Henry A. Wallace

Als Franklin Roosevelt een jaar eerder was gestorven dan 12 april 1945, dan had zijn opvolger niet Harry Truman maar Henry Wallace geheten. Wat dat zou hebben betekend, laat zich nauwelijks voorstellen, aangezien Wallace de linkse en internationale vleugel van de Democraten vertegenwoordigde. Maar Wallace werd gedumpt, probeerde het nog een keer zelfstandig in 1948 en verdween in de geschiedenisboeken als een naïeve dupe die teveel vertrouwen had in de Sovjets. De laatste jaren is de belangstelling voor Wallace weer toegenomen.

Door Hans Veldman

Toen president Franklin Roosevelt in 1933 Henry Wallace vroeg om zijn minister van Landbouw te worden, koos hij voor een bijzonder man. Niet alleen was Wallace de zoon van de man die onder Roosevelt’s voorgangers Harding en Hoover als minister van Landbouw had gediend, hij had zelf ook al opvallend werk laten zien. Wallace Jr. was enorm veelzijdig. Als geneticus had hij zich bezig gehouden met bekruisingsexperimenten in graansoorten en dank zij publikaties in verschillende agrarische tijdschriften was Wallace een landbouw-econoom van naam.

Hij was een bêta-man in hart en nieren die de vluchtige politiek verafschuwde, maar door zijn werkzaamheden heel goed op de hoogte was van de problemen waarmee de boeren in het Midden-Westen te kampen hadden. Als redacteur van Wallace’s Farmer had hij reeds verscheidene keren de boeren in zijn staat opgeroepen bewuster te produceren. Dat zijn aansporingen weinig navolging kenden, was niet zo verwonderlijk. De boeren in het Midden-Westen snapten niets van zijn modellenbouw en schema’s over de optimale benutting van produktiecapaciteit, of waren gewoon bang dat minder produktie zou leiden tot minder inkomen.

Niet dat de wetenschappelijkheid van Wallace een garantie was voor een nuchtere persoonlijkheid: in 1930 haalde hij de voorpagina van de St Louis Dispatch omdat hij zich had ingelaten met een aantal lieden die Nostradamus probeerden te begrijpen – de middeleeuwse schrijver die toekomstvoorspellingen maakte. Bij een andere gelegenheid deed Wallace van zich spreken bij een poging om te leven op melk en graankorrels, omdat dat dit het voedsel was dat Caesar zijn troepen in Gallië had toegediend.

Politieke steun

Roosevelt koos in 1933 voor Wallace op grond van een aantal praktische overwegingen. Als minister van Landbouw kon Wallace zorgen voor de nodige politieke steun in het Republikeins georiënteerde Midden-Westen, maar tegelijkertijd symboliseerde hij de keuze van de president voor een nieuw progressief regeringsbeleid. Het was Roosevelt niet ontgaan dat Wallace in zijn tijdschrift regelmatig refereerde aan ideeën van Theodore Roosevelt’s New Nationalism en dat hij opriep tot een regeringsbeleid dat heel mooi aansloot bij de filosofie van de New Deal.

Het zou te ver gaan Wallace te beschouwen als een van de grondleggers van het twintigste eeuwse Amerikaanse liberalisme, maar zijn denkbeelden stonden niet ver af van die van Herbert Croly, de liberale ideoloog en oprichter van het tijdschrift The New Republic. In verscheidene publikaties benadrukte Croly dat het traditionele Amerikaanse individualisme meer gemeenschaps-georiënteerd moest worden, zodat de Amerikaanse samenleving haar inherente belofte kon waarmaken. Met meer gemeenschapszin kon er volgens Croly vooruitgang geboekt worden, maar dat zou niet kunnen door vanaf de basis daarvoor te vechten, maar het vereiste leiderschap van bovenaf, een gedachte die de toenmalige presidentskandidaat Theodore Roosevelt zeer aansprak en op basis waarvan het New Nationalism ontwikkeld zou worden.

Wallace beperkte zich vooralsnog tot de Amerikaanse belofte voor de agrarische gemeenschap. Net als Croly hoopte hij de aard van de Amerikanen te verbeteren. Zo zou altruïsme hoogtij kunnen vieren wanneer de boeren – bij Croly de burgers – verantwoordelijk en loyaal tegenover elkaar zouden zijn en het middel daartoe was de religieuze erfenis, de protestantse ethiek, die nieuw leven ingeblazen moest worden. Het bestaande sociaal darwinisme en de ongekende bewondering voor de ‘laisser-faire’ economie, diende volgens Wallace plaats te maken voor ‘collectieve actie en samenwerking’. Hierdoor zou er wederom een Amerikaans waarden- en normenstelsel kunnen ontstaan dat recht deed aan het produktievermogen van de Amerikaanse landbouw. Prijsstijgingen en nadruk op schaarste, gestimuleerd door een grof individualisme en een ongeremd concurrentiestreven zouden verleden tijd zijn en een rechtvaardiger inkomensverdeling lag in het verschiet. Een democratisch geloof, dat, om het modern te formuleren, rekening hield met de onderkant van de samenleving, kon zo volgens Wallace zijn intrede te doen.

Technocraat

De publikaties van Wallace in de jaren twintig, waarin hij worstelde met individualisme en groepsbelang, illustreren de ontwikkeling die het Amerikaanse liberalisme doormaakte. Pas in de jaren dertig zou de overheid ontdekt worden als hoeder van het goede. Wallace diende zich in die geschriften echter al aan als een technocraat in spe. Door zijn vertrouwen in de techniek was het maar een kleine stap naar ‘planning’ en ruim voordat de New Deal geformuleerd was, hamerde hij al op de noodzaak van produktiebeperking in de landbouw en stelde een ‘ever normal granary’ voor: een plan om overproduktie op te vangen.

Als minister van Landbouw ging Wallace voortvarend te werk. Gedurende de ‘eerste honderd dagen’ slaagde hij erin een aantal wetten in het Congres aangenomen te krijgen die een direct uitvloeisel waren van hetgeen hij in de jaren twintig had verkondigd. Produktiebeheersing en ‘cleaning up the wreckage from the old days of unbalanced production’ was zijn credo. In de eerste jaren van zijn ministerschap steeg het inkomen van de boeren met gemiddeld vijftig procent en men was algemeen de mening toegedaan dat Landbouw in Wallace een technocratische innovatieve minister had gekregen.

Maar de mensen die Wallace meemaakten in die eerste dagen wisten hoe moeilijk hij het persoonlijk vond om het beleid te voeren dat hij op wetenschappelijke gronden had aanbevolen. Eén van zijn eerste taken was namelijk de uitvoering van ‘crop destruction’ in het zuiden en, hier direct op volgend, het slachten van zes miljoen biggen in het westen. Vooral op de massaslachting van de biggen werd met algehele verontwaardiging gereageerd. Toen in Chicago een aantal biggen uit het slachthuis wisten te ontsnappen en zich gillend in de straat aan hun laatste oordeel trachtten te onttrekken, ging er in het land een storm van protest op. Terwijl hij voor de buitenwacht stoïcijns op de kritiek reageerde wisten zijn naaste medewerkers op Landbouw wel beter. Met het doordraaien van de gewassen en de dieren had de minister zo’n moeite dat hij de leiding van keuken van zijn departement verplicht stelde varkensvlees dan wel doorgedraaide groenten op het menu te zetten.

Als minister van Landbouw ontwikkelde Wallace zich geleidelijk aan als een overtuigde liberal. In zijn speeches legde hij steeds meer het accent op de internationale gemeenschap en hoe meer hij over vrijhandel debatteerde, des te sterker raakte hij er van overtuigd dat het particuliere initiatief van de boeren slechts gewaarborgd kon worden indien de Verenigde Staten hun tariefbeleid zouden veranderen. In zijn pamflet America must Choose(1934) merkte hij al op dat zijn ‘bias’ internationaal was: ‘an inborn attitude’. In het pamflet verwoordde hij een opmerkelijke angst voor de gevaren van het tariefbeleid: ‘If we finally go all the way toward nationalism it may be necessary to have compulsery control of marketing, licensing of plowed land, and base and surplus quotas for every farmer for every product for each month in the year.’ America must Choose werd op grote schaal verspreid en bleek achteraf een invloedrijk document te zijn. Het werd niet alleen als basis beschouwd voor de Trade Agreement Act van juni 1934, waarin het Amerikaanse Congres een verlaging van de tariefmuren vastlegde, maar zou later zelfs als een belangrijk handvest voor de oprichting van de GATT gaan gelden.

Economisch liberalisme

Met zijn internationale oriëntatie leverde Wallace een belangrijke bijdrage aan Roosevelt’s tweede New Deal. Want daarin stonden niet alleen ‘anti-trust action and government spending’ meer centraal, het buitenlandse beleid was ook meer gebaseerd op een streven naar handel met andere landen. Meer en meer benadrukte Wallace na 1936 dat alleen een terugkeer naar de wortels van het economisch liberalisme de wereld van een debâcle kon redden en dat de Verenigde Staten hierin voorop moesten gaan. Tot vervelens toe wees de minister op het tweeslachtige karakter van het Amerikaanse isolationisme: ‘niet bereid tot deelname aan Wilsons Volkenbond, maar in het verleden ook geen schroom om internationale leningen te verstrekken…’.

Dat Wallace’s politieke en economische visie zich tot over de Amerikaanse grenzen uitstrekte omdat zijn agrarische achterban daar baat bij zou hebben, is maar het halve verhaal. Zijn koerswijziging vloeide ook direct voort uit de economische opvattingen zoals hij die eerder in Wallace’s Farmer en in verscheidene speeches opgetekend had. In dit opzicht symboliseerde zijn opvattingen de overgang van het negentiende naar het twintigste eeuwse liberalisme. Wallace benadrukte dat vrijhandel iedereens welvaart zou vergroten, en hij realiseerde zich ook al dat een toename van de internationale bestedingen welvaarstsverhogend werkte. Daarmee liep Wallace voor op de meeste economen, die pas in de loop van de jaren dertig de theorieën van Keynes ontdekten, en zeker op president Roosevelt die het vreemd bleef vinden dat een begrotingstekort de economie kon stimuleren.

Onberekenbaar

In 1940 zag Roosevelt al aankomen dat hij voorstanders van internationalisme nodig had en hij meende in Wallace de juiste persoon te hebben om de isolationistische Republikeinen te beïnvloeden. Vandaar dat hij Wallace koos als ‘running-mate’. Maar dat gebeurde niet zonder verzet door de leiding van de Democratische Partij die Wallace toch een vreemde, onberekenbare man vonden met wat al te veel socialistische ideeën. Roosevelt moest dreigen van een derde termijn af te zien om Wallace op zijn ticket te krijgen. Het is ook significant dat hij de toespraak om dit duidelijk te maken, liet houden door Eleanor, die zelf qua denkbeelden dicht bij Wallace stond.

Nadat de Amerikanen waren gaan deelnemen aan de Tweede Wereldoorlog, gebruikte Roosevelt zijn vice president als uitdrager van zijn eigen internationale visie. Voor de liberals in Amerika ontpopte hij zich helemaal als een politiek leider toen Wallace in 1942 zijn befaamde speech The Century of the Common Man afstak. In Madison Square Garden te New York bracht hij de aanwezigen in vervoering door op te merken dat Amerika’s deelname aan de oorlog tot doel had de gewone man te bevrijden. In opzwepende, welhaast religieuze taal verzekerde hij hen: ‘The people’s revolution is on the march, and the devil and all his angels can not prevail against it. They can not prevail, for on the side of the people is the Lord.’ Progressief Amerika was diep onder de indruk, vooral nu Roosevelt alleen maar in de oorlog en niet meer of nauwelijks in binnenlandse hervormingen geïnteresseerd was.

Wallace sloot naadloos aan bij degenen die de tweede New Deal hadden begroet als een middel van sociale verandering. Zijn nadruk op de bestrijding van de kartels, zijn angst voor het fascisme en de veronderstelde dreiging daarvan voor de Amerikaanse democratie, werden algemeen onderschreven New Deal liberals zoals Arthur Schlesinger, John Kenneth Galbraith en Hubert Humphrey.

Hoewel deze liberals gelijksoortige opvatting hadden over de rol van de Amerikaanse overheid en over de regulering van het sociaal-economische en politieke leven, ontstond in de loop van oorlog steeds meer twijfel over Wallace. De vice president trok zich steeds minder aan van politieke overwegingen die voor zijn baas van belang waren; in plaats daarvan wees hij, vaak in bijbelse termen, de Amerikanen erop dat de oorlogsinspanning een noodzakelijk offer waren voor de Heer en de ‘gewone man’. Wallace sprak de verwachting uit dat Roosevelt’s New Deal tot een wereldomvattende New Deal zou kunnen uitgroeien, zonder zich bewust te zijn van de problemen die de Russen in Oost Europa zouden kunnen creëren. ‘De Grote Drie dienen het ideaal van universalisme tot werkelijkheid te transformeren’, verkondigde Wallace vurig, en de ‘people’s revolution’ kon alleen maar marcheren indien het buitenlandse beleid van individuele staten ondergeschikt werd aan dat van Verenigde Naties. Dat was wat al te heftig voor de meeste Amerikanen.

Maar het waren vooral zijn sociaal getinte uitspraken, veel minder dan zijn internationalisme, die Wallace onacceptabel maakten voor de leiding van de Democratische Partij. Voor de zuiderlingen sprak die afkeer haast vanzelf, maar gezien Roosevelts verslechterende gezondheid was het niet moeilijk een meerderheid te vinden om Wallace te dumpen. Roosevelt wilde zijn eigen herverkiezing niet in gevaar brengen en ruilde Roosevelt in 1944 Wallace in voor senator Harry Truman.

Confrontatiepolitiek

Wallace bleef voor de liberals de logisch opvolgers van Roosevelt, maar hij moest zich tevreden stellen met een positie als minister van Handel. Toen Truman president werd, handhaafde hij Wallace, maar het verraste niemand dat hun verhouding snel verslechterde. Wallace vond Trumans confrontatiepolitiek jegens de Sovjetunie gevaarlijk en overbodig; hij was ervan overtuigd dat de president het beleid van zijn voorganger verkwanselde. In een van zijn vele brieven aan de president benadrukte hij dat het agressieve gedrag van de Sovjetunie voortkwam uit economische zwakte en drong er bij Truman op aan Stalin economische hulp te geven. In september 1946 hield Wallace weer een van zijn befaamde en druk bezochte toespraken. In de speech The Price of Vision benadrukte hij dat de Verenigde Staten meer begrip moesten hebben voor de Russen en, zei hij, ‘Amerika diende zich niet met Oost-Europa te bemoeien, zoals de Rusland zich niet met Latijns-Amerika diende te bemoeien’. De inhoud van de speech stond haaks op Trumans’ buitenlands beleid en was aanleiding voor de president om Wallace te ontslaan. Daarmee brak Truman ook naar buiten toe definitief met het beleid van zijn voorganger.

Omdat Wallace meende dat een meerderheid van de Amerikanen hem steunden in de ‘uitvoering van Roosevelts buitenlandse beleid’, besloot hij als onafhankelijk kandidaat mee te doen aan de presidentsverkiezingen van 1948. Als erfgenaam van de New Deal en ervan overtuigd dat hij de liberale en vooruitstrevende krachten in Amerika vertegenwoordigde, meende Wallace met zijn Progressive Party een goede kans te maken.

Maar de harde werkelijkheid was dat Wallace in de campagne geen rol van betekenis speelde. In het klimaat van de Koude Oorlog hadden de liberals zich van hem afgewend en zijn veroordeling van Truman’s ‘containment-policy’ en het Marshall Plan maakte het voor Republikeinen en Democraten niet moeilijk om Wallace af te schilderen als een afgezant van Stalin. Hij kwam te boek te staan als een naïeve politicus met teveel vertrouwen in de Sovjetunie.

Liberale traditie

Met de verkiezingsoverwinning van Truman kraaiden liberals de liberale victorie. Zij beschouwden zich in de jaren vijftig de ware erfgenamen van New Nationalism, New Freedom en New Deal. Waar Wallace door de liberals eerst als hun mogelijke leidsman werd gezien, werd hij nu uit de progressieve geschiedschrijving geschrapt. Liberals als Schlesinger, Galbraith en Trilling toonden uitvoerig aan dat in Amerika de sociale verandering voortkwam uit het brede centrum en niet uit linkse bewegingen zoals die van Wallace, daarmee voorbijgaand aan de kosten van de Koude Oorlog voor de common man in Amerika en elders in de wereld – een argument dat Wallace aanvoerde.

Het pleidooi van Wallace voor vrijhandel en harmonie paste, ondanks diens wat populistische presentatie, heel goed in de geest van de liberale experimenten van de jaren dertig, en Wallace zou zich heel goed staande hebben gehouden in de liberale opvattingen van de jaren vijftig en zestig waarin de overheid als hoeder van het goede en ‘big-business’ als het kwade gezien werd. Ook het idee dat economische groei voor iedereen en vrije handel de basis voor vrijheid en democratie waren, stond dicht bij het erfgoed van Wallace.

Volgens aanhangers van Wallace was het ook geen toeval dat in de eerste jaren van de Koude Oorlog het fenomeen ‘economische

groei’ tot het belangrijkste instrumentarium van de economische politiek werd uitgeroepen en dat liberalen in Amerika en sociaal-democraten in West-Europa hiervan hun handelsmerk maakten. Naarmate organisaties GATT en het vrijhandelsdenken in het algemeen groeide, durfden vooraanstaande politici in Amerika eer te refereren aan de geschriften van Wallace.

Aan het einde van de jaren vijftig kon niemand vermoeden dat Roosevelts minister van Landbouw ooit nog eerherstel ten deel zou vallen. Want nadat hij zich in 1954 voor de commissie-McCarthy voor zijn linkse standpunten had moeten verantwoorden, vluchtte Wallace weg uit Washington. Hij vestigde zich in Iowa, in het Midden-Westen, waar hij zich gedurende zijn verdere leven bezig hield met experimenten in de gewassenteelt. Uiteindelijk had hij dan toch gehoor gegeven aan zijn moeders oproep om geen politicus, maar boer te worden: ‘then you will never die, because you have to live to see what happens next year’. Wallace overleed in 1965.