De roep van de wildernis

Amerikanen hebben het begrip vrijheid hoog in hun vaandel staan. Het verlaten van de beschaving en ergens, in the middle of nowhere, voor jezelf opnieuw beginnen is een oude Amerikaanse gewoonte. In dat opzicht passen de rechtse militia’s en anderen die de invloed van de overheid proberen te ontlopen in een patroon. Alleen zijn ze tegenwoordig een stuk gewelddadiger en een stuk hypocrieter dan in het verleden.

Gepubliceer in Amerika Magazine, 2001

Van Seattle naar Bozeman, Montana, is zo’n anderhalf uur vliegen. Het landschap is ruw en leeg als het oppervlak van de maan. Je vliegt over de het Cascade-gedeelte van de Rocky Mountains waar het een en al woud, rots en snelstromende rivieren is wat de klok slaat. Geen teken van dorpen, gehuchten of zelfs maar eenzame huizen. Het is een van die stukken Amerika waar de mens, de overheid, geen zaken heeft. Er zijn er meer: de wouden van Maine, de prairie van South Dakota, de moerassige landtongen die uitsteken in de Golf van Mexico. Zelfs waar meer mensen wonen, lijkt de Amerikaanse beschaving – goud-gekoepelde parlementen en Grieks-Romeins ogende gerechtsgebouwen – zich enkel vol hoop vast te klampen aan de huid van een immens beest dat hem op elk moment er weer af kan gooien.

Rusteloosheid

Amerikaanse vrijheid begint bij de enorme omvang van het land. Hier kan de overheid maar met moeite wortel schieten en mensen denken dat ze kunnen leven zonder haar tegen te komen. Het is een gerespecteerde en nog steeds bestaande Amerikaanse traditie om die overheid te ontlopen, en van de beschaving de wildernis in te trekken. Hoewel de rusteloosheid van de Amerikanen de laatste jaren iets is afgenomen, is er sprake van een duidelijk waarneembare migratie van de steden terug naar het platteland, dat niet lang geleden ten dode leek opgeschreven. Steden zijn vol stress en misdaad. Maar het zijn ook plaatsen met veel regels en veel belastingen, waar burgers de lasten meedragen van hun minder succesvolle buren. Vertrekken staat mensen toe om op zichzelf en voor zichzelf te leven.
Het tijdperk van squatters is afgelopen. In de negentiende eeuw kon iedere burger zich vestigen op een quarter-section (160 acres, 64 hectare) land, het ontginnen, cultiveren en na vijf jaar de eigendom claimen.

Wie land bezat, zo geloofden homesteaders, was soeverein. Stukjes van de Homestead Law van 1862 gelden nog steeds, maar zoals een ambtenaar van het Bureau of Land Management nostalgisch verzucht: ‘Er is geen land meer dat aan niemand toebehoort’. En de wildste stukken, de meest uitnodigende plekken voor hen die niets met overheden te maken willen hebben, die meestal eigendom van die overheid.
Beroemd patroon
Naarmate het Amerikaanse continent werd gekoloniseerd, reisden de landmeters gelijk op met de pioniers naar het westen, het land in kaart brengend volgens het beroemde patroon dat Thomas Jefferson in zijn studeerkamer had ontworpen. Dat patroon was een serie van rechthoeken die parallel liepen aan de hoogte en breedtelijnen van de aarde, verdeeld in uniforme ‘townships’ van zes mijl in het vierkant en later met wegen erlangs. De strakke vormen van de counties ten westen van de Mississippi zijn aan dit systeem te danken, maar ook de indeling van kleine steden.

Land dat de overheid in kaart bracht, werd geacht aan die overheid te behoren tot iemand er een claim op legde. Pas veel later, aan het eind van de negentiende eeuw, kwam men op het idee om land te beheren voor de gemeenschap, en het gebruik ervan te beperken. Sinds die tijd is de federale overheid de trotse, frustrerende en soms verwaarlozende eigenaar van een derde van al het land in het Amerikaanse westen.
Tot die tijd bewoog de overheid zich voornamelijk langs de wegen die de rand van het grid aangaven. Wegen betekenden postdiensten, officiële transporten en troepenbewegingen. Wie dan ook ‘off the grid’ was, was buiten bereik van de federale landmeter, de recruterende militair en de belastingcommies. In het taalgebruik van de twintigste eeuw betekent ‘off the grid’ dat iemand geen gebruik maakt van de diensten die de wegen volgen: geen elektriciteit, telefoon, riolering, water en vaak ook ver van de samenleving in het algemeen.
Wat alle Amerikaanse rebellen bindt, is de roep van de wildernis.

De schrijver Henri Thoreau zocht in 1843 de bossen op nabij Walden Pond om te filosoferen over de relatie tussen natuur, mens en overheid. Bloemenkinderen en Vietnam-opposanten zetten in de jaren zestig (overigens het decennium waarin de overheid zijn glans als welwillend orgaan verloor en de vijand werd) hun communes op in de bossen van Noordcalifornië, waar ze illegaal marihuana begonnen te kweken.
Randy Weaver, wiens vrouw en zoon gedood werden bij de belegering door de FBI van zijn hut in Idaho, in 1992, ging naar de bossen om zich voor te bereiden op de ‘Joodse Bezettings Regering’ en de komst van Jehova. Theodore Kazynski – de mysterieuze Unabomber die in zeventien jaar drie mensen doodde in een poging de golf van technologische vooruitgang te stoppen – verborg zich in de wildernis van Montana, om beter te kunnen denken over ‘het systeem’. In Europa zouden dit soort mensen cahiers volschrijven in cafés, maar in Amerika trekken ze de natuur in. Als er geen bossen zijn, dan is de woestijn ook goed genoeg. De Branch Davidians bouwden hun religieuze vesting in het struikgewas nabij Waco, Texas, de Montana Freedman zetten hun ‘township’ op in de open, winderige prairie, beide even overtuigd van hun vrijheid in die wildernis als de woestijnkluizenaars in de eerste eeuwen.

Soeverein over je eigen leven

In werkelijkheid was die wildernis niet altijd zo wild. In Walden was Thoreau niet meer dan drie kilometer verwijderd van Concord, Massachusetts, en hij kon de treinen horen op de route naar Fitchburg. Kaczynski’s hut was zeven kilometer van Lincoln, een plaatsje in Montana, waar hij in de Blackfoot Market zijn blikken eten kon inslaan en met de intercity-bussen zijn bommen kon posten. Het onwaarschijnlijke adres van de Davidians was Old Mexia Road; de laatste oproep van de Davidians, geschreven op een laken dat uit het raam was gehangen, was een verzoek om de telefoons te repareren.
Eenmaal in de ‘wildernis’ probeerden al deze mensen helemaal op zichzelf te vertrouwen. Rebellie tegen de overheid of de samenleving vereist ook rebellie tegen onbewuste afhankelijkheid. In de Amerikaanse traditie staat dat het land werd geschapen door eenzame pioniers die het land ontginden, maïs plantten en leefden van uitwisseling van goederen.

De Tocqueville schreef: ‘De burger van de Verenigde Staten krijgt van jongs af aan bijgebracht dat hij op zichzelf moet vertrouwen. Hij kijkt naar de sociale autoriteit altijd met een zeker wantrouwen en ongenoegen, en hij vraagt haar hulp alleen als hij niet zonder kan.’ Dit is wat de Libertarian Party nog steeds bedoelt met ‘soeverein zijn over je eigen leven’.
Het beeld van de solitaire pionier is een krachtig symbool van vrijheid, maar, net als de ongebaande wildernis, vooral een gedachtenspinsel. Men schat dat in de jaren dertig van de vorige eeuw van alle mensen die ten westen van de Appalachen woonden, niet meer dan 0,4 % op hun eentje woonden. Ze zouden wel gek zijn: je had gemeenschappen nodig om te kunnen overleven. Niettemin zetten ze een patroon van op jezelf vertrouwen dat de anti-overheidsrebellen van nu keurig volgen.

Thoreau was trots op zijn oogst van erwten en aardappels en het speet hem dat hij geld moest uitgeven in de winkel aan Indiaans meel en molasses. Kaczynski kweekte pastinaken, koolrapen en bonen voor bij zijn blikjes Spam, en groef een kelder onder zijn hut om ze op te slaan. Survivalists in het noordwesten proberen hun voorraden blikken aan te vullen met produkten van de bossen; de Montana Freedman bleken aan het eind van hun 81 dagen durende belegering in de lente van 1996 te overleven op maïspap, sigaretten en water.
Vrije mensen gebruikten voor hun voedselvoorziening ook de jacht. Ook dit was een noodzaak voor de pionier die later, toen het niet meer nodig was, een voorbeeld werd van de vrijheid in die vroege dagen van de republiek. Kaczynski juichte over hazen: ‘Ik kan er vrij jacht op maken, zonder een vergunning en dat doe ik met een .22 geweer.’

Onder Amerikanen in het algemeen (waarvan zeventig procent de jacht prima vindt ‘om vlees op tafel te krijgen’) komen enthousiasme voor de jacht en afkeer voor de overheid vaak samen voor, niet alleen omdat beide appelleren aan dezelfde groep van laag opgeleide, pick-up-trucks rijdende blanke mannen, maar ook vanwege de noodzaak voor de jager om zich vrij te bewegen bij het achtervolgen van zijn prooi. Zoals Natty de jager zegt in Fenimore Cooper’s The Pioneers, een boek dat een enorme invloed had op het zelfbeeld van de Amerikanen: ‘Wie heeft er ooit gehoord van een wet die verbiedt dat een man een hert doodt als hij dat wil?’
Verzet tegen belastingen
Als hij voor zichzelf kan zorgen, heeft een mens geen overheid nodig. Waar is die goed voor?

Thoreau had daar geen illusies over. ‘Deze overheid’, schreef hij, ‘heeft uit eigen kracht nog nooit iets gedaan. Hij houdt het land niet vrij. Hij pioniert niet in het westen. Hij onderwijst niet. Het karakter van de Amerikaanse burger heeft dat alles verwezenlijkt; en het had nog veel meer gedaan als de overheid niet in de weg had gestaan.’ Luister naar Ross Perot toen hij in de zomer van 1996 de presidentsnominatie van zijn partij accepteerde: ‘De Amerikaanse overheid maakt dat onze andere grote industrieën er minuscuul uitzien. Maar als praktische zakenlui vraagt u me, wat voor produkt maken ze, Ross? Ze maken niets.’
En dus moet die overheid ook geen geld krijgen.

Alexander Hamilton, de eerste minister van Financiën, realiseerde zich dat het normaal was dat Amerikanen zich tegen belastingen verzetten. ‘Dat wat de mensen zo ondernemend maakt’, schreef hij, ‘gaat slecht samen met de snuffelde en bevelende aard van wetten. De boer zal alleen met tegenzin voorraden afstaan in de onwelkome vorm van aanslagen op zijn huizen en velden’. Kiesrecht voor de gewone man was enkel een truc om hem te laten betalen, maar Thoreau zag niet in waarom de verleiding van ‘vertegenwoordiging’ zou werken: ‘Wat een monster van een overheid, waarin de nobelste kwaliteiten van de geest en het hart in zijn geheel niet zijn vertegenwoordigd. Een half-menselijke tijger of os die over de aarde banjert, met zijn hart verwijderd en een gedeelte van zijn hersens weggeschoten.’

In zijn beroemdste geval van verzet tegen de overheid bracht Thoreau in 1846 een nacht door in de gevangenis van Concord, ‘zo kwaad als de duivel’, omdat hij drie jaar lang zijn poll tax niet had betaald. Hij redeneerde dat hij, als niet stemmende kluizenaar, dat niet hoefde; bovendien ging het geld naar zaken die hij verafschuwde, zoals de handhaving van de Fugitive Slave Law en de oorlog tegen Mexico.
Niet veel van Amerika’s tegenwoordige verzet tegen belasting ziet er zo uit. Van de veertig miljoen Amerikanen die ieder jaar een akkefietje hebben met de belastingdienst, zijn de meesten volgens het libertijnse Cato Institute eenvoudigweg verward geslagen door de complexiteit van de belastingformulieren. Sommigen verzetten zich uit principe, omdat ze de overheid willen laten wegkwijnen. Om dit te bereiken wil de Libertarian Party alle directe belastingen afschaffen en vooral de inkomstenbelasting, die ze de ‘grootste overheidsinbreuk in de levens van de Amerikaanse burgers’ noemen, en die vervangen door ‘helemaal niets’.

Geheime triljoenen

Als vrijheid wordt begrepen als het recht om met rust gelaten te worden, dat is het vanzelfsprekend om belastinginners te haten. Je kunt ook het geldsysteem haten, als je dat ziet als een instrument om mensen in slavernij te houden. Thoreau en Kaczynski wilden geen van beiden betrokken zijn bij handel; als ze maar even konden vertrouwden ze op ruil en giften. In de geschriften van moderne rebellen wordt de nationale bank, de Federal Reserve, ongeveer even vaak gedemoniseerd als de Belastingdienst.
De Taxpayer’s Party is van plan de ‘geheime triljoenen’ aan de burgers terug te geven die liggen opgeslagen bij de Fed. De Montana Freedman gingen zover om hun eigen geld te drukken, ongeveer twintig miljoen dollar in valse cheques en geldwissels, waarmee ze hun pick-up-trucks betaalden en probeerden de schulden die op hun gebouwen drukten af te kopen. De LeRoy cheques, genoemd naar hun stichter, doken zelfs in Ohio op.

Centrale bankiers mogen gehaat worden, in termen van overheids-onderdrukking spant één bureau de kroon, het Bureau of Alcohol, Tobacco and Firearms (ATF). Hier klinkt een echo van verzet tegen belastingen want, zoals Hamilton had onderkend, niets maakt mensen zo kwaad op de overheid als een accijns, en het waren altijd drank en tabak die zo’n belasting kenden. Toen de moderne militia’s ineens beroemd werden, na de bom in Oklahoma City in april 1995, en analisten zochten naar parallellen, kwamen ze al snel met de Whisky Rebellion van 1794 voor de dag – een gewapende opstand tegen Hamiltons belasting op whisky. Maar de weerstand tegen de ATF heeft meer te maken met het derde element van hun taak: het controleren van vuurwapens.

Voorraden wapens

Voor anti-overheidsgroepen is het vrije bezit van vuurwapens nu een eerste vereiste. Dat was niet altijd zo. Thoreau schijnt geen geweer gehad te hebben; hij ving liever vis, en zijn visie op verzet tegen de overheid stond geweld alleen toe als laatste middel. De anti-overheidsdemonstranten van de jaren zestig, soms met Thoreau in de rugzak, maakten er een punt van om ongewapend te zijn; ze stopten zelfs bloemen in de geweren van de National Guard. En de Unabomber gaf niets om wapens; maar ja, hij maakte pijpbommen die hij per post bezorgde bij mensen die hij als Vijanden van de Natuur beschouwde.
Maar vaker bouwen moderne rebellen voorraden wapens op. Randy Weaver had een hele lading geweren en honderden rondes munitie. De Montana Freedmen hadden negentig geweren, vijf per persoon; en de Branch Davidians hadden een klein arsenaal, inclusief anti-tank wapens en machinegeweren.

Toen deze voorraden werden ontdekt, waren mensen in het oosten van de VS geschokt, maar heel wat westerlingen en zuiderlingen vinden het heel normaal, ja zelfs essentieel, dat een man een geweer heeft en zagen de arsenalen als de normale voorraden daarvan.
Voor Amerikanen is een geweer een symbool van vrijheid dat twee kanten heeft. Een man heeft er een nodig om zichzelf en zijn bezit te verdedigen, omdat de overheid te zwak is om het te doen; maar hij heeft er ook een nodig om zich te verdedigen tegen de overheid, die van nature onderdrukkend en tyraniek is. Voor veel van de anti-overheidsrebellen en hun stiekeme sympathisanten is het geweer, meer dan de stem, de verzekering van de burger tegen verteld krijgen wat je moet denken, hoe je moet handelen en wie je moet gehoorzamen.

Een stem impliceert betrokkenheid, samenwerking met de overheid, regels en een belastingstelsel; het geweer impliceert dat, in de woorden van Madison ‘de mensen, niet de overheid, de absolute soevereiniteit bezit’ en dat de overheid afstand moet houden.
Maar geweren zijn gevaarlijk, in meerdere opzichten. Het zijn overtredingen van de vuurwapenwetten, meer dan wat dan ook, die de overheid naar de individuen en groepen hebben geleid die anders in alle rust hun excentriciteit hadden kunnen botvieren. David Koresh, de leider van de Branch Davidians, werd in eerste instantie aangehouden wegens vuurwapenovertredingen; federale agenten omsingelden het gebouw omdat hij niet de wapens wilde afgeven die hij illegaal had opgeslagen. Randy Weaver trok de aandacht van de FBI omdat hij niet wilde reageren op een gerechtelijk bevel twee geweren met afgezaagde lopen af te geven.

De Freemen werden gezocht voor het ombouwen van halfautomatische tot volledig automatische wapens, en voor fraude met cheques. Een luidruchtige oproep van rechts om ‘vrij te leven of te sterven’ wordt vaak verruineerd en soms spectaculair beëindigd, doordat de overheid voor geweren vergunningen eist.
Burgerlijke ongehoorzaamheid
Het is geweld dat de moderne overheidshaters lijkt te onderscheiden van hun voorgangers. Maar zelfs deze lijn is niet altijd duidelijk. Geweld en vrijheid zijn moeilijk uit elkaar te houden. Vrijheid kan het waard zijn om voor te vechten. Thoreau, een vreedzaam persoon, realiseerde zich toen hij John Brown en de anti-slavernij-beweging leerde kennen, dat geweld, zelfs doodslag, soms de enige weg kan zijn om een groot onrecht te stoppen. En het ondraaglijk onrecht van de een kan totaal onbegrijpelijk zijn voor de ander.
Niettemin moeten gewelddadige handelingen tegen een wettige regering in het algemeen als een perversie van de vrijheid worden gezien – soms, zoals in het geval van Oklahoma City, zelfs als barbaarse perversie.

Idealiter zouden slechte wetten en slechte overheden tegemoet moeten worden getreden met niet-gewelddadig verzet, de ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’ die Thoreau zo noemde. En in de praktijk zijn de meeste rebellen het daarmee eens. Aanvallen op de overheid blijven veel zeldzamer dan wat je bureaucratische obstructie zou mogen noemen.
Tegenwoordig betekent burgerlijke ongehoorzaamheid vooral het overtreden van regels van openbare veiligheid. Vuurwapenregels zijn het beste voorbeeld; maar moderne rebellen weigeren ook snelheidsovertredingen te betalen, vragen geen rijbewijzen aan en doen niet aan bouwvergunningen. Ze zien niet in waarom de overheid zich daarmee zou bemoeien. Het verzet van de rebellen gaat zover dat ze hun eigen rechtssysteem maken. Dit is opnieuw het meest gebruikelijk in het westen, waar federale gerechten lange tijd nutteloos waren, waar de Posse Comitatus zijn eigen informele rechtbanken opzette en waar de wet in Texas nog steeds toestaat dat iemand die zich bedreigd voelt zijn opponent met een pistool mag benaderen.

Vaak is dit vigilantisme, maar westerlingen kunnen het, met enige waardigheid, verdedigen als een natuurlijke component van de vrijheid.
Men schat dat de afgelopen paar jaar parallelle rechtsystemen zijn opgezet in zeker veertig staten. Deze rechtbanken beweren de normale wet te handhaven of, in het jargon, ‘custom and culture’: het recht van mensen om hun eigen zaken te regelen zoals ze altijd hebben gedaan. De klagers benoemen zichzelf meestal tot rechter, stellen de aanklacht op en spreken recht. De meest extreme en gelukkig zeldzame vorm is die van het bieden van beloningen voor het doden van rechters. Maar omdat hun idee van het recht zowel vaag als uiterst selectief is, zijn de karakteristieken van deze rechtbanken nogal afwijkend: een voorliefde voor Latijnse woorden, een grote hoeveelheid citaten uit de bijbel, en een vastbesloten toewijding aan de Grondwet en de Bill of Rights.

Drie amendementen

De rebellen in de VS hebben de grondwet heilig verklaard en zijn ervan overtuigd dat alleen zij die begrijpen en op de juiste manier interpreteren. Drie amendementen in het bijzonder worden in ere gehouden: het eerste, vrijheid van meningsuiting; het tweede, het recht om wapens te bezitten en te dragen; en het tiende, dat alle macht die niet aan de Verenigde Staten is gedelegeerd, toekent aan de staten of aan het volk. Het veertiende amendement, dat geen individu het recht kan worden onthouden op leven, vrijheid of eigendom zonder due process, vinden rebellen met een racistische inslag verdacht omdat het gelijkheid garandeert van etnische groepen. Er zijn Amerikanen die de volle geneugten van vrijheid maar al te graag interpreteren zoals de Founding Fathers dat deden, namelijk als het alleenrecht van blanke mannen.

Eigen zaken

Parallelle gerechtshoven dagen de overheid uit op haar eigen termen. Sommige counties zijn verder gegaan en proberen regels op stellen die hun recht op het regelen van hun eigen zaken vastleggen. De beroemdste hiervan, de Catron County ordinance, die in 1990 in New Mexico werd opgezet, om te garanderen dat de county invloed had op lokale planning en milieubeleid op federaal land. Sindsdien hebben meer dan driehonderd counties dit geïmiteerd.
Voor buitenstaanders zijn deze documenten hoogdravende pogingen om de federale bureaucratie te overtreffen in bureaucratisch gedrag, niet een oproep tot revolutie. Maar waar rebellen sterk zijn, zoals in Nye County, Nevada, gebruiken boeren deze regels als een excuus voor gewelddadig verzet tegen agenten van de Forest Service of het Bureau of Land Management.

Deze strijd in Nye County onderstreept een duidelijke paradox. Hoewel afkeer van de overheid in het huidige Amerika gewelddadiger mag zijn dan tevoren, is hij ook een stuk hypocrieter. Er zijn heel wat rebellen die jaren hebben geleefd op kosten van de federale overheid, die hem gesubsidieerde graasrechten geeft en spotgoedkope mijnrechten. Rebellen zien uit naar hun AOW en ziektekostenverzekering als ze ouder worden. In ruil voor overleven en zelfs welvaart hebben ze een stukje autonomie ingeleverd. Willen ze die liever hebben dan de cheques van de overheid?
Er is ook een tweede paradox die terugvoert naar het landschap waarin deze gevechten worden gevoerd. Vrijheid in Amerika begon met het idee van de autonomie van de mens in de natuur. Jefferson zag de vrijheid gegrond in het natuurrecht.

Patrick Henry verklaarde dat de onrechtvaardige Britse regering was opgeheven en dat ‘we are now in a state of nature, sir!’. Thoreau schreef dat de Natuur zijn hoogste ideaal was; de Unabomber verklaarde dat ‘het positieve ideaal dat we voorstellen is de Natuur’. Tegelijkertijd hebben Amerikanen altijd geprobeerd de natuur te temmen; dat is ook een aspect van die vrijheid. Zoals De Tocqueville noteerde, keek een Amerikaan nooit naar een vergezicht zonder te bedenken hoe hij de rivieren kon bedwingen en de wouden kon omhakken. Hij wilde zijn eigen ideeën en niet die van de natuur op het landschap loslaten.
De grote veeoorlogen van de negentiende eeuw gingen over dit verschil van inzicht. De veeboeren wilden vrij zijn om over grote gebieden te dwalen; de homesteaders ‘met het natuurlijk recht op een stukje grond’ wilden hun klein stukje land afbakenen en zonder last van anderen leven. Beide hingen hun eigen sterk beleden principes aan de wilgen door uiteindelijk overheidsbescherming te zoeken.

In de mooiste ironie van allemaal, begonnen de veeboeren rond 1900 zelfs met het zetten van prikkeldraad op openbare grond; waarna de overheid hen een boete gaf voor hun overdaad aan enthousiasme.
Deze paradox leeft nog steeds. Het is nu de overheid, in zijn rol als beschermer, die de natuur wild houdt en het zijn de anti-overheidsregimenten die haar onder controle willen brengen. Grote-stads-Amerikanen, velen van hen fans van Thoreau en mensen die zijn leven benijden, vragen de overheid voortdurend om wetgeving om de rivieren schoon en de bossen overeind te houden, zodat ze er vrij in en uit kunnen wandelen in respect en bewondering.

Tegelijkertijd groeien in die open ruimtes rebellen op die steeds meer het gevoel hebben dat de aanwezigheid van de overheid in hun leven met verzet tegemoet getreden moet worden.
Beide soorten van vrijheid hebben bijgedragen aan de lange lijst van kwaliteiten die men nog steeds in Amerika bewondert: ondernemingsdrang, geloof in vooruitgang, self-reliance, sterke democratische gevoelens. De geciviliseerde versie van vrijheid is die waar Amerika graag om bekend staat. Maar, als Siamese tweelingen, zijn de geciviliseerde en ongeciviliseerde versies aan elkaar gekoppeld. Haal de ene weg en je verwijdert de andere; doodt het ruwe populistische beest waarop de beschaving zit en vroeger of later zal ook de beschaving verdwijnen.