bible is the actual word of God and is to be taken literally, word for word.' Ze verwierpen het alternatief: ‘The Bible is the inspired word of God but not everything should be taken literally, word for word.' Hoog opgeleide mensen slagen erin deze interpretatie met hun wetenschappelijke kennis te combineren. Vandaar de pogingen om Darwins evolutietheorie uit de scholen te weren of in elk geval ter discussie te stellen als slechts een van de theorieën – de bijbel biedt een andere theorie.

Uit deze letterlijke interpretaties vloeit ook de steun voort aan Israël van christelijke recht, met een logica die soms onnavolgbaar is. Verwijzingen naar de Apocalyps, de Second Coming en andere bijbelse terminologie vallen in Amerika in verrassend vruchtbare aarde. Hetzelfde geldt voor frequent gebruik van termen als good en evil, right en wrong, vice en virtue die president George W. Bush graag gebruikt. Dat is niet het gebruikelijke kader waarin over buitenlandse politiek wordt gepraat en veroorzaakt ongemak en onbegrip in de rest van de wereld.

Toch gaat het daarbij slechts om een gezamenlijke taal, een referentiekader dat iedere Amerikaan kent. Voor Bush heeft het betekenis, net als voor de mensen die ernaar luisteren, maar in de praktijk is het vooral een manier van spreken. ‘God bless you,' sluit zowat elke president zijn toespraken af. Als Bush zegt dat Jezus zijn favoriete filosoof is, dan past dat simpelweg in de manier waarop Amerikanen van Jezus hun persoonlijk bezit gemaakt hebben. Van hippie Jezus-freaks tot Born Again Christians claimt iedereen zijn eigen Jezus als zijn persoonlijke trainer. Je went eraan.

Het leidt soms tot bizarre incidenten. Zo kondigde Bush als gouverneur van Texas af dat 10 juni 2000 Jesus Day zou zijn. Dat kwam hem te staan op klachten van twee zijden. Het wekte de woede op van iedereen die dit gerommel met overheidsdagen in dienst van het geloof in strijd achtte met de scheiding van kerk en staat – en bovendien onzinnig. Bush reageerde dat iedereen toch Jezus Christus herkent als ‘een voorbeeld van liefde, opoffering en zorg'. Hij meende het. Van de andere zijde kwam de klacht dat Bush Jezus niet genoeg eer bewees, immers, ‘voor een echte gelovige [is] iedere dag Jezus Dag'.

Zuidelijke evangelicals geloven sterk in het publieke gebaar en de heilzame werking daarvan op individuele zielen. Vandaar de wens om overal de Tien Geboden op te hangen [hk] of zoals de opperrechter van het Supreme Court in Alabama wilde, ze uitgehakt in steen in het gerechtsgebouw te zetten. Het is vooral een geloof in het gebaar, want je gedragen naar de Tien Geboden, dat is een heel ander verhaal.

Centrale punt van sociale leven

Je kunt dus vaststellen dat geloof een uitzonderlijk belangrijk deel is van het Amerikaanse leven, maar mijn ervaring is dat je het niet moet overdrijven. De meeste Amerikanen vinden hun geloof wel degelijk een privé-zaak. Ze mogen moralistisch zijn, geloof mag belangrijk zijn en richting én betekenis geeft aan hun leven, maar ze zijn ook tolerant en ruimdenkend. En ze zijn echt niet steeds alleen met geloof bezig.

Neem mijn zwager Michael, die ook in de Here is. Hij is katholiek opgevoed maar toen hij van de west- naar de oostkust verhuisde en zijn toekomstige vrouw Sue ontmoette, werd hij lid van de kerk die belangrijk was in haar leven, de Churches of God als ik het goed heb. We ontmoetten elkaar voor het eerst op Michaels bruiloft, een alcoholloos feest met een rockgroep die Jezus-songs speelde in up-tempo. Dat ik af en toe met zijn vader naar buiten sloop voor een pilsje, werd met superieure tolerantie gadegeslagen. Niemand probeerde me te bekeren. Integendeel, zij ervoeren mijn interesse in hun denkwereld als opdringerig.

Mensen zoals Michael en Sue en hun kerk zijn veel meer de norm dan de vuurspuwende dominees of de opportunistische politici die we krijgen voorgeschoteld. Dat is nou eenmaal mooiere televisie dan Michaels dagelijks bestaan. Voor Michael en zijn vrouw is hun geloof belangrijk. Hun kerk is het centrale punt van hun sociale leven, maar als je zelf wat anders wilt, dan zitten zij daar niet mee. Helemaal niets geloven, vinden ze vreemd, maar ze vallen me er niet lastig mee. Ze zijn ook niet voorspelbaar. Sue is onderwijzeres en heeft bij het stemmen andere prioriteiten dan de onderwerpen waarvan de Republikeinen hopen dat ze christelijken overhalen op hen te stemmen. Sue heeft wel meningen over abortus (tegen) en gay marriage (onverschillig), maar ze maakt zich drukker over de verloedering van het onderwijs.

Verhalen over gewone Amerikanen en hun geloof kom je in de media niet vaak tegen. Het is natuurlijk ook veel aardiger en spectaculairder om reportages te maken over meer bizarre vormen van geloofsbeleving en dan net te doen of alle Amerikanen zo bezig zijn. Jammer dat ze er niet bij vertellen dat maar een minderheid zo extreem is, ook al lijkt het met de huidige president alsof ze de macht hebben veroverd (en zelfs Bush is niet zo extreem als vaak voorgesteld). De meest radicale fundamentalistische groepen vormen een kleine minderheid. Die roepen hard en maken het de gematigde krachten in de Republikeinse Partij knap lastig, maar op landelijk niveau is er geen steun voor hun beleidsvoorstellen. Minister van Justitie John Ashcroft is hun meest vooruitgeschoven post in de regering-Bush, maar hij neemt een tamelijk geïsoleerde positie in.

De burgers zijn niet gek. Toen Pat Robertson, de rijke televisiedominee die zegt al biddend orkanen van richting te kunnen veranderen, president wilde worden, keerden de kiezers zich massaal af. Een andere scherpslijper, Gary Bauer van de gezinslobby, haalde in 2000 nauwelijks stemmen. Toen de Republikeinse Conventie in 1992 werd gekaapt door onverdraagzame schreeuwlelijken, zag dat er zo lelijk uit dat toenmalig president Bush de verkiezingen verloor. Amerikanen houden niet van intolerantie. Randall Terry, de stichter van Operation Rescue, een militante anti-abortusorganisatie, schreef in 1992 dat ‘stemmen voor Bill Clinton een zonde [is] tegen God'. Hij joeg meer kiezers weg dan hij ermee won. Toen dominee Jerry Fallwell na 9/11 riep dat dit Gods straf was voor een zondig land, wendden de meeste Amerikanen beschaamd het hoofd af.

Abortus, gezin, homohuwelijk, gebed op school: het zijn allemaal onderwerpen waarover Amerikanen zich druk maken. En terecht, het zijn niet de minste issues. Maar ze duiden niet zo'n gigantische culturele kloof als vaak wordt verkondigd. De zogenoemde culture wars zijn een speeltje van de intellectuelen en politici. Mike en Sue laten zich daardoor niet van de wijs brengen.

Door al die aandacht voor de meest mediagevoelige excessen, zien we niet waar christelijk rechts wél degelijk invloed uitoefent, en dat is op het niveau van de lokale scholen. Omdat ze gedreven en actief zijn, kunnen deze gelovigen gemakkelijk schoolbesturen overnemen. Vervolgens verbieden ze onderwijs in de evolutieleer en laten ze Harry Potter boeken als ‘zwarte magie' uit de bibliotheek laten verwijderen [hk] de grootste angst van deze fanatici is dat kinderen wel eens op verkeerde gedachten zouden kunnen komen. Vaak worden deze activisten na één termijn weer weggejaagd door de inmiddels wakker geschrokken ouders die dit te ver vinden gaan maar nooit actief waren.

Ik onderschat hun invloed niet. Schoolboeken worden vaak preventief geschoond van alles wat christelijk rechts voor het hoofd kan stoten. Het gaat om veel geld en de uitgevers willen geen problemen. Ook bibliotheken proberen controverse te voorkomen door al bij voorbaat sommige boeken niet op te nemen. Docenten kunnen niet vrijuit lesgeven. Allemaal ernstig maar niet het grootste probleem waar Amerikaanse scholen mee te maken hebben.

Een andere relativering: er wordt heel wat met de bijbel gegooid in Amerika. Geen boek wordt beter verkocht. Bijbelstudies schijnen populair te zijn in het Witte Huis. Toch blijkt minder dan de helft van de Amerikanen te weten hoe het eerste boek van de bijbel heet, tweederde deel heeft geen idee wie de Bergrede heeft uitgesproken: dominee Billy Graham werd vaak genoemd. Nauwelijks de helft kon de vier evangelisten noemen en tien procent meende dat Jeanne d'Arc de echtgenote was van Noah.

‘De typische Amerikaan,' zegt socioloog Will Herberg, ‘heeft een opmerkelijke capaciteit ontwikkeld om serieus te zijn over geloof zonder het geloof serieus te nemen.' Kortom, je moet er niet té zwaar aan tillen. Er zijn veel mensen die hun geloof diep beleven, maar er zijn er veel meer die het gewoon als een extra element beschouwen, dat diepgang en betekenis aan hun leven geeft. Het is vaak een heel oppervlakkig geloof, een feel good-geloof dat geen of weinig eisen stelt. Bijbelreferenties werken minder goed dan de vraag ‘Wat zou Jezus doen?' Zie het maar als een morele leidraad in een land waar mensen soms hebben zelfstandig hun moraliteit te bepalen. Ik zou het niet willen afnemen.

Een moralistisch land

Dat na de jaren vijftig en zestig een geloofsopleving begon die haar hoogtepunt inmiddels heeft bereikt en is overgegaan in de politieke fase, had te maken met de onzekerheden van de moderne samenleving. In alle opwinding en onduidelijkheid van de jaren zestig vonden mensen in hun geloof een anker. Dat de vierde grote revival profiteerde van de televisie als nieuw medium, onderstreept de stelling dat in de markt van geloof alle marketingmiddelen worden ingezet. De televisie maakte de moderne predikanten kind aan huis. Dat heeft zijn goede kanten: het bevrijdde de bekrompen gemeenschap van christelijke gelovers uit haar isolement. Maar niemand heeft de overstap kunnen maken van de buis naar de politiek. Het zal ook niet gebeuren.

Dit sterk beleefde geloof maakt van Amerika een moralistisch land. Als alle grote politieke vraagsteken in morele termen worden uitgedrukt, dan is het haast onvermijdelijk dat ook het politieke leven een morele lading krijgt. Ieder politiek gevecht wordt getransformeerd tot een veldslag tussen de waardige en de onwaardige mensen. Vooral in het Zuiden waar de intense geloofsbeleving altijd nauw verbonden met hun geschiedenis en waar geloof altijd meer deel was van het publieke leven.

Geloofsgek zijn Amerikanen niet. In elk geval niet de meeste Amerikanen. Een aantal mensen mag je zo kwalificeren, maar de meeste Amerikanen ervaren hun geloof gewoon als een belangrijk deel van hun leven. En waarom ook niet? Voor Europeanen die zich net hebben losgemaakt van een opgelegd geloof dat de politiek doordrenkte en geleid heeft tot een geschiedenis van godsdienstoorlogen en inquisitie, is dat misschien moeilijk te begrijpen. Maar we zouden er meer moeite voor moeten doen.